9 mei 2013

Een zinloos bestaan

"Deze man.." Hierbij wees hij toevallig op mijn vader. Een man die ik al meer als tien jaar niet meer gezien heb en eerlijk gezegd dat ook graag zo zou willen houden. "Deze man" ging hij verder: "is helemaal niemand. Een onbekende. Alleen familie en directe betrokkenen kennen deze man, verder helemaal niemand!" Hij zette zijn woorden kracht met een zwaaiend gebaar naar de massa voor hem. Mijn vader knikte instemmend. Hij was allang blij dat hij even in de belangstelling mocht staan. Het maakte niet uit wat er over hem gezegd werd. Volgens mij hoorde hij het niet eens, al ga ik het hem ook niet vragen. Het interesseert mij niets, mijn vader is inderdaad helemaal niemand.

Niemand zijn. Niet meer dan een bestaan zijn, een aanwezigheid op de wereld die niets gedaan heeft om herinnert te worden. Gewoon geleefd, gewerkt, liefgehad en verder niets. Ruzie en liefde gemaakt, vrienden gezien en vrienden zien gaan. Gewoon een persoon zijn, niets meer dan een persoon. Het is niemand z'n droom en toch leven we het allemaal. Een bestaan, gewoon een bestaan. Alleen bekend bij onze familieleden en de vrienden die we in ons leven opdoen. Niemand die buiten de groep weet wie je bent. Je bent er gewoon en als je dood ben is het klaar. Geen langdurige relaties met de geschiedenis, geen woorden die op muren geschreven worden uit jouw naam. Gewoon leven en sterven, niets meer dan dat. Het bestaan als zinloos gebeuren, precies zoals de natuur het bedoeld heeft. Het moet heerlijk zijn.

Alles wat ik wens heb ik ook bereikt. Alleen de mensen die mij kennen hebben herinneringen aan mij en alles wat ze weten is verkeerd. Zodra ik doodga zullen zij mij herinneren als iemand die ze ooit gekend hebben, waar ze ooit dingen mee deden en misschien zelfs een lach mee gedeeld hebben. Het zou goed kunnen, ik ben niet anders dan de mensen in mijn omgeving. Niet anders dan de mensen die je dagelijks in de supermarkt tegenkomt. Ik ben net zoveel niemand als jij dat bent. Zodra wij dood zijn, zodra iedereen die ons gekend heeft er niet meer zijn dan is het echt klaar. Wanneer iemand een foto vind waar één van ons opstaat zal hij of zij ons niet herkennen. We zijn gewoon naamloze gezichten die ooit in de camera keken. Een herinnering aan een gebeurtenis die iedereen allang vergeten is. We zijn dan niets meer, alleen nog een persoon in een landschap. Of een persoon in een onbekende ruimte.

Hoe heerlijk moet dat zijn, dat niemand je meer herinnert. Dat je hele leven een zinloze aaneenschakeling van gebeurtenissen zonder doel is geweest. De baan waar je dag in dag uit naar toeging niets opgeleverd heeft, behalve het geld dat je ermee verdiende en waarvan je jezelf in het levensonderhoud voorzag. De woning waar je zoveel lief, leed en dagen gedeeld hebt bewoond door iemand anders. Iemand die geen benul heeft van de vorige bewoners of bewoners. Zelfs het stof, de huidschilfers die je in de loop der jaren kwijtgeraakt bent zijn allang verdwenen uit die woning. Je bent daar niets meer. Als je goed kijkt kan je zelfs zeggen dat je daar nooit geweest bent. Je was niets meer dan momentele opvulling voor de muren. Iets dat er even hoorde en vanzelf weer verdween. Stof op de meubels dat met een doekje weggeveegd is. De vereenzelviging van helemaal niets, stilte.

Zelfs dat kunnen we nog verder doorvoeren. Waarom zouden we stoppen bij de mensen die je zouden kunnen herinneren. Het is nog beter als helemaal niemand je kan herinneren. Dat je niets meer dan een verschijning op straat was. Een aanwezigheid die wekelijks boodschappen doet, maar niemand verder kent. Anoniem sterven en anoniem begraven worden. Geen mensen die rond je kist staan, te rouwen om het gat dat je achtergelaten hebt. Helemaal niet meer, je dood is definitief. De stilte die je achterlaat is voor altijd, opgevuld door de geluiden van andere mensen die jou niet kennen. Jouw stilte is hun ruimte om te praten. Er is ook niemand om bezwaar te maken, want niemand kent jou. Je aanwezigheid op straat zal even gemist worden, maar dat vervaagt ook snel. Voor je het weet ben je niets meer, niet eens een voetstap in het donker. Een verlaten kledingstuk op een vuilnisbelt. Een vergeelde foto met de afbeelding van een onbekend persoon. Sterven zonder dat iemand je gekend heeft is het ultieme zinloze leven. Leven zonder bedoeling, bedoelen zonder leven. Het moet heerlijk zijn om niet herinnert te worden en toch kan ik mij elke gebeurtenis voor de geest halen.

Ik probeer soms mijn vader te vergeten. Zijn bestaan in mijn leven zinloos te maken, maar dat is hij altijd al geweest. Dat realiseer ik mij nu pas, nu hij gezegd heeft dat mijn vader helemaal niemand is. Zeker nu mijn vader daarover instemmend knikte. Mijn vader vind het ook en dan kan ik niet achterblijven. Mijn vader is ook zinloos geweest. Niet meer dan een aanwezigheid en een vage herinnering. Ik voel mij niet betrokken bij hem en als hij dood is zal ik hem niet herinneren. Zijn leven is voor mij zinloos geweest, zoals mijn leven voor hem zinloos is. Ik koester de momenten dat wij elkaar niet herinneren.

Misschien moet ik gewoon alles vergeten, stoppen met willen en leven zoals de meeste mensen leven. Het zou het leven een stuk makkelijker maken. Ik zou eindelijk kunnen leven zoals mijn vader, sterven zoals niemand en herinnert worden door een enkeling. Ik wil ook een zinloos leven. Ik wil niet die drang meer voelen om mijn aanwezigheid te laten gelden op deze wereld. Laat mij zinloos zijn. Ik wil net zoals mijn vader zijn, maar dat veel beter doen!

7 mei 2013

De beslissing

Er zijn stemmen opgegaan, tenminste zo noemen ze dat wanneer anderen beslissingen voor je gaan nemen. Ik hoorde het pas op een later tijdstip. Nadat de beslissing al genomen was en er voor mij geen mogelijkheid meer was om bezwaar te maken. Of nog beter, zorgen dat de hele beslissing teruggeroepen zou worden.. maar het is te laat. Ik moet meewerken, anders zullen er maatregelen volgen. En zoals gewoonlijk vertellen ze niet welke maatregelen dit zijn, behalve dat ik het niet leuk zou vinden.

Ik weet de laatste keer dat ze maatregelen namen nog goed. Voor ik het wist zat ik opgescheept met zoveel rotzooi dat ik niet kon zeggen dat ik van achteren ook leefde. Ik was niet in gevaar of iets dergelijk, maar het was een zeer onprettige situatie. Vergelijkbaar met dat moment waarop je als kind een gruwelijk lekker ijsje hebt en een onverlaat slaat het zonder pardon uit je handen. Dat ze precies dat deden als één van de maatregelen wil ik even erbuiten laten. Het doet nog teveel pijn om daaraan te denken. Veel te veel pijn zelfs. Ik zie nog altijd het ijsje op de grond liggen. Het kostelijke bolletje half platgedrukt door de val en zwaartekracht, terwijl het hoorntje fier omhoog stak uit het ijs. Nu zit ik weer met tranen in mijn ogen. Waarom laat je mij daar ook aan terugdenken? Waarom? Je bent echt gemeen!

Ik blijf vandaag gewoon de hele dag binnen. Hun beslissing is hun beslissing. Ik kan niets anders dan erin meegaan, maar dat doe ik wel op mijn eigen terrein en tussen mijn eigen spullen. Ik blijf mooi binnen. Het kan mij niet schelen dat het buiten warm is, dat de zon schijnt. Binnen is alles van mij. Binnen kan ik naakt rondlopen en met stift dingen op mijn been tekenen. Ik heb ook ooit dingen op mijn buik getekend en daar foto's van gemaakt. Sommige mensen weten dit nog wel, aangezien ik de foto's aan de hele wereld heb laten zien. Het was een mooie tijd. Dingen die getekend waren op mijn buik en mensen die daarop konden reageren. Sindsdien ben ik vaker naakt geweest, zelfs buitenhuis. Iets wat altijd mijn eigen beslissing geweest was. Mijn naaktheid is geheel uit eigen beweging. Er is niemand die mij kan dwingen om naakt te zijn, zoals er ook niemand is die mij kan dwingen om kleren te dragen. Behalve degene die met maatregelen dreigen, maatregelen die ze ook kunnen uitvoeren. Alleen die mensen kunnen mij dwingen om dingen te doen, zoals het aantrekken van kleren. Maar zij zijn er niet. Of ze vinden mijn naaktheid niet erg.

