"De leegte is omnipresent" zei ik tegen niemand in het bijzonder. De leegte zei niets terug, er was ook niets te zeggen. Het was zo of de leegte begreep niet wat ik bedoelde. Ik keek naar mijn bureau. De houten tafel waar ik aanzat. Naar de losse papieren op de hoek. De tekening bovenop de papieren. Een tekening van een piemel en verderop een kwaad-kijkend mannetje. Grote ogen, alles zwart gemaakt tot aan de pupillen toe. Tanden ontbloot in een grote schreeuw, woordeloos uiteraard. En dan vlak daaronder die piemel.
Ik weet niet meer waarom ik dat getekend heb. Ik was er in ieder geval niet met mijn gedachte bij. Waarschijnlijk was de leegte aanwezig toen ik zat te tekenen en heb ik er een weergave van willen maken. Niet van de leegte zelf (dan hoef ik alleen het papier leeg te maken) maar van mijn gevoelens in mij. Van mijn woede en seksualiteit. Wat nog steeds die piemel niet verklaarde.. Ik had het getekend en ondanks een redelijke verklaring kon ik mijn vinger er niet opleggen waarom ik precies dat moest tekenen. Het maakte ook niet uit. Het was een teken dat de leegte inderdaad alomtegenwoordig was en mijn onbewuste gedachten dit uitspraken. Ik kon er niets anders van maken en eerlijk gezegd kon het mij ook niet meer schelen. De papieren op mijn bureau waren niets waard. Het waren gewoon losse blaadjes. Net als de gedachten in mijn hoofd, als het hard waaide waren ze weg. Niets meer dan herinneringen aan niets.
Tegenover mij, naast mij, rondom mij waren de muren. Vier muren die op mij afkwamen. Niet om mij in hun harde omhelzing te knuffelen, maar om mij te vermorzelen. Mijn lichaam moest stuk. Mijn geest moest gebroken worden en op welke manier kan je dat beter doen dan tussen vier muren. Ik voel ze. Dichtbij, koud, aanwezig. Leeg op mijn huid, leeg in de ruimte. Ze zijn er altijd. Het zijn muren. Ik leg mijn hand op de muur naast mij. Het oppervlak is een beetje koud, kouder van mijn lichaamswarmte en hard. Hard onder mijn hand.
"Dit is geen leegte" zeg ik tegen mijzelf. "Dit is een muur. Een harde muur, geplaatst om het plafond boven mij op zijn plaats te houden. Naast deze muur zijn er nog drie. Vier muren.." Mijn stem sterft weg in de ruimte. In de leegte. De woorden vallen op de grond. Bijna ongebruikt kan ik ze zien liggen. Alleen mijn tong en lippen die ze gevormd hebben zijn nog te zien in de restanten. Ik voel medelijden voor de woorden. Ik sprak ze uit en alles was voor niets. Het was voor niets, letterlijk. Ik heb de woorden geschonken aan de leegte en de leegte doet er niets mee. Daar is het leegte voor. Daar is het niets voor. Ik wil nog iets zeggen. Nog meer woorden verspillen aan de leegte, maar er komt niets meer over mijn lippen. Ik ben uitgesproken (voorlopig) en kijk weer naar de muur voor mij. Het bureau probeer ik te negeren.
Ik vind de tekening op mijn bureau nog steeds verontrustend. Die wil ik ook vermijden. Het bureau zelf kan mij niet zoveel schelen. Dat is gewoon een gebruiksvoorwerp, iets dat ik ooit bij de kringloopwinkel gered heb. Ik denk wel eens dat ik het gered heb van andere mensen, maar dat is natuurlijk onzin. Het is gewoon een houten bureau. Er zitten niet eens laden aan, helemaal niets. Een tafelblad met poten, meer is het niet. En ik leg mijn papieren erop. Soms leg ik er ook andere dingen op. Pennen, etenswaren, een koffiekop... Allemaal dingen die niets betekenen. Het zijn niets meer dan gebruiksvoorwerpen. Ze zeggen niets en stellen niets meer voor dan waarvoor ze bedoeld zijn. Ze hebben geen ziel. Ik voel de leegte die uit deze voorwerpen straalt, zelfs al zijn ze niet in mijn buurt. Ik weet niet eens waar ze zijn als ze niet op mijn bureau liggen. In de rest van de ruimte is niets. Ik heb alleen een bureau, de stoel waar ik opzit en de vier muren om mij heen. Ik ben alleen.
"Als ik nu zelf ophoud met bestaan, één word met de leegte..?" Ik schud mijn hoofd. Dat is een belachelijke gedachte. Ik ben de leegte. Ik ben alleen. Er is niets anders dan ik. Ik, het bureau, de papieren erop en de vier muren die alles afsluiten. Ik ben al deze voorwerpen en alsnog ben ik het niet. Ik ben gewoon de belichaming van het niets, de leegte. Zoals ik van binnen leeg ben. Ik kijk om mij heen en zie dat het klopt.
Alles klopt. De muren komen op mij af en vermorzelen mij. Het bureau staat voor mij en tart mij met zijn aanwezigheid. De papieren liggen erbovenop, de tekening blijft onverklaarbaar. Ik voel mij leeg, leger dan de ruimte waarin ik zit. Ik weet het nu, ik ben meer dan leegte. Ik ben gewoon niets en dat is niet erg. Sommige mensen zijn gewoon gedoemd om niets te zijn en vandaag is het mijn beurt.
Ik pak een leeg blaadje van de stapel, door de tekening weg te schuiven. Het niets gaat tekenen. Het niets gaat schrijven. Het zal wel niets worden, maar dat maakt niet uit. We zijn ook met niets begonnen en we zijn alleen. Ik ben alleen (en leeg).
31 maart 2013
25 maart 2013
Informatie, leugens en de mens
We leven in tijden van bombardementen. Of eigenlijk leven we in een tijd van een constant bombardement en niet meerdere tegelijkertijd. Slechts één, maar niet de de louterende variant waarbij in het vuur van de oorlog bommen naar beneden gegooid worden om alles plat te walsen. Geen grote ontploffingen die alles in een straal van enkele honderden meters alles wat rechtop staat tot stof reduceert. Het is geen bombardement zoals we dat kennen vanuit het nieuws of allerhande actiefilms. Die bombardementen zijn ook helemaal niet interessant. Het enige goede aan ze is de algeheel vernietigende indruk die ze op stad, land en mensen achterlaten. Alleen om daar in te willen leven is een onmogelijke opgave. Ik ga het ook niemand aanraden, de bommen vallen vanzelf een keer. Hier, daar of ergens anders.
Er is een ander bombardement gaande. Al jaren is dit bezig en hoe langer het duurt des te erger lijkt het te worden. We worden overspoeld met informatie. Het is geen golf meer, zoals in de begintijden van het internet maar echt een stortvloed die over ons uitgegooid wordt. Het maakt ook niet meer uit welke vorm de informatie aanneemt, zodra je het over iemand kan uitstorten zal het ook gebeuren. Informatie komt van alle kanten op ons af. Teveel informatie, desinformatie, pure fictie en feiten die gebaseerd zijn op waarheden. Alles is mogelijk en niets is té gek meer. Een paar jongeren roepen dat ze Israël moeten platbombarderen wordt gigantisch uitvergroot. Dat jongeren altijd stompzinnige dingen roepen hoeft er niet bij vermeld te worden, dat wordt ergens anders over iemand uitgestort. Je kan het vast wel vinden. Alle informatie is te vinden, alles is te vinden. Ook de meningen van mensen over die jongeren en die meningen zijn tevens onderdeel van het bombardement aan informatie.
Een mening moet ook over mensen uitgestrooid worden. Hoe triviaal de mening ook is. Hoe stompzinnig de gedachte ook achter de mening, het moet uitgesproken worden. Alles moet uitgestort worden, alles moet gedeeld worden, alles moet te vinden zijn. Informatie in overvloed. Zoveel informatie zelfs dat het de grond platwalst en monddood maakt. En als de informatie ons niet bevalt verdraaien we de feiten dusdanig dat het onze mening kan onderbouwen. Dat hierdoor elke vorm van waarheid verdwenen is doet er niet toe, de informatie dient het doel en het doel is triviaal. Een mening wordt gepresenteerd als feit en feiten bestaan niet meer. Beter gezegd, feiten zijn niet belangrijk meer. Er is genoeg informatie om feiten onder het tapijt te vegen.
Pasgeleden werd bekend dat allochtone kinderen (van turkse en/of roma-afkomst) bij homoseksuele stellen geplaatst worden in het kader van pleegzorg. Op zich een uitermate triviaal feit, zeker als je weet dat (pleeg)kinderen die opgroeien bij homoseksuele stellen een stabielere gezinssituatie hebben dan degene die in een traditionele zetting opgroeien. Maar dat is informatie die je kan weerleggen. Andere argumenten tegenover zetten. Zelfs leugens erin gooien zodat je je eigen gelijk maar kan halen. Je hoeft niet eens in te gaan op het feit dat kinderen uit huis geplaatst worden wegens verwaarlozing, mishandeling of veel erger... Het is genoeg om op culturele achtergrond te wijzen en daarmee de hele (pleeg)zorg van homoseksuele stellen op losse schroeven zetten. Het kan, de mogelijkheden zijn er en ook dit kan weer breeduit gemeten worden op het internet en de traditionele media (kranten, televisie en dergelijke). Het is maar informatie, opgeklopte feiten over kleingeestige mensen en de manier waarop daarmee omgegaan wordt.
