21 oktober 2011

David Bade: een masterclass

Afgelopen woensdag, zeg maar twee dagen geleden, was ik in de gelukkige gelegenheid om een masterclass van de Nederlandse kunstenaar David Bade in het Teylers museum te Haarlem. Normaal gesproken had ik nooit op een woensdag naar een masterclass kunnen gaan, maar aangezien ik vanwege mijn psychische gesteldheid gedwongen was thuis te zijn én vlakbij Haarlem woon was het een uitgelezen gelegenheid om naar buiten te gaan. Vooral uitgelezen omdat ik pas in de vroege middag van deze masterclass hoorde, ook weer via het internet en de keuze om te gaan niet makkelijk gemaakt werd (door mijzelf). Maar ik ging, uiteraard.

Ik zal niet zeggen: voor ik het wist stond ik in het Teylers. Dat is namelijk niet waar, ik mocht er een korte reis voor ondernemen. Dat ik ook even door Haarlem, de mooiste stad van Nederland, mocht wandelen laat ik maar even in het midden. Bij het Teylers was het mij even onduidelijk waar de masterclass gehouden zou worden, toch wist ik dit probleem snel te tackelen door het even te vragen. Een kaartje en wat informatie rijker liep ik naar de tweede verdieping waar een groep kinderen druk bezig waren een vel papier van vijftig meter vol te tekenen. De eerste resultaten hiervan waren al bij binnenkomst te zien. Een groot (zeg maar gerust het grootste) gedeelte hing van de balustrade naar beneden in de lobby van het museum. Erg grappig om te zien, maar daar kwamen we niet voor.

Op de eerste verdieping stond ik even te dralen, niet helemaal zeker of ik op de juiste plaats was terechtgekomen tot een dame van het Teylers museum mij de ruimte wees waar de masterclass van David Bade gehouden werd. Ik was op de juiste verdieping, de juiste plaats en hoefde alleen de deur door te stappen. Ondanks dat ik een kwartier te vroeg was bleek ik niet de enige aanwezige in de ruimte. Daarom zocht ik een mooi plaatsje helemaal voorin, op de eerste rij vlakbij het doek dat uitgestald stond. Enkele dames hadden hetzelfde idee opgevat en kwam naast mij zitten. David Bade was intussen druk bezig een fotopresentatie via zijn laptop te laten lopen, water drinken en een beetje rondlopen door de ruimte. Het zijn bezigheden die ook moeten gebeuren, al kwam het vooral doordat de masterclass nog niet begonnen was. Intussen stroomde de ruimte vol met mensen, de twee lege stoelen naast mij werden snel ingenomen en achter mij kwamen nog meer mensen zitten. Ik was niet de enige die (noodgedwongen) tijd had om hierbij aanwezig te zijn. En ondanks dat ik niets met het Teylers heb was ik plaatsvervangend blij dat deze masterclass goed bezocht werd. Het is altijd een risico om zoiets te ondernemen.

David Bade ging ook voortvarend aan de slag, een korte introductie van zichzelf en zijn werk en daarna gelijk het publiek betrekken in de masterclass. "Wat zijn de essenties van het tekenen?" En daar gingen we, alles wat vanuit het publiek gezegd werd deed David Bade op het grote uitgestalde doek. Golvende lijnen, een rechte lijn, cirkels, verschillende kleuren. Langzaam ontstond er een lijnenspel op het doek, gemaakt met een materiaal waarmee David Bade nooit gewerkt had (wasco-krijt). Langzamerhand werd het steeds interessanter, niet dat het in het begin niet interessant was... Maar doordat David Bade deze lijnen geheel spontaan op basis van woorden uit het publiek op het doek had gezet moest hij hier iets mee doen. Ook dit was hij niet gewoon, hij gaf aan zijn werken te maken vanuit een vooropgesteld plan. Een idee dat in zijn hoofd was ontstaan en waarbij hij een dwingende behoefte had iets mee te doen. Willekeurig beginnen aan een werk en dan de bezieling krijgen er iets mee te doen.. dat was andere koek.

Vanuit mijn eigen persoon bekeken is dit precies het tegenovergestelde. Ik begin juist zomaar ergens, zonder enig voorop gesteld plan en zet willekeurig lijnen op het papier die vanzelf een voorstelling gaan vormen. Maar naarmate David Bade verder ging mijn zijn uitleg over zijn manier van werken en het publiek verder betrok in het werk zelf begon er toch iets te ontstaan. Zoals hij het zelf noemde een grote droedel, maar wel iets waarmee hij verder kon werken. De manier waarop hij het publiek bij het werk betrok was erg grappig, vragen stellen, mensen direct aanspreken en vragen wat ze juiste met dat antwoord bedoelde. Uiteindelijk kwam hij lichtelijk vast te zitten met het werk zelf, het doek dat er voor hem opgesteld was en mochten we begrippen roepen die hij zou gaan tekenen. En toch kon hij ook op deze manier een inzicht geven in de manier waarop hij werkt. Iemand riep wat, in dit geval dat hij iets van Haarlem moest tekenen en de associatie van David Bade bij Haarlem was de honkbalvereniging. Gelijk mocht diegene even naar voren komen om model te staan als honkballer. Later werd hij nogmaals naar voren geroepen om toch nog even model te staan voor een andere houding, maar het werd wel duidelijk dat je voor bewegingen gerust gebruik kan maken van een model. De eigen herinnering werkt niet altijd.

Uiteindelijk werd een uitermate leerzame, maar vooral amusante middag. Een masterclass van een kunstenaar die zelf opgeleid was tot leraar en hier nog alle kenmerken van had. Het Teylers museum had hiermee geen beter begin van de masterclass "Campaign for Drawing" kunnen verzinnen. Dit weekend hebben ze nog twee kunstenaars op de rol staan. Hiermee sla ik Henk Schiffmacher even over, aangezien hij vandaag (vrijdag 21 oktober) de masterclass verzorgde. Zelf ben ik hier niet heen geweest, omdat de omstandigheden het niet toelieten. Maar morgen (zaterdag 22 oktober) geeft de Nederlandse meester (in mijn ogen) van de Klare Lijn en tevens een geweldige tekenaar Joost Veerkamp een masterclass. Dit is wel een kunstenaar waar je bij moet zijn, om zijn technieken te leren of gewoon te genieten van zijn manier van werken. En zondag (23 oktober) geeft Ans Markus haar masterclass, waarmee ze de rij van vier compleet maakt. Persoonlijk ben ik totaal niet gecharmeerd van het werk van haar, maar het hele idee van kunstenaars die een masterclass houden is gewoon geweldig. Geweldig om bij te zijn, mee te maken en vooral om inspiratie op te doen. Iedereen heeft een tekenaar of een creatief persoon in zich, ga naar zo'n masterclass en laat je inspireren. Laat je creativiteit uit je komen en maak je wereld een beetje mooier!

14 oktober 2011

Volledig verdwaald

Iemand klopte op de deur. Of iemand belde aan, dat weet ik eigenlijk niet meer. Ik vergeet de laatste tijd dat de bel niet werkt of juist nog wel, maar dat ik er niet meer op reageer. In ieder geval vond ik mijzelf terug bij de voordeur, pratend met iemand die er stond. "We komen een schilderij brengen!" zei hij op het moment dat ik mijn hoofd buiten de deur stak. Ik keek hem aan. Een man in een overal, blauw met een klein onleesbaar etiketje op de zak genaaid halverwege de deur en een geparkeerde vrachtwagen. En opeens wist ik het weer. Ze kwamen mijn schilderij brengen, twee weken geleden had ik deze besteld via het internet en nu was het zover.