Daarnet vond ik een klein boekje met regels die opgesteld werden toen ik hier kwam wonen. Het is een grappig boekje met leuke plaatjes. Mijn lievelingsplaatje is degene met de jongen die een mes hanteert. Ik weet niet meer precies waarom hij het mes vast heeft of waarom hij op het punt staat het oog van het meisje uit te steken, maar het bevalt mij. Ik moet eigenlijk de teksten gaan lezen, alleen vind ik het veel leuker om de plaatjes te bekijken. De plaatjes leven gewoon, de plaatjes geven mij troost en vreugde. Ook het plaatje met de verkrachtingsscène vind ik prettig om te bekijken. Ik weet niet waarom, seksueel geweld vind ik het meest verderfelijke wat er is en toch ben ik aangetrokken tot dit plaatje. Misschien nog wel meer dan tot het plaatje met de jongen en zijn mes, maar dat wil ik niet voor mijzelf toegeven. Als ik dat doe moet ik misschien constateren dat ik aangetrokken raak tot seksueel geweld en moet ikzelf maatregelen naar mijzelf nemen. Ik ontken het gewoon.

De mensen die de beslissingen nemen mogen het ook absoluut niet weten. Dat is ook de reden dat ik het plaatje altijd zijdelings bekijken. Ik blader door het boekje, blijf hangen bij grappige martelscènes en kijk langdurig naar de jongen met zijn mes. De verkrachtingsscène bekijk ik met geveinsde afschuw en met een vies gezicht sla ik de bladzijde altijd snel om. Maar in mijn hoofd blijf ik ernaar kijken. Ik bekijk elk detail. De schreeuw die woordeloos uit haar mond komt. De man die haar met geweld vasthoudt. Het gevecht tussen de geslachtsdelen. Bloed op de vloer en de lichamen. Ik zie het allemaal in mijn geestesoog en het voelt aan als vergif. Vergif voor mijn geest, waar ik lange tijd naar op zoek geweest ben. Ik vind het prettig. Het is een beslissing die ik genomen heb, om het prettig te vinden. Niet het plaatje, want ik zal nooit toegeven dat ik daar graag naar kijk.. Nee, het vergif dat het voor mijn geest is.. dat vind ik prettig. Dat geeft mij rust. Rust en minder angst voor de maatregelen die zij kunnen nemen als ik hun beslissing niet respecteer.
Al blijf ik altijd op mijn hoede voor hun maatregelen. Ik herinner mij het incident met het ijsje nog maar al te goed.

Inmiddels is het vier uur 's middags en heb ik nog geen stap buiten gezet. Ik heb het raam wel opgedaan en even de frisse wind van buiten op mijn gezicht gevoeld. Ook voelde ik het mijn lichaam strelen, maar dat is toch minder noemenswaardig. Ik hou ervan als de wind mijn gezicht streelt en mijn haar door de war maakt. Dat het ook over mijn naakte lichaam kan stromen zegt mij dan weer minder. Het is iets wat kan. Een gebeurtenis, een ervaring. Net als sushi eten. Het is een ervaring, niet iets dat je dagelijks zou willen meemaken.

Ik kijk naar buiten, door het glas en niet het geopende raam. Het is beter om door het glas van de ruit te kijken, in plaats van rechtstreeks naar buiten door het geopende raam, want ik had besloten binnen te blijven. Voor mij is naar buiten kijken door een geopend raam precies hetzelfde als buiten zijn en dat wil ik vandaag niet. Vandaag is een dag dat ik binnen blijf. Enerzijds als stil protest tegen de beslissingen die ik zonder medeweten opgelegd krijg en anderzijds omdat ik geen zin heb om naakt buiten te zijn. Ik kijk naar buiten en hou het boekje met regels in mijn linkerhand. De beslissing die ik genomen heb was de juiste. Ik voel een glimlach op mijn gezicht.

6 mei 2013

De kogel kwam van links

6 mei, de dag na de nationale Bevrijdingsdag en de dag dat Pim Fortuyn kennismaakte met Volkert van de Graaf. Een ontmoeting die hij niet zou overleven, aangezien Volkert besloten had zijn pistool op Pim Fortuyn te legen. Inmiddels is het elf jaar geleden dat Fortuyn en Van de Graaf elkaar ontmoette op die onvriendelijke parkeerplaats van het Mediapark in Hilversum. Elf jaar hebben we de tijd gehad om de ware geest van Pim Fortuyn te ontrafelen. Elf jaar de tijd om de motieven van Van der Graaf verder uit te diepen. Elf jaar om de achtergelaten puinhopen op te rapen.

Je kan veel zeggen en moord valt nooit goed te praten. Nooit, in geen geval. Zelfs de grootste dictator verdiend het niet om op een anonieme parkeerplaats overhoop geschoten te worden, maar laten we hen terzijde laten. Pim Fortuyn was in ieder geval niet de belofte die vele in hem zagen. Dat staat buiten kijf, de gevolgen van zijn woorden en zijn eenzijdige mening kunnen we nog steeds proeven op onze tong. De maatschappij is na Pim Fortuyn veranderd en in geen enkel geval ten goede. De kogel die hem raakte kwam van links, maar hij had daarvoor al een mes in de rug van de maatschappij en politiek gestoken. Zijn woorden klinken nog steeds door, het pluche in Den Haag lijkt hem nooit meer boven gekomen zijn. En waarom eigenlijk niet? Waarom zouden we niet objectief naar deze flamboyant kijken en zijn erfenis grondig tegen de loep houden? Ik weet het niet en ik ben ook niet de aangewezen persoon om daar over na te denken. Politiek is niet mijn vakgebied.

Elf jaar geleden was ik (als ik eerlijk ben) blij. Blij dat de woorden van Pim Fortuyn alleen nog herinnering waren. Dat zijn stem, zijn geroep en het gevaar dat hij uitstraalde tot een hardhandig halt geroepen was. Pim Fortuyn was geen persoon die ik graag plaats zag nemen op het pluche van Den Haag. En ik denk dat er meer mensen zo over dachten, al was ik één van de weinige die er openlijk vooruit kwam. Tegenwoordig denk ik er milder over. Pim Fortuyn was een dwaas. Een dwaas, zoals Geert Wilders een dwaas is. Een nar. Een radicaal met één doel en dat was zichzelf zoveel mogelijk horen praten. Geert Wilders heeft wat dat betreft uitstekend naar Fortuyn gekeken en doet precies wat hij ook gedaan zou hebben. Zichzelf horen praten is iets wat beide mannen uitstekend beheersen (of beheersten) maar Wilders is een ander verhaal. En zoals Pim Fortuyn het niet verdiende om op een onpersoonlijke parkeerplaats tegen een kogel aan te lopen, verdiend Wilders ook alle vrijheid om zijn dwaasheden de wereld in te schreeuwen. Mensen verdienen het niet om te sterven voor hun uitspraken.

In de elf jaar die volgende op de onfortuynlijke dood van Pim Fortuyn is er weinig veranderd. De maatschappij is harder geworden, tolerantie is bijna een vies woord geworden en iedereen die het niet met je eens is wordt tot "vijand" bestempeld. Niet dat de rest van de wereld heilig is, want je ziet het overal. Het is gewoon de tijdsgeest en meer niet. Normaal gesproken zou ik ook geen stuk tekst verspillen aan Pim Fortuyn, niet op zijn sterfdag en ook niet op een andere dag.. Maar we hebben niets geleerd van zijn dood, helemaal niets. Pim Fortuyn is op de meest zinloze manier die denkbaar is vermoord. Er is geen enkele lering uit getrokken en het ettert nog steeds door. Er zijn zelfs mensen, in dit geval de bestseller-schrijver Tomas Ross die Fortuyn willen opblazen tot een mythisch persoon. Een jaar geleden riep in de media hij dat Volkert van de Graaf niet de enige schutter kon zijn en dat de moord een geniaal complot was. Ik denk dat Tomas Ross wil dat Fortuyn dezelfde status krijgt als John F. Kennedy in de wereld heeft. Daar stond ook een tweede schutter verstopt achter een grasheuvel op een paar bosjes (of andersom). Een tweede schutter die nooit gevonden werd, maar gezocht moest worden in de handen van de CIA, FBI of gewoon de maffia. Welke organisaties Tomas Ross in gedachte heeft om de tweede schutter bij Pim Fortuyn te leveren weet ik niet, behalve dat hij zegt dat politiek Den Haag erbij betrokken is geweest. Ik krabbel even aan mijn hoofd.

Dit soort dwaze pogingen om van de moord op Pim Fortuyn een mythe te maken zegt veel over dat we niets geleerd hebben. Dat de zeepbel die Pim Fortuyn het hollandsche landschap voorspiegelde nog springlevend is en dat zijn gedachtegoed nog steeds na-ettert in de maatschappij. Op 6 mei komen deze verhalen, deze gedachten en deze ellende weer even naar boven. Mogen ze even het daglicht zien, terwijl we eigenlijk helemaal niets weten. We hebben niets geleerd en kijken alleen naar het kogelgat dat het hoofd van Pim Fortuyn sierde, waarbij sierde ironisch opgevat moet worden. Het was niet de redder van Nederland en hij heeft geen grandioze erfenis achtergelaten waar we nog steeds de vruchten van plukken. Pim Fortuyn heeft niets anders gedaan dan de eerste gaten gemaakt in het schip waarop we zitten. Hij is geslaagd waar Hans Janmaat in een kleine twintig jaar constant in faalde.