Hetzelfde gebeurt met alles en iedereen die vanuit een islamitische achtergrond een uitspraak doet. Er wordt in eerste instantie niet gekeken naar wát je precies zegt, maar naar de culturele achtergrond die je hebt. Roepen dat Israël dood moet (voor zover dat kan met een land) en joden vergif op de wereld zijn, dan moet je wel een islamiet zijn. In ieder geval ben je een antisemiet, wat in het laatste geval ook klopt. Roepen dat joden het vergif zijn is toevallig echt antisemitisch, iets waar ik niet aan mee wens te doen. Andersom werkt het alleen ook. Iemand met een joodse achtergrond die een uitspraak doet over allochtone Nederlanders zal eerst afgestraft worden op die afkomst. Het debat hoeft niet meer gevoerd te worden op feiten, kennis en de mogelijkheid naar elkaars standpunten te luisteren. Nee, de afkomst is genoeg om iemand af te serveren als incapabel, volledig gestoord of zelfs staatsgevaarlijk. Blogs als GeenStijl en alle aanverwante kloons zijn hier groot mee geworden. Het is zelfs zover dat de traditionele media deze vorm van informatie-verduistering begint over te nemen. Alles draait om afkomst, cultuur en welke mensen je denkt te kennen. Wat je precies zegt is ondergeschikt geworden, je mening doet er niet toe want elk woord dat je zegt zal verdraait worden om het doel te dienen (wat dat doel ook mag zijn).
En nu? Niets, het is gewoon iets dat gebeurt en niet meer weggaat. Het internet is groot, alles staat erop. Alles wat je nodig hebt om voor jezelf te kunnen denken is er te vinden. Iets wat levensgevaarlijk is voor regeringen en degene die daadwerkelijk aan de touwtjes trekken in de wereld. Mensen die voor zichzelf gaan denken zijn gevaarlijk, zij ondermijnen de opgebouwde zekerheden die de hogere heren (en dames) in hun ivoren torens hebben. Zij hebben er alle belang bij om de gigantische hoeveelheid informatie te versluieren met domme meningen en verdraaiingen van de feiten. De onrust die hangt om afkomst, seksualiteit en cultuur is precies wat zij nodig hebben. Het verhindert dat mensen voor zichzelf gaan denken en daarmee de machtsstructuur kunnen ondermijnen. Zij zijn juist blij met blogs als GeenStijl en elke kloon die daaruit voortgekomen is. Dat de traditionele media deze vorm van informatie-verduistering over zijn gaan nemen is voor de machthebbers nog meer garen dat ze kunnen spinnen. Ze juichen het toe, stimuleren het en houden de mensen dom. Het doel heiligt de middelen en het doel is bereikt.
De mens wordt al eeuwen dom gehouden. Was het eerst met religie en werk, nu is het met het versluieren van de gigantische hoeveelheid informatie die we tot beschikking hebben. Alles is geheiligd, zelf het aan banden leggen van de informatiestroom. Het is niet mogelijk dat je voor jezelf gaat denken. Dat is niet de bedoeling, maar dat is ook niet iets wat je wilt. Tenminste, dat is niet iets wat de man en vrouw op straat willen. Zij willen alleen hun boodschappen kunnen doen en weten welke amusementsprogramma op televisie is vanavond. Opinie en meningen doen er niet toe, we blaten gewoon degene die het hardste roept na. En de gigantische hoeveelheid informatie die we tot onze beschikking hebben, die laten we links liggen. Alleen radicalen en gestoorden maken daar gebruik van. Mensen die gevaarlijk zijn, staatsgevaarlijk. Daar wil de man en vrouw op straat niet mee geassocieerd worden en is de cirkel weer rond. We houden onszelf dom en dat is precies wat we willen. Het bombardement aan informatie heeft ons monddood gemaakt, we zijn al lang geleden platgewalst (en we vonden het nog lekker ook).
Er is een ander bombardement gaande. Al jaren is dit bezig en hoe langer het duurt des te erger lijkt het te worden. We worden overspoeld met informatie. Het is geen golf meer, zoals in de begintijden van het internet maar echt een stortvloed die over ons uitgegooid wordt. Het maakt ook niet meer uit welke vorm de informatie aanneemt, zodra je het over iemand kan uitstorten zal het ook gebeuren. Informatie komt van alle kanten op ons af. Teveel informatie, desinformatie, pure fictie en feiten die gebaseerd zijn op waarheden. Alles is mogelijk en niets is té gek meer. Een paar jongeren roepen dat ze Israël moeten platbombarderen wordt gigantisch uitvergroot. Dat jongeren altijd stompzinnige dingen roepen hoeft er niet bij vermeld te worden, dat wordt ergens anders over iemand uitgestort. Je kan het vast wel vinden. Alle informatie is te vinden, alles is te vinden. Ook de meningen van mensen over die jongeren en die meningen zijn tevens onderdeel van het bombardement aan informatie.
Een mening moet ook over mensen uitgestrooid worden. Hoe triviaal de mening ook is. Hoe stompzinnig de gedachte ook achter de mening, het moet uitgesproken worden. Alles moet uitgestort worden, alles moet gedeeld worden, alles moet te vinden zijn. Informatie in overvloed. Zoveel informatie zelfs dat het de grond platwalst en monddood maakt. En als de informatie ons niet bevalt verdraaien we de feiten dusdanig dat het onze mening kan onderbouwen. Dat hierdoor elke vorm van waarheid verdwenen is doet er niet toe, de informatie dient het doel en het doel is triviaal. Een mening wordt gepresenteerd als feit en feiten bestaan niet meer. Beter gezegd, feiten zijn niet belangrijk meer. Er is genoeg informatie om feiten onder het tapijt te vegen.
Pasgeleden werd bekend dat allochtone kinderen (van turkse en/of roma-afkomst) bij homoseksuele stellen geplaatst worden in het kader van pleegzorg. Op zich een uitermate triviaal feit, zeker als je weet dat (pleeg)kinderen die opgroeien bij homoseksuele stellen een stabielere gezinssituatie hebben dan degene die in een traditionele zetting opgroeien. Maar dat is informatie die je kan weerleggen. Andere argumenten tegenover zetten. Zelfs leugens erin gooien zodat je je eigen gelijk maar kan halen. Je hoeft niet eens in te gaan op het feit dat kinderen uit huis geplaatst worden wegens verwaarlozing, mishandeling of veel erger... Het is genoeg om op culturele achtergrond te wijzen en daarmee de hele (pleeg)zorg van homoseksuele stellen op losse schroeven zetten. Het kan, de mogelijkheden zijn er en ook dit kan weer breeduit gemeten worden op het internet en de traditionele media (kranten, televisie en dergelijke). Het is maar informatie, opgeklopte feiten over kleingeestige mensen en de manier waarop daarmee omgegaan wordt.
Hetzelfde gebeurt met alles en iedereen die vanuit een islamitische achtergrond een uitspraak doet. Er wordt in eerste instantie niet gekeken naar wát je precies zegt, maar naar de culturele achtergrond die je hebt. Roepen dat Israël dood moet (voor zover dat kan met een land) en joden vergif op de wereld zijn, dan moet je wel een islamiet zijn. In ieder geval ben je een antisemiet, wat in het laatste geval ook klopt. Roepen dat joden het vergif zijn is toevallig echt antisemitisch, iets waar ik niet aan mee wens te doen. Andersom werkt het alleen ook. Iemand met een joodse achtergrond die een uitspraak doet over allochtone Nederlanders zal eerst afgestraft worden op die afkomst. Het debat hoeft niet meer gevoerd te worden op feiten, kennis en de mogelijkheid naar elkaars standpunten te luisteren. Nee, de afkomst is genoeg om iemand af te serveren als incapabel, volledig gestoord of zelfs staatsgevaarlijk. Blogs als GeenStijl en alle aanverwante kloons zijn hier groot mee geworden. Het is zelfs zover dat de traditionele media deze vorm van informatie-verduistering begint over te nemen. Alles draait om afkomst, cultuur en welke mensen je denkt te kennen. Wat je precies zegt is ondergeschikt geworden, je mening doet er niet toe want elk woord dat je zegt zal verdraait worden om het doel te dienen (wat dat doel ook mag zijn).
En nu? Niets, het is gewoon iets dat gebeurt en niet meer weggaat. Het internet is groot, alles staat erop. Alles wat je nodig hebt om voor jezelf te kunnen denken is er te vinden. Iets wat levensgevaarlijk is voor regeringen en degene die daadwerkelijk aan de touwtjes trekken in de wereld. Mensen die voor zichzelf gaan denken zijn gevaarlijk, zij ondermijnen de opgebouwde zekerheden die de hogere heren (en dames) in hun ivoren torens hebben. Zij hebben er alle belang bij om de gigantische hoeveelheid informatie te versluieren met domme meningen en verdraaiingen van de feiten. De onrust die hangt om afkomst, seksualiteit en cultuur is precies wat zij nodig hebben. Het verhindert dat mensen voor zichzelf gaan denken en daarmee de machtsstructuur kunnen ondermijnen. Zij zijn juist blij met blogs als GeenStijl en elke kloon die daaruit voortgekomen is. Dat de traditionele media deze vorm van informatie-verduistering over zijn gaan nemen is voor de machthebbers nog meer garen dat ze kunnen spinnen. Ze juichen het toe, stimuleren het en houden de mensen dom. Het doel heiligt de middelen en het doel is bereikt.