De man liep terug naar de vrachtwagen waar een andere man uit de laadbak klom met twee grote, schilderijvormige kartonnen dozen in de hand. Hij wilde uit de laadbak klimmen met beide dozen, maar liet er hierdoor één vallen. Toevallig de kleinste. Schrik schoot om mijn hart, straks brak die idioot mijn schilderij. Vijfhonderd euro naar de klote omdat één of andere bezorggek geen idee heeft hoe je normaal met spullen omgaat. De eerste man had intussen de gevallen doos al opgeraapt. Het karton was helemaal opengescheurd langs de zijkant en de inhoud hing er half uit. Ik zag wel een schilderij, maar een totaal ander schilderij dan ik besteld had. Ik opende mijn mond om iets te zeggen, te zeggen dat ik dat niet besteld had toen de man zei: "Momentje hoor meneer! We moeten deze eerst even afleveren bij uw buren." En beide mannen verdwenen met een doos onder de arm in de steeg twee huizen verderop. Ik besloot uit pure nieuwsgierigheid even een blik te werpen. Wie zou er nog meer schilderijen laten afleveren?

Ik trok de deur achter mij dicht en liep langs het huis van de buren naar de steeg. De deur die normaal gesproken potdicht zit stond wagenwijd open. Ik keek naar binnen en zag een doodnormale betegelde steeg, de twee mannen stonden aan het eind te praten met een man. De dozen aan hun voeten, handen bovenop zodat ze niet vielen. Ik keek nog een keer goed en zag dat ze met mijn vader stonden te praten. "Mijn vader?! Woont mijn vader twee huizen verderop? Besteld mijn vader schilderijen?" Ik was helemaal verbluft. Mijn vader heb ik al meer als tien jaar niet gezien en ik was van plan dat zeker tot na het einde van zijn leven vol te houden. En nu blijkt die man gewoon twee huizen naast mij te wonen. Dat kon niet goed zijn! Ik kon mij alleen niet herinneren dat iemand pasgeleden verhuisd was en ik woonde hier toch al een tijdje. Ik was de laatste die hierheen verhuisde. Een vreemde situatie, maar aan de andere kant kon ik mij ook niet herinneren dat mijn bel stuk was of wanneer er iemand op mijn deur klopt.

In ieder geval wilde ik mijn vader niet zien. Zijn schilderijen, de schilderijen waren gelijk niet interessant meer. Ik besloot terug te gaan naar mijn eigen voordeur en de komst van de mannen af te wachten. Ze zouden zo mijn schilderij brengen en daar was ik wel heel benieuwd naar. Weer iets moois om aan de muur te hangen. Terwijl ik terugliep ontdekte ik alleen dat ik verdwaald was. Waar ik normaal gesproken mijn voordeur moest ontdekken zal een kale muur, een groot raam dat niet van mijn huis was en muur haaks op het geheel. Waar was mijn huis? Ik snapte het niet meer, dit was toch gewoon mijn buurtje? Ik woonde twee huizen naast de steeg en ik was alleen naar de steeg gelopen. Toch was de hele buurt anders. De steeg was nog gewoon op dezelfde plaats aanwezig, de vrachtwagen van de schilderijleveranciers stond er iets schuin voor op straat geparkeerd en daarnaast huizen. Maar mijn huis zat er niet bij, na de steeg zag de buurt er heel anders uit. Totaal niet de buurt waar ik woonde. Ik snapte het niet meer, ik was echt vedwaald. Twee huizen verderop verdwaald..

Er zat niets anders op dan te gaan lopen. Misschien was het aan de achterkant allemaal hetzelfde gebleven, was ik verder gelopen dan ik gedacht had en stond mijn huis gewoon verderop. Ik liep langs de muur, wierp een voorzichtige blik naar binnen bij het raam (zag alleen niets dan een doodnormaal interieur dat ik niet kende) en sloeg de hoek om. De buurt zag er nog steeds volledig onbekend uit. Een doodnormale straat met tuinen en kleine boompjes op straat om de parkeerplaatsen te markeren. Hier en daar een auto. Verderop een zijstraat die waarschijnlijk toegang gaf tot het gedeelte achter de huizen. Ik liep de straat verder in, veel anders kon ik niet doen. Ik was helemaal in vertwijfeling en nog veel erger. Straks stonden die schilderijmannen voor de deur en was ik niet aanwezig om het aan te nemen. Ik moest thuis zijn! Ik wilde weten hoe het schilderij eruit zag. Het gaf mijn pas wat extra snelheid en ik sloeg de hoek om. Dit gaf inderdaad toegang tot het achterste gedeelte van de huizen. Ik zag een voetpad lopen langs de schuren en schuttingen, wat allemaal aansloot op een groot groot stuk grasveld met bomen en struiken. Alleen leek het totaal niet op de vlakke velden die ik gewend was. Overal heuveltjes, struiken, bomen en vooral veel gras.

Waar was de buurt waar ik woonde? Alles wat ik rondom mij zag was totaal niet herkenbaar, het zag eruit als de landstreek waar ik woon maar niet waar mijn huis staat. Er zat niets anders op dan doorlopen, mijn eerdere plan om achterom te gaan uit te voeren. Ik keek wel waar de weg mij zou brengen, niet dat ik over een weg liep... Het gras golfde over de heuvels heen, ik liep om enkele struiken heen en naar een groepje bomen verderop. De achterzijde van de huizen liet ik niet uit mijn blikveld verdwijnen. Ik bleef zorgen dat ze aan mijn rechterhand en redelijk in de buurt bleven. Ik was al verdwaald in de buurt waar ik dacht te wonen, ik wilde niet ook nog verdwalen op een grasveld dat ik niet kende. Het duurde niet lang of ik had het groepje bomen bereikt en was eromheen gelopen.

Voor mij lag een hele grote boomstam op de grond. Een omgevallen boom, eigenlijk zo'n klimboom die ik wel eens in een bos heb gezien waar ik met mijn ouders heenging toen ik een kind was. Ik herinnerde mij de leuke momenten op zo'n boom nog goed (die herinneringen zaten wel goed) en glimlachte. Ik stapte om de boom heen en zag opeens de koe. Een hele gewone koe, zwart-wit zoals je veel in Nederland ziet. Ze keek naar mij terug, onaangedaan alsof er elke dag iemand voorbij kwam lopen. En bovenop de boomstam stond een andere koe. Een rode koe, net zo rood als de la vache que rie-koe. Alleen was deze koe echt, niet getekend en stond ze bovenop de boomstam. "What the f...." en ik begon naar mijn fotocamera te zoeken. Dit zou niemand geloven, iedereen zou mij volledig voor gek verklaren maar als ik een foto heb. Als ik toch een foto heb van een knalrode koe bovenop een boomstam! Dat zou echt geweldig zijn, maar ik vervloekte mij enkele seconden later. Uiteraard had ik mijn camera niet mee, ik had zelfs mijn telefoon niet mee. Alles lag nog thuis. Een foto van een koe op een boomstam zat er niet in.

Ik keek rond of iemand in de buurt was. Iemand die ik kon wijzen op die koe op de boomstam. Iemand, iedereen was goed. Gewoon een wildvreemde, als ik hem of haar maar kon wijzen op die koe op de boomstam. Maar er was uiteraard niemand, ik was helemaal alleen met deze twee koeien en alleen ik mocht het meemaken dat een koe op een boomstam staat. Ik draaide mij weer om naar de koeien en zag ze gebroederlijk naast elkaar staan. Alsof ze altijd zo gestaan hebben. De rode koe keek mij echt aan alsof ze wilde zeggen: "Je bent gestoord als je werkelijk denkt dat ik op die boomstam stond!" En ik zweer je dat ik haar stem ook echt in mijn hoofd hoorde. Ik durf er bijna vanuit te gaan dat de koe het werkelijk gezegd heeft, als ik haar bek niet zag bewegen. Een beetje herkauwen deed ze, meer ook niet. Alleen keek ze mij doordringend aan, echt heel doordringend. "Oke, je stond niet op die boomstam!" wierp ik haar toe en beende geïrriteerd weg. De koeien graasde verder en keken mij weer herkauwend na. Ik had ook wel iets beters te doen dan een discussie met een koe te voeren. Er was toch geen mens die mij zou geloven. Laat maar. Ik moest op tijd thuis zijn om het schilderij in ontvangst te nemen. Alleen waar was mijn huis? Ik begon te wensen dat ik broodkruimels gestrooid had toen ik mijn voordeur uitstapte..