En elf jaar na de dood van Fortuyn heb ik nog steeds (tegen beter weten in) de hoop dat mensen dit in gaan zien. Niet de mensen die het al met mij eens zijn, maar iedereen. Jan met de Pet, de Henk en Ingrid waar Wilders altijd op doelt. Dat bij hen de oogkleppen ook van de ogen vallen en zien waar de erfenis van Pim Fortuyn toe geleid heeft. Ik weet dat het ijdele hoop is, wat ook de reden is dat ik mijzelf voorgenomen heb om nooit iets over Fortuyn of Wilders te schrijven. Het heeft toch geen zin. Mensen volgen toch wel degene die het hardste roept zonder dat ze überhaupt luisteren wat de persoon naar ze schreeuwt.

Ja, de kogel kwam van links maar alleen om te verhinderen dat rechts ons bij de keel greep en iedereen verstikte. Het heeft niet geholpen. Rechts en links bestaan niet meer, het pistool is nog steeds niet afgekoeld.

4 mei 2013

De klagers beklaagd

Ik merk dat het speeksel in mijn mond hard bezig is op te drogen. Elke keer als ik mijn mond wil opendoen om de constant klaagzang die vanuit de wereld op mij afkomt tegen te spreken voel ik het. De droogte op mijn tong zet zich door naar mijn wangen, gaat verder mijn keel in en trekt over mijn huig. Ik zie de volgende stroom klagers komen en mijn tong voelt aan als een woestijn. Als ze nu over mijn handelen klaagde, over de dingen die ik doe (of juist niet doe) zou het niet erg zijn. Dat kan ik negeren. Mijn handelen en mijn persoon is van mij, wat anderen daarvan vinden kan mij (inmiddels) niets meer schelen.

Maar ze klagen over de wereld. Ze zeuren over de maatregelen die politici genomen hebben. Ze zeiken over de mensen die gekozen hebben voor een idioot met raar haar. Ze spugen naar de mensen die moeite hebben met de mensen die het niet met hun stemgedrag eens zijn. Stemmen gaan op om de man-vrouw verhoudingen nog verder op scherp te zetten, terwijl er helemaal niets op scherp staat. Ze roepen dat de regering de maatschappij aan het verkwanselen is. En bovenal klagen ze over de graaiers aan de top. Vooral de topmanagers, de mensen die meer geld verdienen dan waar ze recht op hebben of überhaupt nodig hebben, moeten het ontgelden.

Soms heeft de stroom van klagers ook echt gelijk in waarover ze klagen. Is de zuigende werking van hun woorden iets wat je zou moeten horen en hoor je je stem te laten horen tussen alle anderen. Ik doe dan mijn best, maar ook bij deze onderwerpen valt mijn mond droog. Ook hier hangt mijn tong als een droge boterham achter mijn tanden. Ik ben de klagers moe. Ik ben het klagen moe. Zelfs het klagen over de klagers vind ik teveel moeite, er is toch geen enkele reden dat het ooit zal stoppen. Het zit in de menselijke aard om te klagen. Om alles aan te vallen wat niet binnen het eigen straatbeeld valt en voor de mensen die geen straatbeeld hebben trekken ze het denkveld gewoon uit de kast. Ze willen gewoon klagen. De blaren op de tong roepen tot de tegenpartij huilend op de grond valt en zich terugtrekt in een diepe duistere grot. Het mooiste vinden de klagers als de tegenpartij volledig verdwijnt en het liefst na het uitroepen dat ze het helemaal mis hadden. Hoe hadden ze zo stom kunnen zijn, dat is ook iets wat ze graag willen horen.

Je zou denken dat ze daarmee de overwinning behaald hebben. Dat het klaar is, dat ze een feest vieren, maar niets is minder waar. De overwinning smaakt altijd zuur. Zelfs de overwinning moet beklaagd worden en breed uitgemeten in verschillende blogverhalen waarna het op sociale media nog verder uitgehold wordt. Er is geen overwinning zonder dat deze volledig de grond in getrapt is door iedereen die een mond heeft. Een mening is niet meer belangrijk, hoe harder je roept en hoe harder je klaagt des te sneller zal je gehoord worden. De grootste klagers zijn de grootste helden. Zij zijn trots op de blaren die ze op de tong geklaagd hebben en klagen tussen neus en lippen door over de blaren die ze op de tong hebben zitten. Zij worden op handen gedragen als het voorbeeld voor allen, want zij hebben de wijsheid in pacht. Welke wijsheid dat is, dat weten ze niet te vertellen. "Is dat belangrijk?" vragen ze als je toch doorvraagt.

Ik vraag nooit meer door. Er valt niets meer te vragen. Mijn mond is droog, verdroogd. Ik wacht tot de stroom klagers mij bereikt heeft en voorbij gestroomd is. Er is ook maar één oplossing om er helemaal vanaf te komen, wat dusdanig drastisch is dat alleen de sterken van geest het aankunnen. Dat gaat mij (nog) niet lukken. De klagers komen mij de neus uit, maar ergens heb ik wel een lichte vorm van menselijk contact nodig. Om mijzelf helemaal te onttrekken aan de mensheid, diep in een grot en ver weg in het bos te gaan wonen.. Ik kan het niet. Ik wil het ook niet.

Laat mij maar hier staan met mijn droge mond. Soms vind ik een slok water, een lichte verademing die mij de adem beneemt en voel ik mij weer even mens. Even normaal, doordat ik iets zie dat mij aan de mooie momenten uit het leven doet denken. Ik koester die momenten dan even en laat ze weer gaan. Zij zijn niet voor de klagers. Ze zouden het niet snappen. Het is ook mijn wereld, mijn mond en mijn gedachte. Ik zie de volgende golf klagers op mij afkomen. Ik slik de droogte in mijn mond weg. We gaan ervoor. Ik kan gelukkig zwemmen. En ik hoop dat jij het ook kan, anders zal je echt verzuipen.

Succes!

2 april 2013

Het zijn niet altijd regenbogen

"Een doorbraak" noemde de dokter het. Het zou een doorbraak zijn als hij het vertelde. Hij meesmuilde, als hij het vertelde..

Inmiddels was hij hier drie weken en elke week had hij de dokter twee keer gezien. Voor therapiesessies, al was het niet meer dan de dokter aanstaren en een beetje losse herinneringen aan gisteren ophalen. Hij had nog niets belangrijks verteld, niets dat zijn acties om hier te komen kon verraden. Hij wist ook wel dat hij niet in deze instelling geplaatst was vanwege ingroeiende teennagels, alleen dit vertellen.. Hij voelde zich er niet toe in staat. Hij wilde het ook niet vertellen. De keren dat hij het gedeeld had met iemand had hem in gigantische problemen gebracht. Het was ook niet het meest normale verhalen. De meeste mensen hadden een hele normale eerste seksuele ervaring, maar hij niet. Hij voelde zich er ook bijzonder door, speciaal. Wat hij ook is, speciaal. Daarom is hij hier opgenomen, omdat hij speciaal is en zijn seksualiteit niet onder controle had. Al was dat laatste bij de dokter vandaan gekomen, het was het eerste wat hij tegen hem had gezegd. De dokter zou het allemaal wel weten. Verstoorde seksualiteit, grensoverschrijdend gedrag, noodzakelijk om de psychische gesteldheid vast te stellen.. Dure woorden van zo'n dokter en nu wilde hij het weten hoe zijn eerste seksuele ervaring eruit zag.

Hij lachte in zichzelf. Volgens de kleine klok die boven zijn bureau hing was het bijna drie uur. Hij legde zijn hoofd weer op het kussen, zijn ogen naar het plafond gericht. Veel was er niet te doen in zijn kamer. Het was ook niet echt groot, net groot genoeg voor een eenpersoonsbed, een tafel (die hij tot bureau bestempeld had) en een stoel. Verder had hij ook niets, behalve die ene klok maar die was van de instelling. Niet dat een van de andere meubelstukken zijn bezit waren, maar hij vond dat dingen die hij veelvuldig gebruikte best als zijn eigendom gezien konden worden. Hij was gaan hechten aan die spullen, zijn tafel, bed en stoel.

Het plafond was spierwit, net als de rest van de kamer. Er was praktisch geen kleur te bekennen, behalve wat door het raam naar binnen viel als hij het gordijn opendeed. Hij deed nooit het gordijn open. Het was niet zijn gordijn en hij gaf niets om de buitenwereld. Teveel dingen die hem konden afleiden, verwarren of dingen laten doen waar hij later spijt van kreeg. Hij lag liever op zijn bed te staren naar het witte plafond of aan zijn bureau te schrijven in zijn onleesbare handschrift. Hij had zijn eerste seksuele ervaring ook al flink vaak aan het papier toevertrouwd, maar omdat hij zo onleesbaar schreef (hanenpoten zijn er niets bij) begreep hij soms ook hele stukken niet. Het maakte hem niet uit. Hij schreef deze herinnering graag op, hij dacht er ook bijna dagelijks aan. Het was het keerpunt in zijn leven geweest.