De mens wordt al eeuwen dom gehouden. Was het eerst met religie en werk, nu is het met het versluieren van de gigantische hoeveelheid informatie die we tot beschikking hebben. Alles is geheiligd, zelf het aan banden leggen van de informatiestroom. Het is niet mogelijk dat je voor jezelf gaat denken. Dat is niet de bedoeling, maar dat is ook niet iets wat je wilt. Tenminste, dat is niet iets wat de man en vrouw op straat willen. Zij willen alleen hun boodschappen kunnen doen en weten welke amusementsprogramma op televisie is vanavond. Opinie en meningen doen er niet toe, we blaten gewoon degene die het hardste roept na. En de gigantische hoeveelheid informatie die we tot onze beschikking hebben, die laten we links liggen. Alleen radicalen en gestoorden maken daar gebruik van. Mensen die gevaarlijk zijn, staatsgevaarlijk. Daar wil de man en vrouw op straat niet mee geassocieerd worden en is de cirkel weer rond. We houden onszelf dom en dat is precies wat we willen. Het bombardement aan informatie heeft ons monddood gemaakt, we zijn al lang geleden platgewalst (en we vonden het nog lekker ook).
11 maart 2013
Het gezicht in de spiegel
Met mijn duim duw ik het laatste beetje tandpasta uit de tube. Een klein wit-rood-blauw hoopje vormt zich op de kop van mijn tandenborstel. Vanuit de spiegel kijk ik mijzelf aan. Ik zie mijn gezicht. Het gezicht waar ik al eenenveertig jaar naar kijk, wat in mijn hoofd er totaal anders uitziet. En toch, als ik in de spiegel kijk herken ik wel mijzelf. Het gezicht dat mij aankijkt ben ik en toch vind ik dat ik er anders uitzie.
Zoals altijd haal ik mijn schouders ervoor op en begin mijn tanden te poetsen. Het schuim vormt in mijn mond, de smaak van pepermunt en frisheid zwermt rond mijn tanden. Ik kijk nogmaals naar mijn gezicht. Diep in mijn ogen en zie alleen mijzelf terugkijken. De enige persoon die ik goed ken en toch probeer ik mijzelf nog verder te doorgronden. Het is iets wat ik ook moet doen, mijzelf doorgronden.
Dit jaar is begon op een manier die ik niet verwacht had en toch zag aankomen. Ik verloor mijn werk, wat ik allang wist en eerlijk gezegd niet heel erg treurig over was. Aan de andere kant van het speelveld sloeg mijn relatie ook op de klippen. Van rots in de branding werd ik opeens iemand die je liever niet meer in je leven had. Dat deed pijn. Het doet nog steeds pijn, maar sommige zaken nemen geen keer. Ik moet ermee leren leven, het was ook iets dat ik zelf veroorzaakt heb. Vechten is niet mijn sterkste kant als ik niet kan geloven in de droom die we hadden.
Zonder werk en relatie stond ik opeens alleen. Echt alleen. Op een manier die voor veel mensen volledig onbegrijpelijk zal zijn, maar voor mij de meest prettige manier is om te leven. Ongeveer drieënhalve verhuisde het werk, de baan waarmee ik mijn geld verdiende. Verhuizen is nooit erg, het geeft een verandering van omgeving en zorgt dat de oude rommel weer opgeruimd wordt. Alleen vond ik (en enkele andere collega's) mijzelf terug tussen de oude rommel. Natuurlijk niet letterlijk, maar ik kon niet volgen naar de nieuwe locatie. Vier uur op een dag reizen voor een baan gaat mij iets te ver en daar was mijn werkgever het ook mee eens. Ik ben op de reservebank terechtgekomen, wat in mijn geval zoveel betekende dat ik thuis kwam te zitten en daar zit ik nog steeds. Thuis, alleen met mijn katten en de vele gedachten die ik altijd heb.
Ik heb nu het gevoel dat ik op een kruispunt sta. Midden op een kruispunt. Terug naar waar ik vandaan kom is niet meer mogelijk. Die weg is volledig afgesloten, klaar en je moet door. Voor mij liggen drie wegen die ik kan nemen. Drie kanten die ik kan opgaan en ik ben besluiteloos. Wat wil ik in mijn leven? Wat wil ik echt in mijn leven? Iets wat ik natuurlijk wel weet. Ik weet precies wat ik wil, alleen is daar geen droog brood in te verdienen. Leven van kunst is weggelegd voor mensen die van de kunstacademie afkomen, zichzelf ontzettend goed kunnen verkopen en vooral connecties hebben die ik nooit zal kunnen vinden. Daarbij blijken veel mensen mijn kunstwerken ronduit eng te vinden. Vreesaanjagend spul, dingen uit nachtmerries en lijken mijn schrijfsels op de herinneringen aan een psychotische aanval. Niet dat ik het zelf op die manier zie, dat is mij in de afgelopen maanden verteld en heeft mij aan het denken gezet. Het heeft mij nog meer aan het denken gezet.
Drie maanden geleden was ik van plan nog meer werk van mijn kunst te gaan maken. Proberen er echt geld mee te gaan verdienen, ondanks de crisis en de ellende in de wereld. Er is geld te verdienen met kunst. Dat weet ik, dat moet gewoon. Het is mogelijk, alleen moet je werk maken dat mensen aanspreekt. Je moet je potentiële geen vrees aanjagen, tenminste niet in het begin. Zodra je een naam gevestigd heb kan je doen wat je wilt, zoveel weet ik ook wel. Alleen, en daar komt het kruispunt weer, wil ik mijzelf gaan verloochenen door werk te maken dat mensen kan aanspreken. Mooie tekeningen van landschappen, bomen, vogels en dieren in het bos. Ik kan ook abstracte schilderijen gaan maken. Schilderijen met vrolijke kleuren en titels die blijdschap uitspreken. Ik zou dat kunnen doen en waarschijnlijk kan ik deze dingen ook best verkopen, al acht ik die kans ook erg klein. Alleen wil ik dat niet. Ik wil geen werken gaan maken die het publiek aanspreken. Ik teken, schrijf en doe mijn dingen, omdat ik het wil. Omdat ik daar behoefte aan heb. Ik voel een drang om te creëren, om te schrijven. Om er te zijn.
En daar sta ik dan. Alleen op het kruispunt. Waar ga ik heen, welke weg sla ik in? Vroeger kon ik terugvallen op jou, mijn partner en mijn liefde. Die mogelijkheid heb ik niet meer. Ik heb niemand die in mijn armen ligt (of ik in de jouwe) waarmee ik mijn gedachten en ideeën kan delen. Iemand die mij goede raad kan geven, die ik daarna in de wind kan slaan (of toch opvolgen). Het menselijke contact van iemand die dichtbij je staat en je een extra zingeving geeft. Het is weg en ook dat stemt mij tot nadenken. Ook dat is een onderdeel van het kruispunt. Wat wil ik? Ik mis de armen om mij heen. De simpele warmte van een partner, de seks en liefde. Dat mis ik, maar aan de andere kant ook niet. Zoals mijn oom het treffend zei: "Een vrouw/vriendin brengt zorgen met zich mee waar je daarvoor nog nooit van gehoord had" en stiekem heeft hij daar wel een beetje gelijk in. Ik denk dat het andersom voor vrouwen ook zo zou werken. überhaupt gewoon in het algemeen in relaties. Een partner brengt een eigen leven mee, eigen gedachten en wensen. Zaken waar je daarvoor nooit over nadacht. En nu? Nu weet ik het niet en dat is niet zo erg. Ik kan het uitspreken, wat op dit moment genoeg is.
Terug naar mijn kunst. Wat wil ik daarmee? Wat wil ik met mijn schrijfsels? Ik heb genoeg ideeën, genoeg verhalen in mijn hoofd. De demonen op mijn schouder zijn echt niet weg. In het bos wonen nog steeds wezens die mij vrees aanjagen. En de schuur is ook nog niet opgebruikt. Ik heb nog genoeg, alleen durf ik het niet door te zetten. Ik heb verhalen geschreven, kort en onaf. Vooral onaf, want ik ben bang om ze opnieuw op te pakken. Het is makkelijker om een nieuw stuk te schrijven, dan terug te gaan naar het verleden van een verhaal. Alles heeft herinneringen en gevoelens. Aan alles wat ik doe heb ik herinneringen, maar vooral angsten. Ik laat mij leiden door angsten en het idee dat ik niet tegen afwijzing kan. Het kruispunt is geen plaats waar ik wil blijven staan en toch sta ik hier al drie maanden na te denken.