13 oktober 2011

Tradities, een nieuw begin

Iedereen wil vooraan staan wanneer het begint. Mensen staan te dringen om maar gaan een glimp op te vangen. "Het moment is gekomen" gonst het daar de massa. "Nu gaat het gebeuren" Een gespannen verwachting trekt over ruggen, hier en daar ontstaat er kippenvel. Een dag om nooit te vergeten zal het worden, een moment waarbij iedereen weet waar hij was toen het gebeurde.

"Schiet eens op!" schreeuwt er iemand vanuit de massa. Geroezemoes klinkt er als een antwoord. Dan gebeurt er iets vooraan. Een voetstap, de massa dringt zich verder op. "Het gaat gebeuren, het gaat gebeuren!" horen we van voren naar achteren gonzen. Er verschijnt een figuur op de open plaats en de mensen dringen iets verder naar voren zonder de plaats zelf te betreden. Ze willen alles zien, maar geen deel uitmaken van het gebeuren zelf. De figuur ziet er triest uit. Zwarte kleding, handen geboden achter de rug. Haren door de war en een blik gericht op de grond. Hij loopt alsof dit zijn laatste dag is, alsof zijn dood de gebeurtenis van de dag moet zijn. De massa gruwelt van zijn aanblik, hij is de oorzaak dat ze hier zijn en hij zal hun dag moeten maken. De figuur loopt door tot hij de rode stip in het midden bereikt. Daar blijft hij staan en kijkt de massa voor hem aan. Zijn blik leeg, verschoten en eenzaam. Hij kijkt naar het toegestroomde publiek zonder hem te zien. Het publiek houdt de adem in. Het gaat gebeuren, nu gaat het gebeuren.

Een schot weerklinkt, de figuur zakt in. Zijn hoofd bebloed, rood en volledig open. De mensen helemaal vooraan hebben een goed zicht op zijn hersenen die onder het schedeldak zitten. Een kind begint te huilen en klampt zich vast aan zijn vaders been, maar hij wordt gedwongen te kijken. Dit mag niemand missen, dit is de gebeurtenis die iedereen moest zien. Hiervoor kwamen ze naar dit plein, naar deze plaats. Dit is waar het allemaal om draait. De figuur zakt verder ineen, valt als een zak aardappelen op de grond en om hem heen wordt de plas bloed groter. De straat onder hem kleurt rood, besmeurt zijn kleren en loopt weg door de geulen tussen de tegels. Het publiek smult ervan, ze willen meer. Maar wat kunnen ze hen nog geven wanneer de hersenen op straat gevallen zijn? En dan begint het allemaal opnieuw.

Een figuur verschijnt, schuifelt over de grond. Hij snikt, huilt zachtjes en kijkt naar de aanwezige mensen voor hem. In zijn gedachten blijft het malen dat hij geen deel wil uitmaken van de gebeurtenis, dat hij er niets mee te maken wil hebben. Maar de massa kan het niets schelen. Ze willen zijn dood zien, zijn leven beëindigd zien worden zodat hun leven verlicht kan worden met deze gebeurtenis. Hij schudt zijn hoofd terwijl hij verder loopt. "Waarom? Waarom?" Hij blijft huilen tot hij naast het lichaam in het midden staat. Zijn voeten in de plas bloed die uit het lichaam gestroomd is. "Waarom moest hij sterven? Wat is de zin van dit alles" Hij kijkt vragend het publiek aan, maar een antwoord komt er nooit. Of hij hoort het niet omdat het schot zijn laatste gedachten afsnijdt. Ook hij zakt naar de grond, zijn hoofd finaal aan flarden gescheurd. Bloed is op enkele mensen op de eerste rij gespat en ze smullen ervan. Slechts één vrouw keek weg toen hij neergeschoten werd, maar zodra het lichaam met een doffe plof op de grond is gevallen kijkt ze alweer uit naar de volgende die opgevoerd wordt.

De rest van de avond gaat het door, net zo lang tot de mannen op zijn of de schutters geen zin meer hebben. Dat wordt niet echt duidelijk. Het publiek maakt het niet uit. Hun levens zijn weer verlicht, de dood van vele heeft het leven van nog meer een betekenis gegeven. Ze hebben een gebeurtenis gekregen waar ze nog lang over kunnen praten. De eerste gaan naar huis, zacht pratend en niet lang nadien is het plein weer leeg. De mensen zijn naar hun huizen getrokken, de woning weer opgezocht. Vol geladen met de gebeurtenis, de gedachte aan wat ze hebben mogen aanschouwen. Morgen hebben ze iets te vertellen aan iedereen die er niet bij kon zijn. "Wat zullen zij jaloers zijn!" Het was een mooie avond en hier kunnen ze nog lang over praten.

Nadat de mensen vertrokken zijn beginnen de schoonmaakploegen aan hun taak. Eerst halen ze de lichamen weg, gooien ze in de gereedstaande vrachtwagen en beginnen met hoogdrukspuiten het bloed weg te spoelen. Het is gemakkelijk werk, de lichamen zijn licht omdat ze met vele handen zijn en het bloed is nog niet in de straatstenen gestold. Binnen het uur is het hele plein leeg en herinnert alleen de rode stip op de grond nog aan de gebeurtenis. De schoonmakers knikken tevreden. Het plein is schoon, klaar voor een nieuw begin. "Kom, we pakken een biertje" zegt iemand. Gezamenlijk lopen ze het plein af en laten het leeg achter. Vanuit de verte kijk ik toe hoe de stoet schoonmakers vertrekt, ik verlaat de donkere steeg waarin ik alles gadegeslagen heb niet. Volgende keer ben ik aan de beurt, volgend jaar zal ik eindelijk mogen sterven. Ik hoop dat het einde snel komt, voor een nieuw begin.

30 september 2011

Vandaag doe ik dit..

Je mag niet klagen, klagen is voor mensen die niet beter weten en denken dat de wereld een boosaardige plaats is waar niemand weet hoe je werkelijk van binnen bent. Je mag niet klagen, alleen de hele dag met je armen open staan om alles te ontvangen wat je eigenlijk helemaal niet wilde hebben. Klagen is voor mensen die dromen, maar deze niet waar durven te maken. Zoals dromen alleen weggelegd is voor mensen die weten waar ze voor staan en het woord klagen niet kennen. Je mag niet klagen, dat zei mijn moeder altijd. Ik klaag niet!

Toch huil ik dagelijks, voel ik de tranen over mijn wangen stromen wanneer ik tegen mijn eigen onvermogen aanloop. Niet dat er geen dingen zijn die ik niet kan doen, behalve raketwetenschapper worden omdat ik niets van wiskunde begrijp en er werkelijk geen meter interesse voor wil opbrengen. Maar toch denk ik dat er dingen zijn die ik niet kan doen. Zaken waarover ik wil klagen, maar niet doe waarna mijn tranen de woorden uitspreken. Het zijn zilte tranen, tranen die ik voel wanneer ik naar prachtige muziek luister. Muziek die mij ontroerd tot op het bot en mij verteld dat ik niet moet klagen. Niet klagen, zoals mijn moeder altijd zei.Vroeger luisterde ik naar de woorden van mijn moeder en klaagde ik niet, vandaag luister ik naar de muziek op de cd Seeljocht en klaag niet. Ik voelde de zilte tranen over mijn wangen lopen, de zee mijn voeten kussen en droomde van dingen die ik nooit zou bereiken. Toch zeg ik niet, niets meer dan ik gisteren vertelde.