Zijn gedachte dwaalde weer af naar toen. Hij was net zeventien geworden en had besloten te stoppen met school. Hij voelde zich er niet thuis en werd gepest door zijn medeleerlingen. Dat zijn leerplicht afgelopen was kwam hem goed uit, alleen moest hij werk zien te vinden. Zijn moeder wilde hem niet de hele dag in huis hebben. Hij mocht met school stoppen zodra hij werk had, een baantje om zichzelf mee te kunnen onderhouden. Veel moeite om een baantje te vinden hoefde hij niet te doen. Zijn oom had van zijn grieven gehoord en wist het perfecte baantje voor hem. Volgens zijn oom was hij altijd een beetje een vreemde vogel, dus zou hij het niet erg vinden om in het mortuarium te gaan werken. Ze zochten iemand om de lichamen te wassen en zijn oom had geregeld dat hij op gesprek mocht komen. Ondanks dat hij eigenlijk te jong voor de baan was had zijn oom een goed woordje voor hem gedaan. Het hoofd van het mortuarium wilde het wel met hem proberen, zo zei hij. Hij had de baan gekregen en ondanks het nogal lugubere karakter keek hij er wel naar uit. Het was ook precies wat hij ervan verwacht had. Hij had het naar zijn zin.

Hij werkte ongeveer drie maanden als lijkenwasser toen zij binnengebracht werd. "Zij", zo noemde haar hij haar nog steeds. Hij is nooit te weten gekomen hoe ze heette en namen zouden hen alleen in de weg gezeten hebben. Voor hem was "zij" meer dan genoeg. Ze lag in de ruimte waar nieuwe lichamen heengebracht worden. Daar werden ze gewassen en indien gewenst opgebaard voor de nabestaanden. Hij hoefde alleen te zorgen dat het lichaam gewassen werd en de kleding klaarlag om het lichaam weer mee aan te kleden. Met die gedachte liep hij naar de ruimte, niet wetende dat er een levensveranderende gebeurtenis op hem stond te wachten.

Ze lag (zoals gewoonlijk) onder een lijkwade, net zo wit als zijn kamer nu is. Misschien hield hij daarom zou van wit? Het deed hem aan haar denken, aan hun eerste ontmoeting. "Schiet je op!" riep Stephan vanuit een andere ruimte. Stephan was zijn collega en degene die hem begeleidde in de werkzaamheden. "Natuurlijk!" riep hij terug. "Mooi" kwam het antwoord van Stephan "want ik moet nu weg. Ben over een uurtje terug om het van je over te nemen. Je weet wat je moet doen?" Stephan stak zijn hoofd om de hoek van de deur. Hij knikte. Dit was gemakkelijk. Alleen wassen, kleren klaarleggen en wegwezen. Hij stak zijn duim op. Hij kende zijn taak. Stephan knikte en vertrok. Hij haalde de lijkwade van het gezicht en schrok van de pure schoonheid die eronder vandaan kwam. Een jonge vrouw, een kleine tien jaar ouder dan hij, met prachtig donkerblond haar lag op de tafel. Haar ogen waren gesloten, haar lippen leken roder dan elk rood dat hij ooit gezien had. In de dood had haar huid een ivoren kleur aangenomen. Ze was prachtig en ze was hier. Hij was verliefd zonder dat hij wist dat hij verliefd was. Het was liefde op het eerste gezicht.

Voorzichtig trok hij de lijkwade verder over haar lichaam. Haar schouders kwamen bloot te liggen, haar borsten, buik, schaamstreek, benen, helemaal tot haar voeten. Ze lag naakt voor hem op de tafel. Hij verbaasde zich hoe prachtig ze was. Hoe mooi gevormd haar lichaam was, hoe perfect haar borsten. Hij staarde naar haar lichaam, naar haar gezicht. Naar alles, hij zoog haar aanwezigheid echt in. Hij wilde haar nooit meer vergeten. Voorzichtig stak hij een hand naar haar uit. Hij raakte haar arm uit. Ze was koud.

Achter hem klonk een geluid, alsof iets op de grond viel. Hij schrok en draaide zich razendsnel om. Er was niets te zien. De deur stond nog open en de ruimte, het kantoor zoals iedereen het noemde lag er verlaten bij. Hij was alleen. Toch was het wel goed. Hij was ontwaakt uit zijn dromen. Hij had werk te doen en pakte zijn spullen. Met de losse kraan begon hij haar lichaam nat te maken. Bij deze bezigheid keek hij hoe de straal haar lichaam raakte en het water over haar huid spoelde. Hij besteedde hierbij extra aandacht aan haar borsten en geslacht. Het wond hem op. Hoe de straal haar borsten raakte, de vorm onder zijn handen. De tepel die zijn handpalm kietelde. Het water dat van haar buik tussen haar benen liep. Natte lippen, koud onder zijn aanraking. Het bosje schaamhaar boven haar kut dat hij met de waterstraal kon scheiden. Zijn pik klopte in zijn broek, harder dan hij ooit had meegemaakt. Hij maakte zijn werk met de waterkraan snel af en begon haar lichaam af te drogen.

Hij voelde haar rondingen perfect onder de dunne handdoek. Haar borsten, buik, venusheuvel.. alles droogde hij zorgvuldig af. Beter dan hij ooit gedaan had. Zij was zijn werk en hij beschouwde haar als een kunstwerk. Ze moest perfecter dan perfect zijn. Pas als ze het uiterlijk van een prinses had zou hij tevreden zijn. Hij werkte rustig door, terwijl zijn pik hard tegen zijn broek klopte. Het begon pijnlijk te worden. Hij kon ook niet ophouden haar borsten en kut af te drogen, al waren ze allang droog. Ze was allang afgedroogd, maar hij bleef met zijn handdoek over haar lichaam wrijven. Een glazige blik begon in zijn ogen te ontstaan. Hij bleef gefixeerd op haar gezicht, op de perfectie in dat gezicht. Hij was verliefd en langzaam begon het door te dringen. Hij was verliefd. Zij was zijn eerste liefde.

Hij boog zich voorover en drukte zijn lippen op haar lippen. Een koude kus, alsof je een vis zoende. Zo voelde het, zo zou hij het aan de dokter vertellen. Het was de meest geweldige kus die hij ooit gehad had, een ervaring die hij daarna altijd gezocht had maar nooit vond. Hij kuste haar nogmaals. En toen in haar nek. Ze lag onbewogen onder zijn aanrakingen en kussen. Hierdoor voelde hij zich vrij om verder te gaan. Hij was ook vrij om verder te gaan. Ze hoorde bij elkaar, ze was van hem. Zijn prinses. Met zijn hand streelde hij haar lichaam. Hij bewoog over haar buik en ging langzaam naar die speciale plek tussen haar benen. Heel voorzichtig duwde hij haar lippen uiteen. Stak een vinger ertussen en verder. Ook hier was ze koud. Koud en droog, maar dat deerde hem niet. Hij wist dat ze koud was. Koud en levenloos, maar ze was van hem. Ze is zijn prinses en vanavond zouden ze samen zijn. Zijn handelingen werden steeds vrijer. Zijn handen vlogen over haar borsten, tussen haar benen en diep in haar. Hij likte aan haar tepels, lippen en buik. Zijn opwinding werd overweldigend.

Hij kleedde zich uit. Zijn pik stak als een stevige dolk naar voren en hij zou haar ermee gaan bevrijden. Hij klom op de tafel en duwde met zijn knieën haar benen verder uit elkaar. Hierop ging hij op haar liggen en probeerde bij haar binnen te dringen. De kou van haar lippen duwden tegen zijn eikel en verder kwam hij ook niet. Ze was droog, dood. Koud. Hij gromde. Dit kon niet. Dit was niet zoals hij het zich voorgesteld had, in welke vorm dan ook. Hij moest iets hebben om hen te helpen. Iets dat waarmee hij haar kon opwarmen, glibberig maken. Hij klom weer van de tafel, hoe moeilijk hij het ook vind. Zijn kloppende lid bleef strak voor hem uit staan en wees alles aan waarnaar hij keek. In de kast vond hij een pot vaseline. Dat was glibberig en daarmee moest het lukken. Met twee vingers haalde hij een flinke lik uit de pot en begon dit over zijn eikel te smeren. De laatste resten veegde hij aan de rest van zijn pik af en hij ging terug naar zijn prinses.