Gelukkig weet niemand in welke situatie ik sta en is er ook nog niemand mij voorbij gereden. De eenzaamheid die ik zelf gekozen heeft zorgt dat het bos alleen voor mij is. Ik wil ook niet omringt worden door mensen, door vele vrienden en kennissen. Het is goed zo, alleen mis ik die arm om mij heen. Mis ik de liefde die jij mij gaf en iemand die even wil luisteren naar mijn verhalen. Ik mis het en weet dat ik met iemand erbij toch weer terug zou gaan naar waar ik vandaan kom. Met iemand blijf ik hangen in mijn angsten en ideeën dat ik het niet kan waarmaken. Ik sta op het kruispunt, alleen en alleen moet ik de weg bewandelen.
Bij deze neem ik mijn eerste stap. Ik blijf op mijn weg. Het interesseert mij niet wat je van mij denkt. Je mag mij psychotisch, volledig krankzinnig en een eng persoon vinden. Je mag zelfs een gruwelijke hekel aan mij hebben (want die zijn er ook) en mijn mening totaal niet op prijs stellen. Het kan mij allemaal niet meer schelen. Het is mijn weg die ik bewandel. Mijn weg, die geplaveid is met dood paardenvlees en alle angsten die ik onder ogen durf te komen. Ik leef niet van mijn kunst, mijn schrijfsel. Ik maak ze gewoon en glimlach naar mijzelf in de spiegel. Morgen zal ik proberen mijzelf te groeten en een goedemorgen te wensen.
Zoals altijd haal ik mijn schouders ervoor op en begin mijn tanden te poetsen. Het schuim vormt in mijn mond, de smaak van pepermunt en frisheid zwermt rond mijn tanden. Ik kijk nogmaals naar mijn gezicht. Diep in mijn ogen en zie alleen mijzelf terugkijken. De enige persoon die ik goed ken en toch probeer ik mijzelf nog verder te doorgronden. Het is iets wat ik ook moet doen, mijzelf doorgronden.
Dit jaar is begon op een manier die ik niet verwacht had en toch zag aankomen. Ik verloor mijn werk, wat ik allang wist en eerlijk gezegd niet heel erg treurig over was. Aan de andere kant van het speelveld sloeg mijn relatie ook op de klippen. Van rots in de branding werd ik opeens iemand die je liever niet meer in je leven had. Dat deed pijn. Het doet nog steeds pijn, maar sommige zaken nemen geen keer. Ik moet ermee leren leven, het was ook iets dat ik zelf veroorzaakt heb. Vechten is niet mijn sterkste kant als ik niet kan geloven in de droom die we hadden.
Zonder werk en relatie stond ik opeens alleen. Echt alleen. Op een manier die voor veel mensen volledig onbegrijpelijk zal zijn, maar voor mij de meest prettige manier is om te leven. Ongeveer drieënhalve verhuisde het werk, de baan waarmee ik mijn geld verdiende. Verhuizen is nooit erg, het geeft een verandering van omgeving en zorgt dat de oude rommel weer opgeruimd wordt. Alleen vond ik (en enkele andere collega's) mijzelf terug tussen de oude rommel. Natuurlijk niet letterlijk, maar ik kon niet volgen naar de nieuwe locatie. Vier uur op een dag reizen voor een baan gaat mij iets te ver en daar was mijn werkgever het ook mee eens. Ik ben op de reservebank terechtgekomen, wat in mijn geval zoveel betekende dat ik thuis kwam te zitten en daar zit ik nog steeds. Thuis, alleen met mijn katten en de vele gedachten die ik altijd heb.
Ik heb nu het gevoel dat ik op een kruispunt sta. Midden op een kruispunt. Terug naar waar ik vandaan kom is niet meer mogelijk. Die weg is volledig afgesloten, klaar en je moet door. Voor mij liggen drie wegen die ik kan nemen. Drie kanten die ik kan opgaan en ik ben besluiteloos. Wat wil ik in mijn leven? Wat wil ik echt in mijn leven? Iets wat ik natuurlijk wel weet. Ik weet precies wat ik wil, alleen is daar geen droog brood in te verdienen. Leven van kunst is weggelegd voor mensen die van de kunstacademie afkomen, zichzelf ontzettend goed kunnen verkopen en vooral connecties hebben die ik nooit zal kunnen vinden. Daarbij blijken veel mensen mijn kunstwerken ronduit eng te vinden. Vreesaanjagend spul, dingen uit nachtmerries en lijken mijn schrijfsels op de herinneringen aan een psychotische aanval. Niet dat ik het zelf op die manier zie, dat is mij in de afgelopen maanden verteld en heeft mij aan het denken gezet. Het heeft mij nog meer aan het denken gezet.
Drie maanden geleden was ik van plan nog meer werk van mijn kunst te gaan maken. Proberen er echt geld mee te gaan verdienen, ondanks de crisis en de ellende in de wereld. Er is geld te verdienen met kunst. Dat weet ik, dat moet gewoon. Het is mogelijk, alleen moet je werk maken dat mensen aanspreekt. Je moet je potentiële geen vrees aanjagen, tenminste niet in het begin. Zodra je een naam gevestigd heb kan je doen wat je wilt, zoveel weet ik ook wel. Alleen, en daar komt het kruispunt weer, wil ik mijzelf gaan verloochenen door werk te maken dat mensen kan aanspreken. Mooie tekeningen van landschappen, bomen, vogels en dieren in het bos. Ik kan ook abstracte schilderijen gaan maken. Schilderijen met vrolijke kleuren en titels die blijdschap uitspreken. Ik zou dat kunnen doen en waarschijnlijk kan ik deze dingen ook best verkopen, al acht ik die kans ook erg klein. Alleen wil ik dat niet. Ik wil geen werken gaan maken die het publiek aanspreken. Ik teken, schrijf en doe mijn dingen, omdat ik het wil. Omdat ik daar behoefte aan heb. Ik voel een drang om te creëren, om te schrijven. Om er te zijn.
En daar sta ik dan. Alleen op het kruispunt. Waar ga ik heen, welke weg sla ik in? Vroeger kon ik terugvallen op jou, mijn partner en mijn liefde. Die mogelijkheid heb ik niet meer. Ik heb niemand die in mijn armen ligt (of ik in de jouwe) waarmee ik mijn gedachten en ideeën kan delen. Iemand die mij goede raad kan geven, die ik daarna in de wind kan slaan (of toch opvolgen). Het menselijke contact van iemand die dichtbij je staat en je een extra zingeving geeft. Het is weg en ook dat stemt mij tot nadenken. Ook dat is een onderdeel van het kruispunt. Wat wil ik? Ik mis de armen om mij heen. De simpele warmte van een partner, de seks en liefde. Dat mis ik, maar aan de andere kant ook niet. Zoals mijn oom het treffend zei: "Een vrouw/vriendin brengt zorgen met zich mee waar je daarvoor nog nooit van gehoord had" en stiekem heeft hij daar wel een beetje gelijk in. Ik denk dat het andersom voor vrouwen ook zo zou werken. überhaupt gewoon in het algemeen in relaties. Een partner brengt een eigen leven mee, eigen gedachten en wensen. Zaken waar je daarvoor nooit over nadacht. En nu? Nu weet ik het niet en dat is niet zo erg. Ik kan het uitspreken, wat op dit moment genoeg is.
Terug naar mijn kunst. Wat wil ik daarmee? Wat wil ik met mijn schrijfsels? Ik heb genoeg ideeën, genoeg verhalen in mijn hoofd. De demonen op mijn schouder zijn echt niet weg. In het bos wonen nog steeds wezens die mij vrees aanjagen. En de schuur is ook nog niet opgebruikt. Ik heb nog genoeg, alleen durf ik het niet door te zetten. Ik heb verhalen geschreven, kort en onaf. Vooral onaf, want ik ben bang om ze opnieuw op te pakken. Het is makkelijker om een nieuw stuk te schrijven, dan terug te gaan naar het verleden van een verhaal. Alles heeft herinneringen en gevoelens. Aan alles wat ik doe heb ik herinneringen, maar vooral angsten. Ik laat mij leiden door angsten en het idee dat ik niet tegen afwijzing kan. Het kruispunt is geen plaats waar ik wil blijven staan en toch sta ik hier al drie maanden na te denken.
Gelukkig weet niemand in welke situatie ik sta en is er ook nog niemand mij voorbij gereden. De eenzaamheid die ik zelf gekozen heeft zorgt dat het bos alleen voor mij is. Ik wil ook niet omringt worden door mensen, door vele vrienden en kennissen. Het is goed zo, alleen mis ik die arm om mij heen. Mis ik de liefde die jij mij gaf en iemand die even wil luisteren naar mijn verhalen. Ik mis het en weet dat ik met iemand erbij toch weer terug zou gaan naar waar ik vandaan kom. Met iemand blijf ik hangen in mijn angsten en ideeën dat ik het niet kan waarmaken. Ik sta op het kruispunt, alleen en alleen moet ik de weg bewandelen.