Ik weet alleen niet wie er gisteren naar mij luisterde toen ik tegen mijn onvermogen om met mensen te converseren aanliep. Dat mijn houding, gedachten en uitdrukkingsloze kledingkeuze zorgt dat ik niet weet hoe ik met mensen moet praten. Hoe ik mij buitengesloten voel in een groep mensen en toch praat alsof ik erbij wil horen. Ik lach, praat en doe alsof ik het naar mij zin heb terwijl ik het niet begrijp. Zal ik je vertellen dat interactie en communicatie op sociaal vlak mij volledig vreemd zijn? Dat ik niets begrijp hoe je een gesprek aangaat met mensen en kan spreken over zaken als het weer, werk en de gebeurtenissen van gisteren? Ik denk dat jij mij weer niet zou begrijpen en mij aankijkt alsof ik uit zee gelopen ben. Een zee, zilterdan de tranen op mijn wangen en ver van jouw bed verwijderd. Daarom kijk ik alleen naar de massa, de mensen en laat ik het erbij zitten. De tranen op mijn wangen drogen vanzelf op, de gedachten doven ooit uit. En wanneer ik iedereen buitensluit tussen de vier muren hoef ik mijn onvermogen geen voeding te geven. Ik klaag niet. Ik klaag niet, zoals mijn moeder mij ooit vertelde.

Toch verlang ik ook naar de warmte van vreemden, soms... Op momenten dat mijn eenzaamheid boven komt drijven in een groep of zie hoe een ander contacten legt met mensen die ik ook wilde leren kennen. Soms voel ik mijn onvermogen knauwen in mijn been en stromen de tranen iets harder over mijn wangen. Dat zijn de momenten waarbij ik verlang naar de eeuwige stilte, de eeuwige rust van het niets. Dan zijn de muren om mij heen niet meer genoeg, dan wil ik weten wat er na mijn leven zal gebeuren. Maar ik klaag niet, klagen is voor mensen die het leven niet durven te leven. Ik veeg mijn tranen weg, laat mijn wangen opdrogen en vandaag doe ik dit..

17 september 2011

Schep niet in mijn tuin!

"Er was eens.." "Dat verhaal ken ik allang, vertel mij een ander!" Verongelijkt keek ik hem aan, het was precies weer hetzelfde liedje. Ik heb iets wat hij allang kent en voor ik überhaupt iets kan laten zien of vertellen wil hij iets anders. Zijn koortsige blik zwierf over mijn gezicht. "Ik ken geen ander verhaal" antwoordde ik en ik zag zijn gezicht vertrekken. Alsof ik hem probeerde in te smeren met uitwerpselen, zo kon hij altijd kijken maar deze keer liet ik mij niet vermurwen. Hij moest het er maar mee doen, iets anders ging ik het niet voorschotelen.

"Ik wil een ander verhaal horen, dan verzin je maar iets anders. Dit verhaal ken ik al en toen ik het voor het eerst hoorde vond ik het al een stompzinnig verhaal!" Zijn toon werd steeds zeurderiger, een klein dreinend kind dat geen snoepje mag en toch door blijft klagen in de hoop dat zijn moeder van gedachte zal veranderen. Hij keek er bijna smekend bij, smekend en vies. De gedachte dat hij onder gesmeerd werd met uitwerpselen bleef op zijn gezicht staan, al was op het dit moment nog op de achtergrond. De smekende ogen verdoezelde de trekken die zijn ongenoegen uitdrukte. Ik bleef hem aankijken, zonder nog langer iets te zeggen. "Ga je nog een verhaal vertellen?" begon hij op dezelfde zeurtoon. Ik negeerde hem en liep naar het raam.

"Moet je kijken! Er staat een vent in de achtertuin te scheppen!" Ik draaide mij van het raam naar hem om. Hij keek niet eens op. "Die staat daar al drie dagen. Hij heeft de voortuin al omgeschept..." Verschrikt keek ik weer naar buiten. "Wat?! En dat zeg je nu pas?" Ik keek nog een keer naar die kerel in de tuin. Het had gewoon een willekeurige buurman kunnen zijn, overhemd, opgestroopte mouwen en een beetje vieze blauwe spijkerbroek. Als hij niet met een schep in de achtertuin stond te spitten had ik hem geen tweede blik waardig gegund. "Die vent is echt zot!" en ik stormde de kamer uit. "En mijn verhaal dan?!" hoorde ik nog tegen mijn rug roepen, wat ik afkapte door de deur hard achter mij dicht te slaan en de gang in te lopen.

Mijn schaduw snelde mij vooruit in de gang, zonlicht vanuit het raam achter mij speelde met de kleuren op het tapijt. Ik besteedde aan beide geen aandacht. Ik was alleen maar bezig met die vent in de tuin. Met zijn schep en de kuilen die hij inmiddels in het gazon had gemaakt. Was die vent helemaal gestoord geworden? Ik snelde door de gang en sloeg de hoek op. Een nieuwe gang lag voor mij uitgestrekt, aan het einde een raam waar de zon doorheen scheen. Ik zag de lichtstralen op de grond een mooi vierkant vormen. "Krijg nou wat..." sprak ik zachtjes. Er moest hier een trap zijn, tenminste een kwartier geleden was ik hier naar boven gekomen om naar zijn kamer te gaan en nu lag er een gang voor mij alsof er nooit iets anders geweest was. Ik liep terug en keek de gang in waar ik vandaan kwam. Niets vreemds te zien, gewoon dezelfde gang waar ik net ook doorheen liep. Aan het einde een raam waar het zonlicht doorheen valt op het tapijt, spelend met de kleuren. Halverwege de gang de kamer waar hij in bed lag te wachten op zijn verhaal. "Zou ik teruggaan naar hem? Hem vragen waar de trap gebleven is?" Hij zou mij uitlachen, keihard uitlachen en de eerstkomende weken beschimpen dat ik niet eens een trap kon vinden. "Nee, ik zou het zelf wel uitzoeken."

Met die gedachte liep ik terug door de gang, langs zijn kamer en keek uit het raam. Gewoon de achtertuin en daar stond die vent nog steeds verwoed te scheppen in het gazon. Niets vreemds, ik zou die vent wel even de waarheid gaan zeggen. Niemand spit mijn gazon om! Ik draaide mij weer om, liep de gang door en sloeg de hoek om. Weer dezelfde gang voor mij, geen trap.. Alleen een raam en een andere gang aan het einde. Die gang had ik nog niet eerder gezien. Ik liep de gang in, een beetje voorzichtig omdat ik dacht dat het allemaal een hallucinatie was. Straks was de trap gewoon aanwezig, maar kon ik deze niet zien. Op dit moment geloofde ik alles, alleen toen ik op de plaats van de trap kwam.. Tenminste op de plaats waar de trap hoorde te beginnen ging de gang gewoon verder. Harde vloer met hetzelfde kleurige tapijt als overal. Ik liep naar het raam en keek naar buiten. De tuin, gewoon dezelfde tuin als altijd. Alleen een beetje anders, er was iets anders aan deze tuin. Het zag eruit als mijn tuin, maar ergens klopte het niet. Ik kon mijn vinger er niet opleggen, behalve dat het grasveld hier ook volledig omgespit was. Die vent was hier ook geweest!