Zonder al te veel moeite klom hij weer op tafel en bovenop haar. Nu ging het een stuk gemakkelijker. Hij gleed makkelijk bij haar naar binnen. De koude van haar lichaam omringde zijn geslacht en hij kwam er bijna van klaar. Hij kon zich inhouden, met moeite. Voorzichtig, langzaam begon hij in haar te stoten. Drie stoten laten kwam hij heftig in haar klaar. Zijn zaad spoot diep in haar, grommend en kreunend liet hij het eruit komen. Het was geweldig. Hij was geen maagd meer. Dit zou iemand nooit meer van hem kunnen afpakken. Hij wist wel dat zij niet voor eeuwig was, dat ze nog maar een paar dagen bij hem kon zijn. Hij nam het haar niet kwalijk. Zij was doodgegaan zonder dat ze elkaar kenden, maar door haar dood had hij haar gevonden. Hij hield van haar en zou dat altijd doen.

Hij stond haar weer te wassen toen Stephan terugkwam van zijn boodschap (wat dat ook geweest mag zijn). "Ben je nou nog niet klaar?" vroeg Stephan verbaasd. Hij schudde van nee. "Sorry, ik ben eerst koffie gaan drinken. Had zo'n dorst"  Stephan lachte. "Je hebt dus even gebruik gemaakt van het momentje alleen zijn! Hahaha" Hij schrok, zou Stephan het weten? Zou Stephan dit ook doen als niemand er was? Stephan vervolgde: "Je hebt ook gelijk, als de baas weg is moet je gewoon lekker gaan zitten niksen en koffie drinken" en liep glimlachend weg. Hij bleef achter, zijn hand op haar lichaam terwijl het water uit de kraan bleef lopen. Opgelucht maakte hij het karwei af en ging naar huis. Hij was mooi op tijd voor het eten, maar kreeg geen hap door de keel.

De volgende dag zocht hij haar. Ze was niet in de ruimte waar de lichamen opgebaard worden. Dat kon alleen maar betekenen dat ze in de koelruimte lag. Misschien had ze geen familie of wilde haar familie niet dat ze opgebaard werd. Dat kwam wel eens voor. Het maakte hem niet uit. Zolang ze nog maar even bij hem kon zijn. Hij liep de koelruimte in en keek op de kaartjes wanneer het lichaam in de koelruimte was geplaatst. Haar vinden was ook niet moeilijk. Er was gisteren maar één lichaam binnengebracht en dat was van haar. Zachtjes deed hij de deur van de koeling open en keek naar binnen. Daar lag ze, onder een plastic laken dat haar prachtige lichaam afdekte. Hij trok de slee uit de koeling. Haar lichaam, haar rondingen kwamen in het licht. Hij zuchtte. Daar was ze weer. Voorzichtig hield hij het plastic laken omhoog en bekeek haar prachtige gezicht. Zijn blik dwaalde af naar haar borsten. Achteloos liet hij zijn hand op haar linkerborst vallen. Ze was kouder dan gisteren, maar dat deerde hem niet. Hij voelde de kou niet, hij voelde haar onder zijn hand. Zijn hand dreef weer over haar lichaam, richting die speciale plek tussen haar benen.

"Wat doe je daar?!" bulderde een stem vanuit de deuropening. Zijn baas stond kwaad te kijken. "Niets.." antwoordde hij met een kleine stem. "Kijken.." "Kijken? Kijken? Wat zit je te kijken? Ze is dood, man!" De ogen van zijn baas stonden boos, echt boos. Hij kromp ineen onder die blik. "Sorry! Ik deed niets verkeerd. Echt niet. Ik keek alleen. Ze is gewoon een mooie vrouw. Sorry!" Zijn baas pufte en stampte weg. "Ruim alles op en ga lekker naar huis! Voor vandaag heb je wel genoeg gedaan!" Hij knikte, legde het laken weer over haar lichaam heen en duwde haar terug in de koeling. Zijn pik klopte ondanks zijn baas hem opgemerkt had keihard in zijn broek. Voordat hij naar huis ging bracht hij eerst een bezoekje aan de wc om zich af te trekken. Het was geweldig, haar herinnering lag nog vers in zijn gedachte.

Een week later liet zijn baas hem bij zich komen en was hij zijn baan kwijt. Hij hoefde niet meer terug te komen. Een verklaring voor zijn ontslag kreeg hij niet, alleen een maand salaris zonder dat hij terug hoefde te komen of iets te doen. Hij moest alleen wegblijven. Ze wilde hem daar niet meer zien. Hij huilde om het verlies van zijn baan, maar op dat moment was zij al begraven. Het verlies van haar was veel erger.

Hij staarde weer naar zijn plafond. Naar de witheid boven zijn hoofd en dacht na. Zou hij alles aan de dokter gaan vertellen? Zou hij dat kunnen? De enige persoon die er vanaf wist had hem voor gek verklaard. Die had hem ook verraden aan de politie, maar dat had met zijn andere uitspattingen te maken. Had hij ook niet moeten delen met iemand. Anderen begrijpen het niet. De dokter zal het ook niet begrijpen. Hij besluit het niet te gaan vertellen. Het zijn niet altijd regenbogen, die vanuit doorbraken ontstaan.


31 maart 2013

Het lege bestaan

"De leegte is omnipresent" zei ik tegen niemand in het bijzonder. De leegte zei niets terug, er was ook niets te zeggen. Het was zo of de leegte begreep niet wat ik bedoelde. Ik keek naar mijn bureau. De houten tafel waar ik aanzat. Naar de losse papieren op de hoek. De tekening bovenop de papieren. Een tekening van een piemel en verderop een kwaad-kijkend mannetje. Grote ogen, alles zwart gemaakt tot aan de pupillen toe. Tanden ontbloot in een grote schreeuw, woordeloos uiteraard. En dan vlak daaronder die piemel.

Ik weet niet meer waarom ik dat getekend heb. Ik was er in ieder geval niet met mijn gedachte bij. Waarschijnlijk was de leegte aanwezig toen ik zat te tekenen en heb ik er een weergave van willen maken. Niet van de leegte zelf (dan hoef ik alleen het papier leeg te maken) maar van mijn gevoelens in mij. Van mijn woede en seksualiteit. Wat nog steeds die piemel niet verklaarde.. Ik had het getekend en ondanks een redelijke verklaring kon ik mijn vinger er niet opleggen waarom ik precies dat moest tekenen. Het maakte ook niet uit. Het was een teken dat de leegte inderdaad alomtegenwoordig was en mijn onbewuste gedachten dit uitspraken. Ik kon er niets anders van maken en eerlijk gezegd kon het mij ook niet meer schelen. De papieren op mijn bureau waren niets waard. Het waren gewoon losse blaadjes. Net als de gedachten in mijn hoofd, als het hard waaide waren ze weg. Niets meer dan herinneringen aan niets.

Tegenover mij, naast mij, rondom mij waren de muren. Vier muren die op mij afkwamen. Niet om mij in hun harde omhelzing te knuffelen, maar om mij te vermorzelen. Mijn lichaam moest stuk. Mijn geest moest gebroken worden en op welke manier kan je dat beter doen dan tussen vier muren. Ik voel ze. Dichtbij, koud, aanwezig. Leeg op mijn huid, leeg in de ruimte. Ze zijn er altijd. Het zijn muren. Ik leg mijn hand op de muur naast mij. Het oppervlak is een beetje koud, kouder van mijn lichaamswarmte en hard. Hard onder mijn hand.

"Dit is geen leegte" zeg ik tegen mijzelf. "Dit is een muur. Een harde muur, geplaatst om het plafond boven mij op zijn plaats te houden. Naast deze muur zijn er nog drie. Vier muren.." Mijn stem sterft weg in de ruimte. In de leegte. De woorden vallen op de grond. Bijna ongebruikt kan ik ze zien liggen. Alleen mijn tong en lippen die ze gevormd hebben zijn nog te zien in de restanten. Ik voel medelijden voor de woorden. Ik sprak ze uit en alles was voor niets. Het was voor niets, letterlijk. Ik heb de woorden geschonken aan de leegte en de leegte doet er niets mee. Daar is het leegte voor. Daar is het niets voor. Ik wil nog iets zeggen. Nog meer woorden verspillen aan de leegte, maar er komt niets meer over mijn lippen. Ik ben uitgesproken (voorlopig) en kijk weer naar de muur voor mij. Het bureau probeer ik te negeren.

Ik vind de tekening op mijn bureau nog steeds verontrustend. Die wil ik ook vermijden. Het bureau zelf kan mij niet zoveel schelen. Dat is gewoon een gebruiksvoorwerp, iets dat ik ooit bij de kringloopwinkel gered heb. Ik denk wel eens dat ik het gered heb van andere mensen, maar dat is natuurlijk onzin. Het is gewoon een houten bureau. Er zitten niet eens laden aan, helemaal niets. Een tafelblad met poten, meer is het niet. En ik leg mijn papieren erop. Soms leg ik er ook andere dingen op. Pennen, etenswaren, een koffiekop... Allemaal dingen die niets betekenen. Het zijn niets meer dan gebruiksvoorwerpen. Ze zeggen niets en stellen niets meer voor dan waarvoor ze bedoeld zijn. Ze hebben geen ziel. Ik voel de leegte die uit deze voorwerpen straalt, zelfs al zijn ze niet in mijn buurt. Ik weet niet eens waar ze zijn als ze niet op mijn bureau liggen. In de rest van de ruimte is niets. Ik heb alleen een bureau, de stoel waar ik opzit en de vier muren om mij heen. Ik ben alleen.