Bij deze neem ik mijn eerste stap. Ik blijf op mijn weg. Het interesseert mij niet wat je van mij denkt. Je mag mij psychotisch, volledig krankzinnig en een eng persoon vinden. Je mag zelfs een gruwelijke hekel aan mij hebben (want die zijn er ook) en mijn mening totaal niet op prijs stellen. Het kan mij allemaal niet meer schelen. Het is mijn weg die ik bewandel. Mijn weg, die geplaveid is met dood paardenvlees en alle angsten die ik onder ogen durf te komen. Ik leef niet van mijn kunst, mijn schrijfsel. Ik maak ze gewoon en glimlach naar mijzelf in de spiegel. Morgen zal ik proberen mijzelf te groeten en een goedemorgen te wensen.
2 maart 2013
Met uitzicht op straat
Het liefst zou ik schreeuwen. Keihard schreeuwen tot mijn stem overslaat en er niets meer dan een iel gepiep uit mijn keel komt. Of iets kapot maken. De lamp die op mijn bureau staat kapotsmijten. Keihard op de grond werpen en de papieren erachteraan. Alles doorscheuren, alles wat ik geschreven heb. Ik wil mijn boeken uit de kast trekken, de kast omtrekken en nog meer schreeuwen. Ik wil mijn handen stukslaan op de muur naast mij. Mijn hoofd roept om al deze dingen. In mijn hoofd zal het helpen, maar ik weet dat het onzin is. Dat het enkele seconden helpt en daarna de spijt inzet. Dat ik mij helemaal niet beter zal voelen.
Ik weet dat zodra ik begin te schreeuwen ik niet meer kan ophouden. Dat ik echt doorga tot ik geen stem meer over heb. Ik weet ook dat het helemaal niets helpt. Net zoals mijn handen op de muur kapotslaan, helpt niet. Alle papieren die ik heb verscheuren, helpt niet en na afloop zal ik er ook nog een gigantische spijt van hebben. Mijn boeken laat ik ook maar in de kast staan. Ik vind het zonde om boeken te vernietigen, ze stuk te maken. Ik moet alles zelf oplossen. Alleen lukt het mij niet om te huilen. Het lukt mij niet om het eruit te krijgen. Alles blijft in mijn hoofd zwerven. Ronddwalen als verdwaalde gevangenen die geen muren kennen. Ik heb mijzelf gevangen in mijn eigen hoofd en nu kan ik er niet meer uit. Ik weet ook precies wanneer het gebeurt is. Niet dat het belangrijk is, maar ik weet het wel.
Je laatste status-update is, ondanks het uitermate vaag opgesteld is, voor mij duidelijker dan de straat voor mij. Ik weet precies wat je bedoeld en wat je gedaan hebt. In gedachte zie ik je liggen bij hem in zijn armen. Als ik ernaar zou vragen zou je het uiteraard ontkennen, maar we spreken elkaar nooit meer dus daar hoef je niet bang voor te zijn. Ik zal je nooit meer iets vragen. Ik kijk nog een keer naar het scherm, naar de woorden die je opgeschreven hebt. Ik wil nog steeds schreeuwen. Je woorden maken het alleen erger. Daardoor wil ik nog harder slaan tegen de muur. Mijn computer door de ruimte smijten en alles wat met jou te maken heeft verbranden in de achtertuin. Ik doe het allemaal niet. Ik blijf staren naar het scherm en de woorden. Daarbij kan ik helemaal de achtertuin niet in. Die is van mijn hospita, zij zwaait daar de scepter. Ik wil ook niets met haar te maken hebben.
Ik sta op, zet het scherm uit en ga op het bed liggen. Stilte omringt mij even tot ik mijn hospita onder mij hoor bewegen. Ze loopt naar de keuken (denk ik). Ik hoor kopjes rinkelen, water stromen en een bonk dat ik associeer met de ketel die op het gas gezet wordt. Waarom ze geen waterkoker heeft begrijp ik niet. Tegenwoordig heeft iedereen toch een waterkoker? Ik luister hoe ze haar ding doet. Rondschuifelt door haar ruimte, haar kamers onder mij. Ze is best een aardig mens. Ik hoef alleen niet teveel contact met haar. Ze doet mij teveel denken aan mijn tante en die zie ik ook bijna nooit. In mijn gedachte loopt ze weer terug naar haar bank. Ik hoor haar voetstappen in de goede richting bewegen. Ze moet wel naar haar bank gaan. Stilte valt weer in.
Ik denk aan het laatste moment dat wij samen zijn, maar ik blijf voor mij zien hoe je bij hem in zijn armen ligt. Het verdringt elk beeld dat ik aan ons in mijn hoofd had. Alles wat je niet zegt spreekt zulke duidelijke taal dat ik er niet meer aan wil denken. Ik wil er niet eens meer zijn. Ik knip het licht uit. Duisternis springt in de kamer. Springt bovenop mij zonder haar gewicht te laten gelden. Bij het raam valt een klein randje licht van de straatlantaarns tussen het gordijn door. In de kleine strook licht kan ik vaag mijn kamer onderscheiden. Ik acht het niets bijzonders. Ik sluit mijn ogen. De duisternis is compleet. In gedachte gaan jouw woorden verder. Worden ze groter en begin ik aan jouw toekomst te denken. Hoe jij gelukkig wordt en ik hier achterblijf in mijn kamer met uitzicht op de straat. Onder mij schuifelt de hospita weer rond. Haar voetstappen sloffen door de kamer. Ik sla geen acht op ze. Ik weet dat je gelogen hebt over het verleden. Dat je al veel langer deze dingen doet. Dat je het mij niet wilde vertellen. Ik zie dit ook als reden dat ik niet alles meer kan lezen. Je hebt dingen om te verbergen. Zijn armen om te verbergen. Ik weet het en ik wil het niet meer weten.
Ik draai mij om. De gedachten aan jou verdwijnen. Ik ben terug in het verleden. De begrafenis van mijn oma. Ik zie de kist voorbij schuiven. De sliert mensen die erachteraan loopt en ik die probeert tussen de bankjes vandaan de te komen. Deze keer lijkt het mij te lukken. De kist is bijna bij mij. Ik hoef nog maar enkele meters tussen de bankjes door te lopen om mij aan te kunnen sluiten in de stoet. En dan struikel ik (weer). Ik val voorover, kan net mijn val opvangen met mijn andere voet en schiet naar voren. Ik knal precies tegen de kist aan. De bloemen die erbovenop liggen vallen. De kist glijdt van de baar af en valt ook. Open, op de grond. Het lichaam van mijn oma hangt half uit de kist. Haar dode gezicht onaangedaan door alles wat er gebeurt is. In de dood is ze precies zoals ze in het leven was. Ik barst in tranen uit. Paniek golft door mijn lichaam. Mijn tantes schreeuwen. Of mijn oom, ik weet het niet goed. Iemand in mijn buurt schreeuwt. Ik voel mensen langs mij schieten. Ik word opzij geduwd. Ik ben niet belangrijk. Waar ik neergekomen ben blijf ik ook liggen. Tranen lopen uit mijn ogen, terwijl ik in stilte huil.
Ik voel aan mijn ogen. Ook nu huil ik weer. Ik weet alleen niet of ik om mijn oma huil of de gebeurtenissen die tussen ons hebben plaatsgevonden. Ik huil te weinig en als ik het doe weet ik gewoon niet waarom. Ik voel mij mislukt. Zo mislukt als ik in mijn ogen ook ben. Mijn hospita zegt wel eens dat ik een genot voor het oog ben, dat ik elke vrouw kan krijgen met mijn looks. Ik kijk dan in de spiegel en zie alleen mijzelf. Niets bijzonders. Niet lelijk, maar ook niet meer dan dat. Er is ook niets dat ik goed kan. Ik doe altijd dingen. Schilderen, schrijven en soms een foto plaatsen op het internet, maar dat is niets bijzonders. Anderen kunnen dat beter dan ik. Dat heb jij mij vaak genoeg verteld. Dat anderen veel beter zijn. Je kon ook haarfijn uitleggen waarom anderen beter waren. Daar heb je ook gelijk in. Dat was ook de reden dat je niet meer met mij wilde zijn. Dat je wegging en mij met smoesjes achterliet. Ik snap je best. Net zo goed als ik snap dat je liever bij hem in de armen ligt. Alleen vind ik het moeilijk. Ik verlang nog altijd naar je. Naar je armen, je lach en de kleine dingetjes die jou speciaal maken. Ik verlang naar ons en het verleden dat we hebben.
Ik zou ook willen dat ik de begrafenis van mijn oma kan overdoen. Net zoals ik ons zou willen overdoen. Maar dat kan niet. Gedane zaken nemen geen keer. Daarbij zou ik het toch weer kapot maken. Ik maak alles kapot en daarom wil ik geen andere dingen kapot maken. Ik moet geen dingen kapot maken. Ik moet daarmee stoppen. Daar moet ik nu onmiddellijk mee stoppen. Ik knip het licht weer aan. Mijn kamer verschijnt weer in volle glorie. Mijn boekenkast met alle boeken. Mijn bureau met mijn papieren en computer. Het beeldscherm, uitgeschakeld maar waar jouw laatste status update opstaat. Het gordijn met daarachter het uitzicht op straat.