Ik liep de volgende gang in, gewoon weer een gang met een deur halverwege. Die deur was ook nieuw, ik liep ernaar toe en probeerde de deurklink. Op slot. Ik probeerde het nogmaals. Nee, echt op slot. Ik bleef even staan voor de deur, draalde wat voordat ik verder zou gaan. Binnen hoorde ik een vaag gestommel, een voetstap of iets. Ik kon het niet goed horen en klopte aan. Er moest iemand zijn. Misschien kon deze persoon mij verder helpen, al bleef het vreemd dat hier een kamer was in een gang die ik niet kende. Maar wat kon mij het schelen. Het gestommel stopte onmiddellijk nadat ik aangeklopt had, doodse stilte. Ik klopte nogmaals aan, harder deze keer. Weer doodse stilte, geen vin werd verroerd. Voorzichtig legde ik mijn oor tegen de deur te luister. "BAM!" precies op de plaats waar ik mijn oor legde werd tegen de deur geslagen. Ik schrok mij rot en gaf een gil. "Hee, doe eens normaal! Doe eens open!" Stilte. Niets bewoog, niemand zei iets terug. Ik keek naar de deur, niet goed wetend wat te doen.

Er zat maar één ding op, ik liep verder de gang in en sloeg de volgende hoek om. Een trap naar boven, precies dezelfde trap als ik normaal gesproken in de gang bij de voordeur heb stond hier in de gang. Ik keek omhoog, weer een gang. Een zelfde gang als waarin ik stond, alleen met een trap. Ik liep gelaten naar boven, weinig andere keuze had ik. Teruggaan leverde niets op en die gangen was ik net doorgekomen. De enige weg was naar boven. En weer stond ik in een gang, deze keer twee deuren. Recht tegenover elkaar en beide potdicht. "Zal ik ze weer proberen.." schoot door mijn gedachten. Voordat ik er eigenlijk erg in had stond ik voor de eerste deur en duwde aan de deurklink. Ook op slot. De andere, hetzelfde verhaal. Ik liep maar door, proberen aan te kloppen had ik niet eens zin meer in. Ik zou het zelf wel uitzoeken. Weer een hoek. Weer een gang, alleen aan het einde van deze gang was een vierkant gat met een ladder naar beneden. Voorzichtig liep ik naar het gat alsof er demonen of monsters uit konden schieten. Wist ik veel, inmiddels was ik helemaal de klust kwijt. Ik wist niet eens meer waar ik in mijn eigen huis was en monster die uit een gat schieten... Waarom niet!

Het gat leidde naar een kamer met een aarden vloer. Veel kon ik daar beneden niet onderscheiden, gewoon een vloer met aarde erop en een lader die naar beneden leidde. Geen monster, geen demonen en verder stilte. Ik stapte de ladder op en liet mij trede voor trede naar beneden zakken. De aarden vloer was echt een aarden vloer. Ik stapte op de grond en hoorde niet de holle klank die ik verwacht had van een houten vloer met aarde erop. Meer een solide stamp. Aarde op de derde verdieping? Het werd steeds vreemder. Ik keek de kamer waar ik was rond. Het leek het meeste op een kelder zoals je onder veel oude huizen vind. In de hoek stonden enkele kartonnen dozen opgestapeld, een kast met erin wat verspreid gereedschap en een berg stoffige zooi. Duidelijk een opslag ruimte waar niet vaak iemand kwam. Ik liep naar de kast. Potjes schroeven, een hamer, een berg schroevendraaiers en oude papieren. Ik pakte het papier, niets dan lege blaadjes. In een doos verderop in de kast zaten vermolmde doeken gepropt en weer iets verderop stonden oude potten verf. Volgens mij stonden die er al zolang dat de verf hard geworden was in de pot, maar ik nam de proef niet op de som.

Aan het einde, een beetje verstopt achter de kast en enkele dozen ontwaarde ik een deur. Ik keek verder de kamer door, tegenover de kast vlak onder het plafond zat een klein raampje waar schimmig het zonlicht door naar binnen viel. Achter het glas kon ik gras zien wuiven. Gras op de derde verdieping? Of was dit alweer de tweede? Ik wist het niet meer, maakte ook niet uit. Gras is gras en een raam is een raam. Ik liep naar het raam, schoof enkel dozen waarvan ik dacht dat ze redelijk stevig waren dichterbij en stapte erop. De dozen waren inderdaad stevig of gevuld met dingen die stevig waren. Ik ging maar uit van het laatste, karton staat niet echt bekend dat het mijn gewicht kan dragen. Door op een doos te staan kon ik precies uit het raampje naar buiten kijken. Door de viezigheid en stof op het raam had ik een perfect uitzicht over de tuin. De tuin op grondniveau.. ik keek uit over het grasveld met het gras precies op ooghoogte. De kamer was echt een kelderruimte en dit raampje was niet meer dan een kelderraampje. Verderop in het gras zag ik die vent weer verwoed scheppen in mijn gazon. "Hee!" schreeuwde ik tegen het glas, tegen hem. En begonnen te bonken op het kleine raampje. "Hee! Kap daar eens mee!" schreeuwde ik nog een keer. De man gaf geen teken dat hij mij gehoord had. Hij bleef zijn schep in het gazon duwen en grote happen eruit scheppen. In een schijnbaar onvermoeibaar tempo ging hij door. Ik gaf een laatste klap op het raampje en sprong van de doos. "Boeken en tijdschriften" stond er in een vrouwelijk handschrift op geschreven. "Vreemd" dacht ik nog, maar besteedde er verder geen aandacht aan. Ik moest buiten zien te komen.

Ik keek om naar de trap omhoog, maar wist al dat die weg vruchteloos was. Daar zou ik niet naar buiten kunnen komen, ik kon alleen verder gaan. Verder door de deur achter die andere dozen, de deur achter de kast. Ik schoof de dozen opzij, allemaal gevuld met allerhande troep. Prulletjes vielen eruit toen een doos omviel en in een ander zag ik wat oud speelgoed en kleding. Ik trok mij er allemaal niets van aan, dat was van een later zorg. Later zou ik dat allemaal eens op mijn gemak gaan bekijken. Nu moest ik buiten zien te komen om die kerel eens goed de waarheid te zeggen. De dozen waren ook snel weggewerkt. Nu alleen de kast nog opzij zien te schuiven. Precies met het uiterste puntje stond deze tegen de deur aangeschoven zodat ik deze met geen mogelijkheid kon opentrekken. Ik duwde tegen de kast en tot mijn verwondering verschoof deze een klein stukje over de vloer. Met nog een harde duw was de deur helemaal vrij van dozen en kast. Ik trok aan de deurklink en opende de deur.

Even dacht ik dat deze ook op slot zou zitten. Hij gaf niet gelijk mee, even bleef hij vastgeplakt maar toen ik wat harder trok ging hij een klein stukje open. Mijn hart maakte een sprongetje, van schrik en ook van blijdschap. Ik trok harder aan de deur en met een luid gekraak ging de deur verder open. Weer een kamer, deze duisterder dan degene waar ik mij nu bevond. Deze kamer had geen raampje. Ik liep naar binnen en liet mijn ogen langzaam wennen aan het duister. In de schaduwen verscheen een kleine kamer, helemaal leeg op een lange paal met een bordje waarop "KM 63" geschilderd stond. Bovenop het bord zat een krijtwitte vogel. Een meeuw. "Kraaaa!" zei de vogel.

2 september 2011

Volledig naakt

Een man komt tegenover mij zitten in de trein. Tegenwoordig geen belangwekkende situatie meer, sinds de treinen korter dan de reis zelf zijn geworden moeten we allemaal een beetje inschuiven. Ik trek mijn benen wat dichter onder mij en groet hem met een vriendelijk hoofdknikje. Het is een hele normale man, zo'n echte forens die je in de spits vaker zit. Kort jasje, poloshirt met bovenste knoopje los, haar kortgeknipt in een zakelijk model. Gewoon iemand die ergens op kantoor werkt. Zijn aktetas wekt ook alle indruk dat hij op een kantoor werkt. Ik besteed geen verder aandacht meer aan hem en richt mijn blik naar buiten, dit te meer omdat mijn zogenaamde iPhone weer eens niet wil reageren. In mijzelf vervloek ik de wereld, het ding en iedereen om mij heen.