"Als ik nu zelf ophoud met bestaan, één word met de leegte..?" Ik schud mijn hoofd. Dat is een belachelijke gedachte. Ik ben de leegte. Ik ben alleen. Er is niets anders dan ik. Ik, het bureau, de papieren erop en de vier muren die alles afsluiten. Ik ben al deze voorwerpen en alsnog ben ik het niet. Ik ben gewoon de belichaming van het niets, de leegte. Zoals ik van binnen leeg ben. Ik kijk om mij heen en zie dat het klopt.

Alles klopt. De muren komen op mij af en vermorzelen mij. Het bureau staat voor mij en tart mij met zijn aanwezigheid. De papieren liggen erbovenop, de tekening blijft onverklaarbaar. Ik voel mij leeg, leger dan de ruimte waarin ik zit. Ik weet het nu, ik ben meer dan leegte. Ik ben gewoon niets en dat is niet erg. Sommige mensen zijn gewoon gedoemd om niets te zijn en vandaag is het mijn beurt.

Ik pak een leeg blaadje van de stapel, door de tekening weg te schuiven. Het niets gaat tekenen. Het niets gaat schrijven. Het zal wel niets worden, maar dat maakt niet uit. We zijn ook met niets begonnen en we zijn alleen. Ik ben alleen (en leeg).

25 maart 2013

Informatie, leugens en de mens

We leven in tijden van bombardementen. Of eigenlijk leven we in een tijd van een constant bombardement en niet meerdere tegelijkertijd. Slechts één, maar niet de de louterende variant waarbij in het vuur van de oorlog bommen naar beneden gegooid worden om alles plat te walsen. Geen grote ontploffingen die alles in een straal van enkele honderden meters alles wat rechtop staat tot stof reduceert. Het is geen bombardement zoals we dat kennen vanuit het nieuws of allerhande actiefilms. Die bombardementen zijn ook helemaal niet interessant. Het enige goede aan ze is de algeheel vernietigende indruk die ze op stad, land en mensen achterlaten. Alleen om daar in te willen leven is een onmogelijke opgave. Ik ga het ook niemand aanraden, de bommen vallen vanzelf een keer. Hier, daar of ergens anders.

Er is een ander bombardement gaande. Al jaren is dit bezig en hoe langer het duurt des te erger lijkt het te worden. We worden overspoeld met informatie. Het is geen golf meer, zoals in de begintijden van het internet maar echt een stortvloed die over ons uitgegooid wordt. Het maakt ook niet meer uit welke vorm de informatie aanneemt, zodra je het over iemand kan uitstorten zal het ook gebeuren. Informatie komt van alle kanten op ons af. Teveel informatie, desinformatie, pure fictie en feiten die gebaseerd zijn op waarheden. Alles is mogelijk en niets is té gek meer. Een paar jongeren roepen dat ze Israël moeten platbombarderen wordt gigantisch uitvergroot. Dat jongeren altijd stompzinnige dingen roepen hoeft er niet bij vermeld te worden, dat wordt ergens anders over iemand uitgestort. Je kan het vast wel vinden. Alle informatie is te vinden, alles is te vinden. Ook de meningen van mensen over die jongeren en die meningen zijn tevens onderdeel van het bombardement aan informatie.

Een mening moet ook over mensen uitgestrooid worden. Hoe triviaal de mening ook is. Hoe stompzinnig de gedachte ook achter de mening, het moet uitgesproken worden. Alles moet uitgestort worden, alles moet gedeeld worden, alles moet te vinden zijn. Informatie in overvloed. Zoveel informatie zelfs dat het de grond platwalst en monddood maakt. En als de informatie ons niet bevalt verdraaien we de feiten dusdanig dat het onze mening kan onderbouwen. Dat hierdoor elke vorm van waarheid verdwenen is doet er niet toe, de informatie dient het doel en het doel is triviaal. Een mening wordt gepresenteerd als feit en feiten bestaan niet meer. Beter gezegd, feiten zijn niet belangrijk meer. Er is genoeg informatie om feiten onder het tapijt te vegen.

Pasgeleden werd bekend dat allochtone kinderen (van turkse en/of roma-afkomst) bij homoseksuele stellen geplaatst worden in het kader van pleegzorg. Op zich een uitermate triviaal feit, zeker als je weet dat (pleeg)kinderen die opgroeien bij homoseksuele stellen een stabielere gezinssituatie hebben dan degene die in een traditionele zetting opgroeien. Maar dat is informatie die je kan weerleggen. Andere argumenten tegenover zetten. Zelfs leugens erin gooien zodat je je eigen gelijk maar kan halen. Je hoeft niet eens in te gaan op het feit dat kinderen uit huis geplaatst worden wegens verwaarlozing, mishandeling of veel erger... Het is genoeg om op culturele achtergrond te wijzen en daarmee de hele (pleeg)zorg van homoseksuele stellen op losse schroeven zetten. Het kan, de mogelijkheden zijn er en ook dit kan weer breeduit gemeten worden op het internet en de traditionele media (kranten, televisie en dergelijke). Het is maar informatie, opgeklopte feiten over kleingeestige mensen en de manier waarop daarmee omgegaan wordt.

Hetzelfde gebeurt met alles en iedereen die vanuit een islamitische achtergrond een uitspraak doet. Er wordt in eerste instantie niet gekeken naar wát je precies zegt, maar naar de culturele achtergrond die je hebt. Roepen dat Israël dood moet (voor zover dat kan met een land) en joden vergif op de wereld zijn, dan moet je wel een islamiet zijn. In ieder geval ben je een antisemiet, wat in het laatste geval ook klopt. Roepen dat joden het vergif zijn is toevallig echt antisemitisch, iets waar ik niet aan mee wens te doen. Andersom werkt het alleen ook. Iemand met een joodse achtergrond die een uitspraak doet over allochtone Nederlanders zal eerst afgestraft worden op die afkomst. Het debat hoeft niet meer gevoerd te worden op feiten, kennis en de mogelijkheid naar elkaars standpunten te luisteren. Nee, de afkomst is genoeg om iemand af te serveren als incapabel, volledig gestoord of zelfs staatsgevaarlijk. Blogs als GeenStijl en alle aanverwante kloons zijn hier groot mee geworden. Het is zelfs zover dat de traditionele media deze vorm van informatie-verduistering begint over te nemen. Alles draait om afkomst, cultuur en welke mensen je denkt te kennen. Wat je precies zegt is ondergeschikt geworden, je mening doet er niet toe want elk woord dat je zegt zal verdraait worden om het doel te dienen (wat dat doel ook mag zijn).

En nu? Niets, het is gewoon iets dat gebeurt en niet meer weggaat. Het internet is groot, alles staat erop. Alles wat je nodig hebt om voor jezelf te kunnen denken is er te vinden. Iets wat levensgevaarlijk is voor regeringen en degene die daadwerkelijk aan de touwtjes trekken in de wereld. Mensen die voor zichzelf gaan denken zijn gevaarlijk, zij ondermijnen de opgebouwde zekerheden die de hogere heren (en dames) in hun ivoren torens hebben. Zij hebben er alle belang bij om de gigantische hoeveelheid informatie te versluieren met domme meningen en verdraaiingen van de feiten. De onrust die hangt om afkomst, seksualiteit en cultuur is precies wat zij nodig hebben. Het verhindert dat mensen voor zichzelf gaan denken en daarmee de machtsstructuur kunnen ondermijnen. Zij zijn juist blij met blogs als GeenStijl en elke kloon die daaruit voortgekomen is. Dat de traditionele media deze vorm van informatie-verduistering over zijn gaan nemen is voor de machthebbers nog meer garen dat ze kunnen spinnen. Ze juichen het toe, stimuleren het en houden de mensen dom. Het doel heiligt de middelen en het doel is bereikt.

De mens wordt al eeuwen dom gehouden. Was het eerst met religie en werk, nu is het met het versluieren van de gigantische hoeveelheid informatie die we tot beschikking hebben. Alles is geheiligd, zelf het aan banden leggen van de informatiestroom. Het is niet mogelijk dat je voor jezelf gaat denken. Dat is niet de bedoeling, maar dat is ook niet iets wat je wilt. Tenminste, dat is niet iets wat de man en vrouw op straat willen. Zij willen alleen hun boodschappen kunnen doen en weten welke amusementsprogramma op televisie is vanavond. Opinie en meningen doen er niet toe, we blaten gewoon degene die het hardste roept na. En de gigantische hoeveelheid informatie die we tot onze beschikking hebben, die laten we links liggen. Alleen radicalen en gestoorden maken daar gebruik van. Mensen die gevaarlijk zijn, staatsgevaarlijk. Daar wil de man en vrouw op straat niet mee geassocieerd worden en is de cirkel weer rond. We houden onszelf dom en dat is precies wat we willen. Het bombardement aan informatie heeft ons monddood gemaakt, we zijn al lang geleden platgewalst (en we vonden het nog lekker ook).