Ik stap weer uit bed en loop naar het raam. Ik trek de gordijnen open. De straat glinstert van de regen en het licht van de straatlantaarns. Het is stil op straat. Niets beweegt. Alleen de bomen zachtjes in de wind. Ik open het raam. De wind is fris en ik ril een beetje. Ik hoor de geluiden van de stad in de verte. Een auto die wegrijdt. Ergens ver weg klinkt een sirene, ik denk van de politie. Ik kijk naar de straat. De altijd aanwezige straat. Voorzichtig zet ik een voet op de vensterbank. De nattigheid voelt prettig aan onder mijn zool en ik zet de andere ernaast. Ik kijk nog één keer naar de straat.
De val naar beneden is kort, de straat is gelukkig hard.
Ik weet dat zodra ik begin te schreeuwen ik niet meer kan ophouden. Dat ik echt doorga tot ik geen stem meer over heb. Ik weet ook dat het helemaal niets helpt. Net zoals mijn handen op de muur kapotslaan, helpt niet. Alle papieren die ik heb verscheuren, helpt niet en na afloop zal ik er ook nog een gigantische spijt van hebben. Mijn boeken laat ik ook maar in de kast staan. Ik vind het zonde om boeken te vernietigen, ze stuk te maken. Ik moet alles zelf oplossen. Alleen lukt het mij niet om te huilen. Het lukt mij niet om het eruit te krijgen. Alles blijft in mijn hoofd zwerven. Ronddwalen als verdwaalde gevangenen die geen muren kennen. Ik heb mijzelf gevangen in mijn eigen hoofd en nu kan ik er niet meer uit. Ik weet ook precies wanneer het gebeurt is. Niet dat het belangrijk is, maar ik weet het wel.
Je laatste status-update is, ondanks het uitermate vaag opgesteld is, voor mij duidelijker dan de straat voor mij. Ik weet precies wat je bedoeld en wat je gedaan hebt. In gedachte zie ik je liggen bij hem in zijn armen. Als ik ernaar zou vragen zou je het uiteraard ontkennen, maar we spreken elkaar nooit meer dus daar hoef je niet bang voor te zijn. Ik zal je nooit meer iets vragen. Ik kijk nog een keer naar het scherm, naar de woorden die je opgeschreven hebt. Ik wil nog steeds schreeuwen. Je woorden maken het alleen erger. Daardoor wil ik nog harder slaan tegen de muur. Mijn computer door de ruimte smijten en alles wat met jou te maken heeft verbranden in de achtertuin. Ik doe het allemaal niet. Ik blijf staren naar het scherm en de woorden. Daarbij kan ik helemaal de achtertuin niet in. Die is van mijn hospita, zij zwaait daar de scepter. Ik wil ook niets met haar te maken hebben.
Ik sta op, zet het scherm uit en ga op het bed liggen. Stilte omringt mij even tot ik mijn hospita onder mij hoor bewegen. Ze loopt naar de keuken (denk ik). Ik hoor kopjes rinkelen, water stromen en een bonk dat ik associeer met de ketel die op het gas gezet wordt. Waarom ze geen waterkoker heeft begrijp ik niet. Tegenwoordig heeft iedereen toch een waterkoker? Ik luister hoe ze haar ding doet. Rondschuifelt door haar ruimte, haar kamers onder mij. Ze is best een aardig mens. Ik hoef alleen niet teveel contact met haar. Ze doet mij teveel denken aan mijn tante en die zie ik ook bijna nooit. In mijn gedachte loopt ze weer terug naar haar bank. Ik hoor haar voetstappen in de goede richting bewegen. Ze moet wel naar haar bank gaan. Stilte valt weer in.
Ik denk aan het laatste moment dat wij samen zijn, maar ik blijf voor mij zien hoe je bij hem in zijn armen ligt. Het verdringt elk beeld dat ik aan ons in mijn hoofd had. Alles wat je niet zegt spreekt zulke duidelijke taal dat ik er niet meer aan wil denken. Ik wil er niet eens meer zijn. Ik knip het licht uit. Duisternis springt in de kamer. Springt bovenop mij zonder haar gewicht te laten gelden. Bij het raam valt een klein randje licht van de straatlantaarns tussen het gordijn door. In de kleine strook licht kan ik vaag mijn kamer onderscheiden. Ik acht het niets bijzonders. Ik sluit mijn ogen. De duisternis is compleet. In gedachte gaan jouw woorden verder. Worden ze groter en begin ik aan jouw toekomst te denken. Hoe jij gelukkig wordt en ik hier achterblijf in mijn kamer met uitzicht op de straat. Onder mij schuifelt de hospita weer rond. Haar voetstappen sloffen door de kamer. Ik sla geen acht op ze. Ik weet dat je gelogen hebt over het verleden. Dat je al veel langer deze dingen doet. Dat je het mij niet wilde vertellen. Ik zie dit ook als reden dat ik niet alles meer kan lezen. Je hebt dingen om te verbergen. Zijn armen om te verbergen. Ik weet het en ik wil het niet meer weten.
Ik draai mij om. De gedachten aan jou verdwijnen. Ik ben terug in het verleden. De begrafenis van mijn oma. Ik zie de kist voorbij schuiven. De sliert mensen die erachteraan loopt en ik die probeert tussen de bankjes vandaan de te komen. Deze keer lijkt het mij te lukken. De kist is bijna bij mij. Ik hoef nog maar enkele meters tussen de bankjes door te lopen om mij aan te kunnen sluiten in de stoet. En dan struikel ik (weer). Ik val voorover, kan net mijn val opvangen met mijn andere voet en schiet naar voren. Ik knal precies tegen de kist aan. De bloemen die erbovenop liggen vallen. De kist glijdt van de baar af en valt ook. Open, op de grond. Het lichaam van mijn oma hangt half uit de kist. Haar dode gezicht onaangedaan door alles wat er gebeurt is. In de dood is ze precies zoals ze in het leven was. Ik barst in tranen uit. Paniek golft door mijn lichaam. Mijn tantes schreeuwen. Of mijn oom, ik weet het niet goed. Iemand in mijn buurt schreeuwt. Ik voel mensen langs mij schieten. Ik word opzij geduwd. Ik ben niet belangrijk. Waar ik neergekomen ben blijf ik ook liggen. Tranen lopen uit mijn ogen, terwijl ik in stilte huil.
Ik voel aan mijn ogen. Ook nu huil ik weer. Ik weet alleen niet of ik om mijn oma huil of de gebeurtenissen die tussen ons hebben plaatsgevonden. Ik huil te weinig en als ik het doe weet ik gewoon niet waarom. Ik voel mij mislukt. Zo mislukt als ik in mijn ogen ook ben. Mijn hospita zegt wel eens dat ik een genot voor het oog ben, dat ik elke vrouw kan krijgen met mijn looks. Ik kijk dan in de spiegel en zie alleen mijzelf. Niets bijzonders. Niet lelijk, maar ook niet meer dan dat. Er is ook niets dat ik goed kan. Ik doe altijd dingen. Schilderen, schrijven en soms een foto plaatsen op het internet, maar dat is niets bijzonders. Anderen kunnen dat beter dan ik. Dat heb jij mij vaak genoeg verteld. Dat anderen veel beter zijn. Je kon ook haarfijn uitleggen waarom anderen beter waren. Daar heb je ook gelijk in. Dat was ook de reden dat je niet meer met mij wilde zijn. Dat je wegging en mij met smoesjes achterliet. Ik snap je best. Net zo goed als ik snap dat je liever bij hem in de armen ligt. Alleen vind ik het moeilijk. Ik verlang nog altijd naar je. Naar je armen, je lach en de kleine dingetjes die jou speciaal maken. Ik verlang naar ons en het verleden dat we hebben.
Ik zou ook willen dat ik de begrafenis van mijn oma kan overdoen. Net zoals ik ons zou willen overdoen. Maar dat kan niet. Gedane zaken nemen geen keer. Daarbij zou ik het toch weer kapot maken. Ik maak alles kapot en daarom wil ik geen andere dingen kapot maken. Ik moet geen dingen kapot maken. Ik moet daarmee stoppen. Daar moet ik nu onmiddellijk mee stoppen. Ik knip het licht weer aan. Mijn kamer verschijnt weer in volle glorie. Mijn boekenkast met alle boeken. Mijn bureau met mijn papieren en computer. Het beeldscherm, uitgeschakeld maar waar jouw laatste status update opstaat. Het gordijn met daarachter het uitzicht op straat.
Ik stap weer uit bed en loop naar het raam. Ik trek de gordijnen open. De straat glinstert van de regen en het licht van de straatlantaarns. Het is stil op straat. Niets beweegt. Alleen de bomen zachtjes in de wind. Ik open het raam. De wind is fris en ik ril een beetje. Ik hoor de geluiden van de stad in de verte. Een auto die wegrijdt. Ergens ver weg klinkt een sirene, ik denk van de politie. Ik kijk naar de straat. De altijd aanwezige straat. Voorzichtig zet ik een voet op de vensterbank. De nattigheid voelt prettig aan onder mijn zool en ik zet de andere ernaast. Ik kijk nog één keer naar de straat.
De val naar beneden is kort, de straat is gelukkig hard.