Langzaam rijdt de trein het station uit en begint de wereld buiten te veranderen van een willekeurig station in een wijds stadslandschap. De man tegenover mij buigt zich voorover en zegt "23!" Meer zegt hij niet en hij zakt weer terug in de rugleuning. Ik kijk hem verbaasd aan en mijn telefoon gaat over. "Onbekend nummer" lees ik op de display. Ik besluit maar op te nemen. "Ja, met Breedveld hier! Dit is werkelijk weer zo'n stuitend slecht geschreven onzin stuk van je!" Ik kijk verbaasd naar de man tegenover mij, maar hij kijkt mij niet meer aan. "Ik had je toch al gezegd dat je niet kan schrijven!" gaat de stem aan de andere kant van de lijn door. "Maar, meneer Breedveld..." val ik in. "Ik had u toch al gezegd dat uw mening mij geen ene meter kan schelen.." "Ja, dat had je inderdaad. Dus? Ik zou nog terugkomen op jouw slechtschrijverij, op jouw stuitend misbruik van woorden, op die geestelijk gehandicapte softenonkindjes die jij metaforen denkt te noemen."

Ik ben inmiddels meer dan verbaasd. Hoe komt deze kerel aan mijn nummer en waarom belt hij mij precies als ik in de trein zit. En dan nog precies op het moment dat een willekeurige vreemdeling het mythische getal 23 tegen mij uitspreekt zonder dat ik erom vroeg."Hee, mannetje! Zit je nu weer te schrijven terwijl je MIJ aan de lijn hebt?" "Je hebt wel een ontzettende lef!" De stem aan de andere kant van de lijn begon met elk woord harder te praten. "Meneer Breedveld, ik zit in de trein. Ik ben onderweg naar elders, schrijven doe ik alleen wanneer ik in alle eenzaamheid van mijn woonkamer ben..." Nee, mannetje... Slechte vakkenvuller in een supermarkt! Je zit gewoon weer een tekst te typen die pijn doet aan je ogen, die je hersenen week laat worden van de spelfouten en taalvervormingen. Fulminerende dwaas ben je!" wierp die Breedveld in voordat ik mijn verhaal kon afmaken. "Verhalen afmaken doe je maar in je eigen tijd!" Ik keek naar de telefoon in mijn hand. Dit moest een geintje zijn, een camera moest op mij gericht zijn. Dat moest! "Nee, mannetje. Het is geen geintje. Je bent de slechtste schrijver die over het net zwerft en dat moet gewoon gezegd worden. Ik zal je nu weer met rust laten. Ga maar lekker je "treinreis" voortzetten!" en hij hing zonder een woord van afscheid op.

Nogmaals wierp ik een blik op mijn telefoon. "Gesprek beëindigd" stond er te lezen. Ik keek de man tegenover mij verbaasd aan, hij glimlachte een beetje. Tenminste, in mijn verbazing dacht ik dit op zijn gezicht te lezen. Dat hij eerder "23" tegen mij gezegd had was ik inmiddels volledig vergeten. Ik was alles vergeten, dit moest een geintje zijn. Hoe kwam die man, die Breedveld, aan mijn telefoonnummer en waarom zou hij mij bellen? Mijn kritiek op zijn schrijverij had hij toch allang afgehandeld? Ik voelde mij opeens heel erg achtervolgd, zelfs de koeien in de wei waren verdacht. Ik keek naar ze terwijl de trein voorbij ze reed, nare beesten. Die zwarte-witte vlekken, de volledige naaktheid van die dieren. Even voelde ik een rilling over mijn rug gaan. Dit moest stoppen, alleen was de enige oplossing die ik kon bedenken helemaal stoppen met schrijven. Maar dat kan ik toch niet zomaar doen, dit is een vrije wereld. Ik zou het er maar ophouden dat dit het laatste was dat ik ooit van die vervelende man zou horen, gewoon zijn laatste wapenfeit. In zijn ogen zal ik wel een nobody zijn, een mannetje uit een onbekend niemandsland. Ik zou gewoon blijven schrijven!

De man tegenover mij boog zich weer naar mij toe. "23" zei hij "Ik zei 23, maar volgens mij hoorde je mij de eerste keer ook wel.." Daar had hij gelijk in, de eerste keer hoorde ik hem ook wel. Ik was het alleen even vergeten, maar nu was het weer luid en duidelijk in mijn geest aanwezig. Ik voelde mij volledig naakt.. naakter dan die koeien in de wei.

22 augustus 2011

Tien seconden

In de tien seconden tussen het vallen en het uiteindelijke neerkomen kunnen we het voelen. Het moment waarop we kunnen ervaren één te zijn met de spreekwoordelijke God, het onmetelijke waar we allemaal naar zoeken. Of het zijn stukjes papier die op de grond liggen, kleine vlekken voor onze ogen die de vallende mens bedriegen met zwaartekracht en ruimtelijke gedachten. De onmetelijkheid van die tien seconden moet het beginpunt van mijn leven zijn. Een sprong in het diepe in de hoop dat de val eeuwig zal duren. Langer dan engelen vallen wanneer de hemelpoorten zich geopend hebben om de bekrompenheid er eindelijk uit te laten, maar ik wil niemand voor het hoofd stoten. De godslastering is niet de weg die ik zoek, ik zoek naar die tien seconden die iemand zo poëtisch wist te beschrijven in beeld, film en woorden. Ik wil dat ook en dan vallen van het dak. Of aan de bomen gaan hangen om een doodsprong naar beneden te ondernemen, ongeacht het leven dat ik ermee kan verliezen. De onmetelijkheid van tien seconden... Het brengt tranen in mijn ogen.

Ik schreef de woorden eerst op een papier, waarna ik het verscheurde en door de kamer wierp. Ze dwarrelen naar de grond om een patroon te vormen dat ik niet kan lezen. Ik zie er gewone chaos in, rommel die de vloer bedekt. Toch voelden zij het moment tussen vallen en neerkomen, de uitgestrekte tien seconden waarbij er niets gebeurt. Waarbij alles op zijn plaats valt of ligt, waarbij je even waant naast je God te mogen zitten. Het enige moment waarop de wereld compleet is en je niet meer hoeft te zoeken. Ik kijk nu naar de snippers papier, naar de verscheurde woorden en voel woede in mij opkomen. Waarom mochten zij wel voelen wat ik mijzelf al die tijd onthoud?! Waarom? Ik schop ze door elkaar en zie sommige wederom opdwarrelen, wederom dat moment meemaken dat ik mijzelf niet kan geven. Al is het toch anders, het is niet dezelfde tien seconden terwijl ze toch vallen naar de grond. Het sterkt mij in de gedachte dat ik best aan een boom kan hangen, dat de sprong helemaal niet zo ver weg is. Ik hoef alleen naar buiten te lopen en de drempel over te gaan. Alleen een boom zoeken en Frank Zappa's muziek luisteren om terug te keren naar mijzelf.

Maar de snippers papier lijken mij uit te lachen. Ik had nooit geschreven over Frank Zappa, ik luisterde nooit naar Frank Zappa en kan daarmee niet terugkeren naar mijzelf. Mijn jeugd is vervlogen, vervallen zonder ooit de sprong gewaagd te hebben. Die woorden staan niet op het papier. Koortsachtig begin ik de snippers uit te zoeken, woorden bij elkaar leggend. Het moet er toch tussen staan. Ik had het eerder geschreven. Ik zal toch wel weten wat ik geschreven heb! Het moet er staan, maar hoe ik ook puzzel en zoek.. ik kan de woorden niet meer bij elkaar krijgen. Enkele losse flarden kan ik terugvinden. Een god hier, engelen daar en nergens een woord over het geloof. Maar ik geloofde ook nooit, ik heb een God nooit nodig gehad en zal het ook niet nodig hebben. Ik ben mijn eigen God en zie de God in alles wat in de tien seconden bestaat. Ik hoef alleen nog te vallen, alleen nog de sprong durven te wagen. Het staat in de snippers geschreven, dat weet ik zeker. Honderd procent zeker, ik heb het toch zelf geschreven.. Maar mijn gedachten zijn verscheurt en verworpen. Ik ben ze kwijt en de puzzel is niet meer op te lossen.