11 maart 2013

Het gezicht in de spiegel

Met mijn duim duw ik het laatste beetje tandpasta uit de tube. Een klein wit-rood-blauw hoopje vormt zich op de kop van mijn tandenborstel. Vanuit de spiegel kijk ik mijzelf aan. Ik zie mijn gezicht. Het gezicht waar ik al eenenveertig jaar naar kijk, wat in mijn hoofd er totaal anders uitziet. En toch, als ik in de spiegel kijk herken ik wel mijzelf. Het gezicht dat mij aankijkt ben ik en toch vind ik dat ik er anders uitzie.

Zoals altijd haal ik mijn schouders ervoor op en begin mijn tanden te poetsen. Het schuim vormt in mijn mond, de smaak van pepermunt en frisheid zwermt rond mijn tanden. Ik kijk nogmaals naar mijn gezicht. Diep in mijn ogen en zie alleen mijzelf terugkijken. De enige persoon die ik goed ken en toch probeer ik mijzelf nog verder te doorgronden. Het is iets wat ik ook moet doen, mijzelf doorgronden.

Dit jaar is begon op een manier die ik niet verwacht had en toch zag aankomen. Ik verloor mijn werk, wat ik allang wist en eerlijk gezegd niet heel erg treurig over was. Aan de andere kant van het speelveld sloeg mijn relatie ook op de klippen. Van rots in de branding werd ik opeens iemand die je liever niet meer in je leven had. Dat deed pijn. Het doet nog steeds pijn, maar sommige zaken nemen geen keer. Ik moet ermee leren leven, het was ook iets dat ik zelf veroorzaakt heb. Vechten is niet mijn sterkste kant als ik niet kan geloven in de droom die we hadden.

Zonder werk en relatie stond ik opeens alleen. Echt alleen. Op een manier die voor veel mensen volledig onbegrijpelijk zal zijn, maar voor mij de meest prettige manier is om te leven. Ongeveer drieënhalve verhuisde het werk, de baan waarmee ik mijn geld verdiende. Verhuizen is nooit erg, het geeft een verandering van omgeving en zorgt dat de oude rommel weer opgeruimd wordt. Alleen vond ik (en enkele andere collega's) mijzelf terug tussen de oude rommel. Natuurlijk niet letterlijk, maar ik kon niet volgen naar de nieuwe locatie. Vier uur op een dag reizen voor een baan gaat mij iets te ver en daar was mijn werkgever het ook mee eens. Ik ben op de reservebank terechtgekomen, wat in mijn geval zoveel betekende dat ik thuis kwam te zitten en daar zit ik nog steeds. Thuis, alleen met mijn katten en de vele gedachten die ik altijd heb.

Ik heb nu het gevoel dat ik op een kruispunt sta. Midden op een kruispunt. Terug naar waar ik vandaan kom is niet meer mogelijk. Die weg is volledig afgesloten, klaar en je moet door. Voor mij liggen drie wegen die ik kan nemen. Drie kanten die ik kan opgaan en ik ben besluiteloos. Wat wil ik in mijn leven? Wat wil ik echt in mijn leven? Iets wat ik natuurlijk wel weet. Ik weet precies wat ik wil, alleen is daar geen droog brood in te verdienen. Leven van kunst is weggelegd voor mensen die van de kunstacademie afkomen, zichzelf ontzettend goed kunnen verkopen en vooral connecties hebben die ik nooit zal kunnen vinden. Daarbij blijken veel mensen mijn kunstwerken ronduit eng te vinden. Vreesaanjagend spul, dingen uit nachtmerries en lijken mijn schrijfsels op de herinneringen aan een psychotische aanval. Niet dat ik het zelf op die manier zie, dat is mij in de afgelopen maanden verteld en heeft mij aan het denken gezet. Het heeft mij nog meer aan het denken gezet.

Drie maanden geleden was ik van plan nog meer werk van mijn kunst te gaan maken. Proberen er echt geld mee te gaan verdienen, ondanks de crisis en de ellende in de wereld. Er is geld te verdienen met kunst. Dat weet ik, dat moet gewoon. Het is mogelijk, alleen moet je werk maken dat mensen aanspreekt. Je moet je potentiële geen vrees aanjagen, tenminste niet in het begin. Zodra je een naam gevestigd heb kan je doen wat je wilt, zoveel weet ik ook wel. Alleen, en daar komt het kruispunt weer, wil ik mijzelf gaan verloochenen door werk te maken dat mensen kan aanspreken. Mooie tekeningen van landschappen, bomen, vogels en dieren in het bos. Ik kan ook abstracte schilderijen gaan maken. Schilderijen met vrolijke kleuren en titels die blijdschap uitspreken. Ik zou dat kunnen doen en waarschijnlijk kan ik deze dingen ook best verkopen, al acht ik die kans ook erg klein. Alleen wil ik dat niet. Ik wil geen werken gaan maken die het publiek aanspreken. Ik teken, schrijf en doe mijn dingen, omdat ik het wil. Omdat ik daar behoefte aan heb. Ik voel een drang om te creëren, om te schrijven. Om er te zijn.

En daar sta ik dan. Alleen op het kruispunt. Waar ga ik heen, welke weg sla ik in? Vroeger kon ik terugvallen op jou, mijn partner en mijn liefde. Die mogelijkheid heb ik niet meer. Ik heb niemand die in mijn armen ligt (of ik in de jouwe) waarmee ik mijn gedachten en ideeën kan delen. Iemand die mij goede raad kan geven, die ik daarna in de wind kan slaan (of toch opvolgen). Het menselijke contact van iemand die dichtbij je staat en je een extra zingeving geeft. Het is weg en ook dat stemt mij tot nadenken. Ook dat is een onderdeel van het kruispunt. Wat wil ik? Ik mis de armen om mij heen. De simpele warmte van een partner, de seks en liefde. Dat mis ik, maar aan de andere kant ook niet. Zoals mijn oom het treffend zei: "Een vrouw/vriendin brengt zorgen met zich mee waar je daarvoor nog nooit van gehoord had" en stiekem heeft hij daar wel een beetje gelijk in. Ik denk dat het andersom voor vrouwen ook zo zou werken. überhaupt gewoon in het algemeen in relaties. Een partner brengt een eigen leven mee, eigen gedachten en wensen. Zaken waar je daarvoor nooit over nadacht. En nu? Nu weet ik het niet en dat is niet zo erg. Ik kan het uitspreken, wat op dit moment genoeg is.

Terug naar mijn kunst. Wat wil ik daarmee? Wat wil ik met mijn schrijfsels? Ik heb genoeg ideeën, genoeg verhalen in mijn hoofd. De demonen op mijn schouder zijn echt niet weg. In het bos wonen nog steeds wezens die mij vrees aanjagen. En de schuur is ook nog niet opgebruikt. Ik heb nog genoeg, alleen durf ik het niet door te zetten. Ik heb verhalen geschreven, kort en onaf. Vooral onaf, want ik ben bang om ze opnieuw op te pakken. Het is makkelijker om een nieuw stuk te schrijven, dan terug te gaan naar het verleden van een verhaal. Alles heeft herinneringen en gevoelens. Aan alles wat ik doe heb ik herinneringen, maar vooral angsten. Ik laat mij leiden door angsten en het idee dat ik niet tegen afwijzing kan. Het kruispunt is geen plaats waar ik wil blijven staan en toch sta ik hier al drie maanden na te denken.

Gelukkig weet niemand in welke situatie ik sta en is er ook nog niemand mij voorbij gereden. De eenzaamheid die ik zelf gekozen heeft zorgt dat het bos alleen voor mij is. Ik wil ook niet omringt worden door mensen, door vele vrienden en kennissen. Het is goed zo, alleen mis ik die arm om mij heen. Mis ik de liefde die jij mij gaf en iemand die even wil luisteren naar mijn verhalen. Ik mis het en weet dat ik met iemand erbij toch weer terug zou gaan naar waar ik vandaan kom. Met iemand blijf ik hangen in mijn angsten en ideeën dat ik het niet kan waarmaken. Ik sta op het kruispunt, alleen en alleen moet ik de weg bewandelen.

Bij deze neem ik mijn eerste stap. Ik blijf op mijn weg. Het interesseert mij niet wat je van mij denkt. Je mag mij psychotisch, volledig krankzinnig en een eng persoon vinden. Je mag zelfs een gruwelijke hekel aan mij hebben (want die zijn er ook) en mijn mening totaal niet op prijs stellen. Het kan mij allemaal niet meer schelen. Het is mijn weg die ik bewandel. Mijn weg, die geplaveid is met dood paardenvlees en alle angsten die ik onder ogen durf te komen. Ik leef niet van mijn kunst, mijn schrijfsel. Ik maak ze gewoon en glimlach naar mijzelf in de spiegel. Morgen zal ik proberen mijzelf te groeten en een goedemorgen te wensen.