12 februari 2013
Elke ochtend herrijzen we
Licht ontdaan ontwaak ik in mijn bed. Het laatste droombeeld blijft hardnekkig achter in mijn gedachten. De stem die erbij hoort fluistert nog steeds die onhoorbare woorden. Ik sta op, zweet vormt een dun laagje op mijn lichaam. Heel even ruik ik de zure lucht of denk ik dat ik de zure lucht van oud zweet ruik. Het is maar een moment, te kort om mij druk over te maken. Ik schiet mijn kleren van gisteren aan en met de droombeelden nog steeds vers in mijn geest loop ik naar beneden. Naar mijn aanstaande ontbijt en koffie.
Beneden aangekomen zie ik dat er een sms binnengekomen is. Ik beantwoord het, waarna een kort gesprek via sms volgt. De plannen voor vanavond zijn gemaakt, afgesproken en in gang gezet. Ik zet mij aan het ontbijt. Mijn gedachte half bij de plannen van vanavond, maar toch meer bij de droom waar ik uit ontwaakt ben. Ik ben er nog steeds een beetje van ontdaan. Het was ook zo'n bizarre aangelegenheid, terwijl ik aardig gewend ben aan bizar. Met een boterham en koffie in mijn handen ga ik op de bank zitten, nadenken over de droom. Ik ben er gewoon niet klaar mee. Dat werd mij al duidelijk bij het opstaan. Meestal verdwijnen de beelden langzaam naar de achtergrond, terug naar mijn onderbewuste, als ik opgestaan ben. Maar deze droom niet. Deze blijft hardnekkig aanwezig, als zonlicht dat door de kier in het gordijn valt en hoe je ook kijkt altijd op je netvlies valt. Ik moet erover nadenken. Erachter komen waar deze droom overgaat en vooral op slaat.
De droom begon in een gang. Ik loop in een verduisterde gang. Grijze wanden, afbladderende verf. Hier en daar graffiti op de muur gekladderd. Lelijke letters die woorden vormen die ik niet kan ontcijferen, zoals veel graffiti volledig onleesbaar is. Ik negeer de graffiti. Die is niet belangrijk, die is achtergelaten door debielen en onverlaten. Kinderen die hier binnendrongen om de boel op stelten te zetten of gewoon rotzooi te trappen. Mijn doel ligt verderop. Waarschijnlijk aan het einde van deze gang, maar dat weet ik niet zeker. Ik loop voorzichtig door. Glas kraakt onder mijn voeten. Dezelfde kinderen hebben een ruit van een deur kapot gegooid. Het glas ligt in kleine brokken verspreidt in de gang en ik sta er bovenop.
De deur met de gebroken ruit is dicht. Ik loop naar de deur en probeer de deurkruk. Op slot. Ik kijk door het gebroken raam naar binnen. Een verduisterde kamer ligt achter de deur. In het donker zie ik vaag muren met nog meer graffiti dan de gang. Papier op de grond en tapijt dat opgerold in een hoek ligt weg te rotten. Er is niets belangrijks, gewoon een lege kamer. Ik probeer de deurkruk nog een keer, de deur is echt op slot. Ik haal mijn schouders op en loop weer verder de gang in.
De duisternis in de gang lijkt minder te worden. De grijze muren worden lichter van kleur, veranderen naar een vies gelig wit. Het doet mij denken aan behang dat in een kamer heeft gehangen waar iemand dertig jaar gerookt heeft. Op deze muren is geen graffiti te zien, die kinderen zijn nooit verder gegaan dan de kamer halverwege de gang. Iets wat ik een beetje vreemd vind, als kind onderzoek je toch hele gebouwen voordat je weer vertrekt.. Ze zullen hun redenen wel gehad hebben. Ik loop verder. De gang wordt steeds lichter, de muren raken nog verder vergeeld. Smerige plekken op het behang geven het geheel een beetje contrast. Hier en daar zitten er stukken behang op de muren. De restanten van oude bewoners, half afgescheurd en vies geworden over de loop der jaren. Volgens mij was het best mooi behang. Ik zie bloemen in een groene achtergrond. Strepen op de achtergrond, kleuren in de bloemen. Maar alles is vaag geworden, vergeeld in de jaren. Het geeft mij een idee hoe het er ooit uitgezien kan hebben, maar meer dan dat ook niet. Voorzichtig voel ik aan een stuk behang. Het reliëf is nog duidelijk voelbaar onder mijn vingers. Dit was ooit duur behang. En ik begin mij af te vragen waar ik eigenlijk ben. Hoe kwam ik hier?
Ik loop verder in de hoop die vraag te kunnen beantwoorden. Het einde van de gang is inmiddels in zicht. Een afgesloten deur doemt in de verte op. Ik ga iets sneller lopen. In de gang is niets interessants te zien en ik weet dat er achter die deur mijn uiteindelijke doel zich bevind. De deur heeft dezelfde vies-gelige kleur als de rest van mijn omgeving, alleen is de deur geschilderd in die kleur. Iemand heeft echt moeite gedaan om de deur die kleur te geven. Het was ook iets wat recentelijk gebeurt was. De verf was vrij grof aangebracht. Druipers liepen hier en daar over het hout, de strepen van de kwast ook duidelijk te zien. Wat was hier aan de hand? Waarom zou iemand een deur willen schilderen in een bouwval? Ik raak het hout aan. Niets bijzonders. Gewoon een houten deur, koud onder mijn aanraking. De verf langer geleden opgedroogd. Ik verplaatste mijn hand naar de deurkruk en duwde deze naar beneden. De deur zwaait zonder enige moeite open. Geen gekraak of piep komt van de scharnieren, iets waar ik op dat moment blij om ben. Ik wil in stilte naar binnengaan. Niet gelijk de aandacht op mijn vestigen.
Voor mij ligt weer een kamer. Deze keer helder verlicht door een peertje dat middenin hangt. Felrode muren geven de kamer het idee van een hoerenkast of een abattoir. De kamer geeft mij het idee dat het nog moet beslissen welke kant het op wil gaan. Op de grond zitten negen katten in een kring. Alle negen kijken zij mij aandachtig aan. Ik heb hun bijeenkomst verstoord en toch leken ze mij te verwachten. De dichtstbijzijnde katten, degene die met hun rug naar mij zitten staan op en lopen naar de andere kant. Daar gaan ze weer zitten om mij aan te kijken. Negen katten, achttien paar ogen kijken mij indringend aan. "Kom binnen" lijken die ogen te zeggen. Ik neem de uitnodiging aan en stap de drempel over. Zodra ik binnen ben sluit ik de deur. De katten blijven mij aankijken. Ik voel mij niet op mijn gemak, maar ook niet ongemakkelijk. Het is gewoon de indringende blik van een kat, van negen katten. Het voelt alsof ze recht door mij heen kijken zonder mij te zien en toch alles van mij weten. Precies zoals katten altijd doen. Ik stap verder de kamer in, dichter naar de katten toe en sluit de deur.
Dit lijkt het teken te zijn waarop ze gewacht hebben. Als één lichaam staan ze op en lopen naar de uiterste muur. Het valt mij nu pas op dat daar een deur zit en dat die deur een klein stukje openstaat. De katten verdwijnen één voor één door de deur. De laatste kijkt mij aan alsof het wil zeggen dat ik het moet volgen. Ik slik en volg de katten. Achter de deur ligt het meest vreemde dat ik ooit gezien heb.
Op de grond, op een rood/groen kussen ligt een gigantische kattenkoning. Iets waarvan ik weet dat het niet bestaat, hetgeen wat er nog het meest dichtbij komt is een rattenkoning, alleen zijn dit geen ratten. Dit zijn katten en precies zoals bij een rattenkoning zitten alle staarten in elkaar gevlochten. Een grote cirkel van katten, roestbruin van kleur liggen op het kussen. De plek waar alle staarten bij elkaar komen is één grote kluwen van haar, vuiligheid en ondefinieerbare dingen. Het is ook de enige plek waar de kattenkoning smerig is, de rest van het lichaam (of lichamen) zijn brandschoon. Zo schoon als katten kunnen zijn, de vacht glimt in het licht. Ik kom iets dichterbij en zie dat de dieren nog leven. Ze zijn zelfs springlevend. Zachtjes bewegen hun pootjes over het kussen waardoor het hele lichaam traag ronddraait. Het gaat rond en rond en rond op het kussen. Onverstoorbaar door en door.
De bovenste hoofden, het verste van mij af likken de hoofdjes onder hen. De haren in de nek gaan hierdoor rechtop staan, aangezien de tongetjes allemaal tegen de haren instrijken. Hoe verder ze draaien op het kussen, hoe meer haar rechtop komt te staan. De hele nekregio wordt een kleine punkbeweging in katvorm. Alle haren in de nek van alle katten in de kattenkoning staan rechtop. Op dat moment stoppen ze met elkaar likken. Ze blijven alleen traag in de rondte draaien. Rond en rond blijven ze gaan, de pootjes steeds weer vastgrijpend in het kussen waar ze op liggen. Het is een uitermate bizar gezicht. Iets wat ik nog nooit eerder gezien heb, maar waarvan ik nu weet dat ik dit moest zien. Dit was mijn missie. Hier moest ik zijn.