De tien seconden tussen vallen en het uiteindelijk neerkomen. Ik mis het, al heb ik het nog nooit meegemaakt. Ik mis de gebeurtenis die nog moet komen, de definitieve sprong in het diepe. Het moment waarop ik de boom loslaat en mij met de snippers laat meevoeren zoals ik mijn gedachten losliet. Ik mis het. Zal ik de tien seconden ooit nog zien, ooit nog meemaken? Ik kijk naar de grond en probeer de woorden te lezen. "Brood" "met bomen en aarde" Vreemd, als ik" Kleine gedachten, los en niet meer van mij. Ze liggen op de grond waarop ik ze heb laten vallen. Ik ben jaloers op ze en benijd ze tegelijkertijd ook niet. Het zijn mijn gedachten, maar dan verloren. Verloren voor eeuwig. Ik pak de stofzuiger om de snippers op te zuigen. Willoos verdwijnen ze in de slang en ik vergeet dat ik ze ooit gedacht heb. De grond is weer schoon en ik verlang naar mijn tien seconden. Morgen maak ik mijn sprong.. en ik laat de boom los.

20 augustus 2011

Kikkers aan mijn voeten

Buiten was niets meer te zien dan een grijze mist van regen. Een constante stroom die nu al uren aanhield. Ik zuchtte even diep, dat zou gaan boodschappen doen worden als ik niet heel snel mijn paraplu ging vinden. Ik keek nog even naar buiten, een klein glimpje hoop dat het misschien toch droog zal worden binnen aanzienlijke tijd... Maar die hoop werd door de grijze muur van regen die ik door het raam in de tuin zag vallen neergeslagen. Neergeslagen door de regen die het tuinhek verstopte in zijn troosteloosheid. Ik zuchtte nogmaals en ging op zoek naar die verdomde paraplu. Die boodschappen zouden zichzelf niet halen en ik kon er niemand toe aanzetten. Weer een nadeel van de eenzaamheid.

In de gang had ik al gekeken, daar was dat ding niet. Misschien nogmaals in de kast kijken. Tegenwoordig was die kast al een chaos van ongekende proporties geworden en het kon best dat de paraplu er ergens middenin lag. Ik had weinig hoop aangezien ik daar ook al gegraven had, maar ik moest wat. Al keek ik alleen nogmaals voor de vorm en wie weet... Misschien had ik eroverheen gekeken. Ik dook de chaos van de kast in en vond alleen dingen die ik niet wilde vinden. Een oude schoenendoos met helemaal niets erin, behalve de angst voor het donker en kleine dingen. Daaronder een prop papier waarvan ik niet eens wist dat ik die had en een paar schoenen die ik droeg toen ik groter was. Ik voelde de herinneringen aan de spullen in de kast terugkomen. Zo hard terugkomen dat ik wist dat de boodschappen vergeten zouden zijn als ik ze toeliet. Ik gooide alles terug op de stapels in de kast, waardoor sommige omvielen en nieuwe vreemdere stapels vormden, en smeet hem dicht. Hier was mijn paraplu niet. Dat kon nooit, ik deed mijn paraplu nooit in de kast.

Ik keek naar mijn voeten. Blote voeten, zoals ik altijd rondloop binnen, maar er was iets anders aan. Mijn linkervoet had een groene vlek bij mijn grote teen. Gewoon een groene vlek, alsof gras over mijn voet gesmeerd was. Ik bukte mij voorover en veegde mijn hand erover. Niets veranderde aan mijn voet, de vlek bleef maar toen zag ik ze. Kikkers, tientallen kikkers die in mijn gang zaten. Ze krioelden langs de plinten en deden pogingen de trap op te klimmen. Kleine groene kikkers, dezelfde groenheid als op mijn voet zat. Ik keek nogmaals naar mijn voet en zag dat de vlek oogjes had gekregen. Ogen en kleine pootjes. Als van een kikker. Hoe langer ik keek des te meer werd de groene vlek een kikker tot het van mijn voet afsprong en zich bij de rest voegde. Ik was helemaal verbaasd. Kikkers die uit mijn voet groeien? En al zoveel? Ik had niets gemerkt. Was ik dan zolang gepreoccupeerd geweest met de herinneringen die ik in de kast vond? Dat moest wel. En terwijl ik dit bedacht sprong er weer een kikker van mijn voet en van mijn ander zelfs twee.

Inmiddels gingen ze steeds sneller. Mijn hele voeten waren groen, bezaait met pootjes, ogen en halve kikkers. Om de vijf seconden kon ik een kikker zien ontstaan en voor ik het wist was de hele gang bezaait met die kleine, groene amfibieën. Ik kon mijn voeten niet eens meer zien. De kikkers konden geen kant meer op, ze zaten zelfs bovenop mijn voeten. Bovenop hun soortgenoten. En de aantallen bleven doorgroeien. Ik kon gewoon aan de ophoping aan mijn voeten zien dat er nog steeds kikkers groeide uit mijn voeten. Meer en meer. Even wist ik niet wat ik moest doen, maar ik kon niet in die zee van kikkers blijven staan. Ik tilde mijn linkervoet op, honderden kikkers vielen bovenop andere honderden kikkers en een groene voet met ogen en pootjes verscheen. Hier en daar kon ik nog een teen van mijzelf ontwaren, maar ik denk dat het gewoon een wensgedachte was. Ik draaide mij om op mijn andere voet, mijn eerste voet nog steeds boven de zee van kikkers. Het eerste probleem kwam al snel bij mij op, ik moest mijn voet neer gaan zetten. Ergens moest ik mijn voet neerzetten om de gang uit te lopen, maar overal waren kikkers. Ik kon mijn voet alleen bovenop kikkers zetten. Wilde ik dat wel? Maar ik zal weinig andere keuze.

Voorzichtig zette ik mijn voet in de zee van groene kikkers en drukte door. Zonder een geluid te geven zakte de massa in tot een bloederige pulp van kikkeringewanden, levende kikkers die probeerde weg te komen en mijn voet die probeerde hierop te staan. Ik voelde niets bij mijn voet. Niet de grond, niet de rood, groene pulp die om en onder mijn linkervoet was ontstaan, noch de kikkers die in paniek probeerde weg te vluchten. Helemaal niets. Dat sterkte mij om verder te gaan en tilde mijn rechtervoet op en zette deze plompverloren neer naast mijn linkervoet. De pulp nam alleen maar toe, maar als ik niet keek was het niet zo erg. Ik deed ook net alsof ik het gekraak en natte geluid van halfgewonde springende kikkers niet hoorde. Dat scheelde een heleboel en zo nam ik stap na stap de huiskamer in. Overal waren kikkers, overal waar ik keek. Zelfs de banken waren bezaait met groene kikkers. Ik kon geen kant op, het maakte toch niet meer uit. De boodschappen was ik inmiddels helemaal vergeten, de herinneringen in de kast waren niet meer dan dat geworden.