2 maart 2013

Met uitzicht op straat

Het liefst zou ik schreeuwen. Keihard schreeuwen tot mijn stem overslaat en er niets meer dan een iel gepiep uit mijn keel komt. Of iets kapot maken. De lamp die op mijn bureau staat kapotsmijten. Keihard op de grond werpen en de papieren erachteraan. Alles doorscheuren, alles wat ik geschreven heb. Ik wil mijn boeken uit de kast trekken, de kast omtrekken en nog meer schreeuwen. Ik wil mijn handen stukslaan op de muur naast mij. Mijn hoofd roept om al deze dingen. In mijn hoofd zal het helpen, maar ik weet dat het onzin is. Dat het enkele seconden helpt en daarna de spijt inzet. Dat ik mij helemaal niet beter zal voelen.

Ik weet dat zodra ik begin te schreeuwen ik niet meer kan ophouden. Dat ik echt doorga tot ik geen stem meer over heb. Ik weet ook dat het helemaal niets helpt. Net zoals mijn handen op de muur kapotslaan, helpt niet. Alle papieren die ik heb verscheuren, helpt niet en na afloop zal ik er ook nog een gigantische spijt van hebben. Mijn boeken laat ik ook maar in de kast staan. Ik vind het zonde om boeken te vernietigen, ze stuk te maken. Ik moet alles zelf oplossen. Alleen lukt het mij niet om te huilen. Het lukt mij niet om het eruit te krijgen. Alles blijft in mijn hoofd zwerven. Ronddwalen als verdwaalde gevangenen die geen muren kennen. Ik heb mijzelf gevangen in mijn eigen hoofd en nu kan ik er niet meer uit. Ik weet ook precies wanneer het gebeurt is. Niet dat het belangrijk is, maar ik weet het wel.

Je laatste status-update is, ondanks het uitermate vaag opgesteld is, voor mij duidelijker dan de straat voor mij. Ik weet precies wat je bedoeld en wat je gedaan hebt. In gedachte zie ik je liggen bij hem in zijn armen. Als ik ernaar zou vragen zou je het uiteraard ontkennen, maar we spreken elkaar nooit meer dus daar hoef je niet bang voor te zijn. Ik zal je nooit meer iets vragen. Ik kijk nog een keer naar het scherm, naar de woorden die je opgeschreven hebt. Ik wil nog steeds schreeuwen. Je woorden maken het alleen erger. Daardoor wil ik nog harder slaan tegen de muur. Mijn computer door de ruimte smijten en alles wat met jou te maken heeft verbranden in de achtertuin. Ik doe het allemaal niet. Ik blijf staren naar het scherm en de woorden. Daarbij kan ik helemaal de achtertuin niet in. Die is van mijn hospita, zij zwaait daar de scepter. Ik wil ook niets met haar te maken hebben.

Ik sta op, zet het scherm uit en ga op het bed liggen. Stilte omringt mij even tot ik mijn hospita onder mij hoor bewegen. Ze loopt naar de keuken (denk ik). Ik hoor kopjes rinkelen, water stromen en een bonk dat ik associeer met de ketel die op het gas gezet wordt. Waarom ze geen waterkoker heeft begrijp ik niet. Tegenwoordig heeft iedereen toch een waterkoker? Ik luister hoe ze haar ding doet. Rondschuifelt door haar ruimte, haar kamers onder mij. Ze is best een aardig mens. Ik hoef alleen niet teveel contact met haar. Ze doet mij teveel denken aan mijn tante en die zie ik ook bijna nooit. In mijn gedachte loopt ze weer terug naar haar bank. Ik hoor haar voetstappen in de goede richting bewegen. Ze moet wel naar haar bank gaan. Stilte valt weer in.

Ik denk aan het laatste moment dat wij samen zijn, maar ik blijf voor mij zien hoe je bij hem in zijn armen ligt. Het verdringt elk beeld dat ik aan ons in mijn hoofd had. Alles wat je niet zegt spreekt zulke duidelijke taal dat ik er niet meer aan wil denken. Ik wil er niet eens meer zijn. Ik knip het licht uit. Duisternis springt in de kamer. Springt bovenop mij zonder haar gewicht te laten gelden. Bij het raam valt een klein randje licht van de straatlantaarns tussen het gordijn door. In de kleine strook licht kan ik vaag mijn kamer onderscheiden. Ik acht het niets bijzonders. Ik sluit mijn ogen. De duisternis is compleet. In gedachte gaan jouw woorden verder. Worden ze groter en begin ik aan jouw toekomst te denken. Hoe jij gelukkig wordt en ik hier achterblijf in mijn kamer met uitzicht op de straat. Onder mij schuifelt de hospita weer rond. Haar voetstappen sloffen door de kamer. Ik sla geen acht op ze. Ik weet dat je gelogen hebt over het verleden. Dat je al veel langer deze dingen doet. Dat je het mij niet wilde vertellen. Ik zie dit ook als reden dat ik niet alles meer kan lezen. Je hebt dingen om te verbergen. Zijn armen om te verbergen. Ik weet het en ik wil het niet meer weten.

Ik draai mij om. De gedachten aan jou verdwijnen. Ik ben terug in het verleden. De begrafenis van mijn oma. Ik zie de kist voorbij schuiven. De sliert mensen die erachteraan loopt en ik die probeert tussen de bankjes vandaan de te komen. Deze keer lijkt het mij te lukken. De kist is bijna bij mij. Ik hoef nog maar enkele meters tussen de bankjes door te lopen om mij aan te kunnen sluiten in de stoet. En dan struikel ik (weer). Ik val voorover, kan net mijn val opvangen met mijn andere voet en schiet naar voren. Ik knal precies tegen de kist aan. De bloemen die erbovenop liggen vallen. De kist glijdt van de baar af en valt ook. Open, op de grond. Het lichaam van mijn oma hangt half uit de kist. Haar dode gezicht onaangedaan door alles wat er gebeurt is. In de dood is ze precies zoals ze in het leven was. Ik barst in tranen uit. Paniek golft door mijn lichaam. Mijn tantes schreeuwen. Of mijn oom, ik weet het niet goed. Iemand in mijn buurt schreeuwt. Ik voel mensen langs mij schieten. Ik word opzij geduwd. Ik ben niet belangrijk. Waar ik neergekomen ben blijf ik ook liggen. Tranen lopen uit mijn ogen, terwijl ik in stilte huil.

Ik voel aan mijn ogen. Ook nu huil ik weer. Ik weet alleen niet of ik om mijn oma huil of de gebeurtenissen die tussen ons hebben plaatsgevonden. Ik huil te weinig en als ik het doe weet ik gewoon niet waarom. Ik voel mij mislukt. Zo mislukt als ik in mijn ogen ook ben. Mijn hospita zegt wel eens dat ik een genot voor het oog ben, dat ik elke vrouw kan krijgen met mijn looks. Ik kijk dan in de spiegel en zie alleen mijzelf. Niets bijzonders. Niet lelijk, maar ook niet meer dan dat. Er is ook niets dat ik goed kan. Ik doe altijd dingen. Schilderen, schrijven en soms een foto plaatsen op het internet, maar dat is niets bijzonders. Anderen kunnen dat beter dan ik. Dat heb jij mij vaak genoeg verteld. Dat anderen veel beter zijn. Je kon ook haarfijn uitleggen waarom anderen beter waren. Daar heb je ook gelijk in. Dat was ook de reden dat je niet meer met mij wilde zijn. Dat je wegging en mij met smoesjes achterliet. Ik snap je best. Net zo goed als ik snap dat je liever bij hem in de armen ligt. Alleen vind ik het moeilijk. Ik verlang nog altijd naar je. Naar je armen, je lach en de kleine dingetjes die jou speciaal maken. Ik verlang naar ons en het verleden dat we hebben.

Ik zou ook willen dat ik de begrafenis van mijn oma kan overdoen. Net zoals ik ons zou willen overdoen. Maar dat kan niet. Gedane zaken nemen geen keer. Daarbij zou ik het toch weer kapot maken. Ik maak alles kapot en daarom wil ik geen andere dingen kapot maken. Ik moet geen dingen kapot maken. Ik moet daarmee stoppen. Daar moet ik nu onmiddellijk mee stoppen. Ik knip het licht weer aan. Mijn kamer verschijnt weer in volle glorie. Mijn boekenkast met alle boeken. Mijn bureau met mijn papieren en computer. Het beeldscherm, uitgeschakeld maar waar jouw laatste status update opstaat. Het gordijn met daarachter het uitzicht op straat.

Ik stap weer uit bed en loop naar het raam. Ik trek de gordijnen open. De straat glinstert van de regen en het licht van de straatlantaarns. Het is stil op straat. Niets beweegt. Alleen de bomen zachtjes in de wind. Ik open het raam. De wind is fris en ik ril een beetje. Ik hoor de geluiden van de stad in de verte. Een auto die wegrijdt. Ergens ver weg klinkt een sirene, ik denk van de politie. Ik kijk naar de straat. De altijd aanwezige straat. Voorzichtig zet ik een voet op de vensterbank. De nattigheid voelt prettig aan onder mijn zool en ik zet de andere ernaast. Ik kijk nog één keer naar de straat.

De val naar beneden is kort, de straat is gelukkig hard.