Ik kon alleen nog aan kikkers denken. Groene kikkers met hun korte voorpootjes, hun uitbollende ogen en die lange achterpoten. Hun kleine sprongetjes waarmee ze bovenop hun soortgenoten landen. De natte plofjes die ze maakten en het geluid van stervende kikkers onder mijn voeten. Ik kon mijn spoor door de kikkerzee niet eens meer zien, mijn bloederige voetstappen waren zodra ik mijn voet opgetild had weer ingenomen door nieuwe kikkers. Kikkers bovenop de bloederige pulp van kikkers en die gedachte maakte mij misselijk. Zo misselijk dat ik overgaf. Mijn ontbijt, mijn avondeten van gisteren en de herinneringen aan deze maaltijden. Alles kwam naar buiten en maakte de groene zee een kakofonie van kleuren. Schreeuwerig groen met geel en rode stukjes. Slijmdraden met bijna dezelfde kleur die meegenomen werd door die kleine groene beestjes. Ik kotste weer, het was mij teveel. Kikkers en kots, de bloederige voetstappen, de herinneringen en alles.. Het werd mij allemaal teveel en ik kotste. Ik kotste tot ik niets meer had. Alleen een klein beetje geel gal kwam nog naar buiten en verdween in de kikkerzee. En daar stond ik, te midden van miljarden kikkers. Helemaal leeggekotst en berooft van elke gedachte die ik maar kon hebben. Ik was eindelijk gelukkig, al had ik nog steeds geen boodschappen. Maar het regende toch nog steeds, ik wacht wel tot het over is.

15 augustus 2011

Het oerwoud

Langzaam verandert de kamer in een oerwoud. Een groene massa van bladeren, slingerende takken en felgekleurde bloemen. Het was bijna niet meer mogelijk om je voort te bewegen in de chaos van planten die in de kamer begon te ontstaan. De drukkende hitte maakte het ademen zelfs moeilijk. Hij kreeg het gevoel in een constante omhelzing te liggen van vele vrouwen tegelijkertijd, een liefdesverklaring waar hij niet om gevraagd had maar wel opgedrongen werd. Nog één diepe ademhaling en hij begon de tocht naar de andere kant van zijn kamer. Dwars door de planten en bloemen heen, de hitte neemt hij maar voor lief. Die beklemmende hitte kon hij toch niets aan doen.

Vlak voordat hij doorhad dat de kamer in een oerwoud begon te veranderen waren de ramen al verdwenen in de plantenmassa. Het idee om een raam open te zetten was allang onmogelijk geworden. Hij ging het niet eens meer proberen, al kwam het idee ook niet eens bij hem op. De eerste stap was de makkelijkste, daarna begon de werkelijke beproeving door het struikgewas en fel gekleurde bloemen. Hij snoof de eerste geur van de bloemen op, zwaar van nectar en de felle kleuren.Daar ging hij, de stevige stengels streelden zijn lichaam terwijl hij tussen de planten doorliep. Al snel ging het strelen over in een harde ranseling van takken, bloemen en de zware geuren die de bloemen verspreiden. Hier en daar hoorde hij een insect roepen, misschien een vogel. Het oerwoud begon op zijn schouders te drukken, de vochtige warmte kroop in zijn lichaam en geest. Hij wist zeker dat hij hier ergens zijn autosleutels had achtergelaten, als hij maar kon zien tussen de planten zou hij ze onmiddellijk vinden. Niet dat hij veel aan zijn sleutels had op dit moment, zijn auto was verder weg dan het dichtstbijzijnde hemellichaam en dat bevond zich niet eens in de kamer.

Hij ploegde door, duwde de stengels en takken ruw van zich af waarna ze hem hard in de rug sloegen nadat hij voorbij gegaan was. Een geritsel vlak bij zijn hoofd deed hem schrikken. Hij keek op en zag een gigantische kever over een stengel naar hem kijken. Loeren was eigenlijk een beter woord. Alhoewel hij geen ogen op het monsterlijke insect kon ontdekken wist hij zeker dat het hem zat aan te staren. Te kijken of hij eetbaar materiaal was, misschien had het beest zelfs al een plekje van zijn lichaam uitgekozen om in te gaan bijten. Hij zag het zomaar gebeuren. De kever zwaaide in zijn richting met lange voelsprieten, groenig uitgeslagen alsof er mos op vastgekleefd zat. Hij deinsde achteruit, weg van de kever. Weg van de gedachten die het beest bij hem opriep. Hij moest weg zien te komen uit deze jungle, weg uit zijn kamer. Gewoon weg zien te komen. De kever verdween in de massa van bladeren en liet zich niet meer zien. Maar inmiddels klonk van alle kanten geritsel en zag hij in zijn geestesoog overal grote kevers zitten die uit waren op zijn vlees. Op de smaak van zijn bloed en lichaam. Hij schreeuwde, hard.

Zijn schreeuw werd beantwoord met hetzelfde geritsel, alsof er niets veranderd was. Het kon ze niet schelen. Dit was hun jungle, hun terrein en hij mocht blij zijn dat hij zolang ongemoeid werd gelaten. De drukkende lucht leek nog zwaarder te worden, de begroeiing nog dichter. Hij strompelde voort door de bladeren en takken. Harder en venijniger sloegen de stengels op hem in als hij voorbij ging. Bladeren begonnen aan zijn gezicht te plakken doordat het zweet van zijn hoofd gutste. Op dit moment begon zijn angst vormen van blinde paniek aan te nemen. Weer schreeuwde hij, net zo lang tot zijn stem oversloeg en het constante geritsel even verstomde. Hij was aan de grond genageld door de plotselinge stilte. Dit was nog enger dan het geritsel dat sinds een half uur om hem heen geklonken had. Deze stilte wekte een verwachting, een verwachting waarin hij het onderspit moest delven. Hij keek voor zich, naar de bladeren en de kleurige bloemen die er in verspreid waren. En hij voelde de paniek in zijn keel omhoog komen. Hij wist dat hij het niet ging redden, de paniek zou hem overmeesteren.

Hij probeerde zich te vermannen, voort te bewegen maar de paniek bleef hem op de hielen zitten. Hij deed weer een stap. Sloeg de dichtstbijzijnde bladeren opzij, veegde een grote kever van zijn arm en vermorzelde een tak onder zijn voet. Met een luide krak brak de tak in tweeën en de paniek overviel hem zoals hij de kevers in zijn gedachten had zien doen. Het sprong op hem als een vraatzuchtig roofdier en liet hem blind door het gebladerte rennen. Takken sloegen in zijn gezicht, kleuren bedwelmden hem zonder dat hij ze zag. De lucht ging zwoegend door zijn longen en uiteindelijk viel hij keihard tegen de grond. Hijgend lag hij daar. Tussen takken, stengels, bladeren en onbeschrijfelijke dingen die hij geen naam wilde geven. De paniek had hem te pakken, hij was verloren. Hij kon net zo goed blijven liggen en zich oprollen tot een bal. De val had een kleine opening gemaakt in de bladermassa en hij zag kans zijn benen zover op te trekken dat hij zijn armen eromheen kon slaan. Hij kroop verder ineen, zijn hoofd tussen zijn armen tot zijn voorhoofd zijn knieën raakte. En hij begon te wenen, zachtjes kwamen de tranen. Omdat hij niet meer wist waar hij was, omdat hij overvallen was door de paniek, omdat hij.. Omdat hij deze verstikkende lucht niet meer wilde inademen. Omdat hij het niet meer wist. Doodgaan was nu nog beter, dacht hij... en hij bleef liggen waar hij lag. Paniek vrat aan zijn lichaam, maar omdat hij op de grond lag kreeg het geen vat meer op zijn geest.

Na verloop van zijn verdween de paniek uit zijn lichaam en bleef alleen de angst nog over. De angst en de wetenschap dat hij zichzelf in een onmogelijk pakket had gebracht. Hij nam een besluit, het enige besluit dat hij kon nemen. Hij zou op zoek gaan naar een touw en de boom die hij in de verte van zijn kamer had zien staan. Voorzichtig stond hij op en ging weer op weg. Alles om hem heen negerend. Het geritsel had geen vat meer op hem, de insecten en dieren die hij tegenkwam zag hij niet meer. Hij had een doel! En dat doel lag bij die boom in de verte. Hopelijk had hij een touw gevonden wanneer hij daar uiteindelijk aankwam, maar hij heeft goede hoop. De paniek mag iemand anders verslinden en het oerwoud zal alleen zijn lichaam kunnen krijgen. Met die gedachten was hij onderweg naar die boom.