De kattenkoning begint tegen mij te praten. De stem klinkt als gemiauw, gespin en gegrom door elkaar vermengt. Ik hoor dat het woorden maakt, alleen kan ik niets verstaan. Het is te onduidelijk, te vaag. Ik buig dichterbij om het goed te horen. Het gespin en gemiauw klinkt harder. Ik hoor dat het woorden zijn, maar ik kan het nog steeds niet verstaan. Het is alsof mijn vermogen om gesproken taal te verstaan verdwenen is. Ik begrijp niet van wat het zegt. Ik begrijp het niet en ik weet dat het belangrijk is. Het is essentieel dat ik luister naar wat de kattenkoning mij te zeggen heeft. Ik moet het horen. Het moet.
En dan word ik wakker. Ontdaan en zonder de kennis die ik blijkbaar moest leren. Ik voel dat ik gefaald heb. Deze droom zal nooit meer terugkomen en ik heb geen idee wat het wilde zeggen. Als ik na mijn ontbijt de "droom van koningkat" probeer op te zoeken op het internet kom ik ook nergens uit. Er bestaat geen koningkat. Alleen katten die denken dat ze koning zijn of koning zijn gemaakt door hun baasje. Ik heb gefaald in mijn missie en toch herrijs ik elke ochtend weer. Deze dag voelt als verloren, maar ik besluit er toch iets van te maken. Het antwoord ligt daar ergens verborgen.
Beneden aangekomen zie ik dat er een sms binnengekomen is. Ik beantwoord het, waarna een kort gesprek via sms volgt. De plannen voor vanavond zijn gemaakt, afgesproken en in gang gezet. Ik zet mij aan het ontbijt. Mijn gedachte half bij de plannen van vanavond, maar toch meer bij de droom waar ik uit ontwaakt ben. Ik ben er nog steeds een beetje van ontdaan. Het was ook zo'n bizarre aangelegenheid, terwijl ik aardig gewend ben aan bizar. Met een boterham en koffie in mijn handen ga ik op de bank zitten, nadenken over de droom. Ik ben er gewoon niet klaar mee. Dat werd mij al duidelijk bij het opstaan. Meestal verdwijnen de beelden langzaam naar de achtergrond, terug naar mijn onderbewuste, als ik opgestaan ben. Maar deze droom niet. Deze blijft hardnekkig aanwezig, als zonlicht dat door de kier in het gordijn valt en hoe je ook kijkt altijd op je netvlies valt. Ik moet erover nadenken. Erachter komen waar deze droom overgaat en vooral op slaat.
De droom begon in een gang. Ik loop in een verduisterde gang. Grijze wanden, afbladderende verf. Hier en daar graffiti op de muur gekladderd. Lelijke letters die woorden vormen die ik niet kan ontcijferen, zoals veel graffiti volledig onleesbaar is. Ik negeer de graffiti. Die is niet belangrijk, die is achtergelaten door debielen en onverlaten. Kinderen die hier binnendrongen om de boel op stelten te zetten of gewoon rotzooi te trappen. Mijn doel ligt verderop. Waarschijnlijk aan het einde van deze gang, maar dat weet ik niet zeker. Ik loop voorzichtig door. Glas kraakt onder mijn voeten. Dezelfde kinderen hebben een ruit van een deur kapot gegooid. Het glas ligt in kleine brokken verspreidt in de gang en ik sta er bovenop.
De deur met de gebroken ruit is dicht. Ik loop naar de deur en probeer de deurkruk. Op slot. Ik kijk door het gebroken raam naar binnen. Een verduisterde kamer ligt achter de deur. In het donker zie ik vaag muren met nog meer graffiti dan de gang. Papier op de grond en tapijt dat opgerold in een hoek ligt weg te rotten. Er is niets belangrijks, gewoon een lege kamer. Ik probeer de deurkruk nog een keer, de deur is echt op slot. Ik haal mijn schouders op en loop weer verder de gang in.
De duisternis in de gang lijkt minder te worden. De grijze muren worden lichter van kleur, veranderen naar een vies gelig wit. Het doet mij denken aan behang dat in een kamer heeft gehangen waar iemand dertig jaar gerookt heeft. Op deze muren is geen graffiti te zien, die kinderen zijn nooit verder gegaan dan de kamer halverwege de gang. Iets wat ik een beetje vreemd vind, als kind onderzoek je toch hele gebouwen voordat je weer vertrekt.. Ze zullen hun redenen wel gehad hebben. Ik loop verder. De gang wordt steeds lichter, de muren raken nog verder vergeeld. Smerige plekken op het behang geven het geheel een beetje contrast. Hier en daar zitten er stukken behang op de muren. De restanten van oude bewoners, half afgescheurd en vies geworden over de loop der jaren. Volgens mij was het best mooi behang. Ik zie bloemen in een groene achtergrond. Strepen op de achtergrond, kleuren in de bloemen. Maar alles is vaag geworden, vergeeld in de jaren. Het geeft mij een idee hoe het er ooit uitgezien kan hebben, maar meer dan dat ook niet. Voorzichtig voel ik aan een stuk behang. Het reliëf is nog duidelijk voelbaar onder mijn vingers. Dit was ooit duur behang. En ik begin mij af te vragen waar ik eigenlijk ben. Hoe kwam ik hier?
Ik loop verder in de hoop die vraag te kunnen beantwoorden. Het einde van de gang is inmiddels in zicht. Een afgesloten deur doemt in de verte op. Ik ga iets sneller lopen. In de gang is niets interessants te zien en ik weet dat er achter die deur mijn uiteindelijke doel zich bevind. De deur heeft dezelfde vies-gelige kleur als de rest van mijn omgeving, alleen is de deur geschilderd in die kleur. Iemand heeft echt moeite gedaan om de deur die kleur te geven. Het was ook iets wat recentelijk gebeurt was. De verf was vrij grof aangebracht. Druipers liepen hier en daar over het hout, de strepen van de kwast ook duidelijk te zien. Wat was hier aan de hand? Waarom zou iemand een deur willen schilderen in een bouwval? Ik raak het hout aan. Niets bijzonders. Gewoon een houten deur, koud onder mijn aanraking. De verf langer geleden opgedroogd. Ik verplaatste mijn hand naar de deurkruk en duwde deze naar beneden. De deur zwaait zonder enige moeite open. Geen gekraak of piep komt van de scharnieren, iets waar ik op dat moment blij om ben. Ik wil in stilte naar binnengaan. Niet gelijk de aandacht op mijn vestigen.
Voor mij ligt weer een kamer. Deze keer helder verlicht door een peertje dat middenin hangt. Felrode muren geven de kamer het idee van een hoerenkast of een abattoir. De kamer geeft mij het idee dat het nog moet beslissen welke kant het op wil gaan. Op de grond zitten negen katten in een kring. Alle negen kijken zij mij aandachtig aan. Ik heb hun bijeenkomst verstoord en toch leken ze mij te verwachten. De dichtstbijzijnde katten, degene die met hun rug naar mij zitten staan op en lopen naar de andere kant. Daar gaan ze weer zitten om mij aan te kijken. Negen katten, achttien paar ogen kijken mij indringend aan. "Kom binnen" lijken die ogen te zeggen. Ik neem de uitnodiging aan en stap de drempel over. Zodra ik binnen ben sluit ik de deur. De katten blijven mij aankijken. Ik voel mij niet op mijn gemak, maar ook niet ongemakkelijk. Het is gewoon de indringende blik van een kat, van negen katten. Het voelt alsof ze recht door mij heen kijken zonder mij te zien en toch alles van mij weten. Precies zoals katten altijd doen. Ik stap verder de kamer in, dichter naar de katten toe en sluit de deur.
Dit lijkt het teken te zijn waarop ze gewacht hebben. Als één lichaam staan ze op en lopen naar de uiterste muur. Het valt mij nu pas op dat daar een deur zit en dat die deur een klein stukje openstaat. De katten verdwijnen één voor één door de deur. De laatste kijkt mij aan alsof het wil zeggen dat ik het moet volgen. Ik slik en volg de katten. Achter de deur ligt het meest vreemde dat ik ooit gezien heb.
Op de grond, op een rood/groen kussen ligt een gigantische kattenkoning. Iets waarvan ik weet dat het niet bestaat, hetgeen wat er nog het meest dichtbij komt is een rattenkoning, alleen zijn dit geen ratten. Dit zijn katten en precies zoals bij een rattenkoning zitten alle staarten in elkaar gevlochten. Een grote cirkel van katten, roestbruin van kleur liggen op het kussen. De plek waar alle staarten bij elkaar komen is één grote kluwen van haar, vuiligheid en ondefinieerbare dingen. Het is ook de enige plek waar de kattenkoning smerig is, de rest van het lichaam (of lichamen) zijn brandschoon. Zo schoon als katten kunnen zijn, de vacht glimt in het licht. Ik kom iets dichterbij en zie dat de dieren nog leven. Ze zijn zelfs springlevend. Zachtjes bewegen hun pootjes over het kussen waardoor het hele lichaam traag ronddraait. Het gaat rond en rond en rond op het kussen. Onverstoorbaar door en door.
De bovenste hoofden, het verste van mij af likken de hoofdjes onder hen. De haren in de nek gaan hierdoor rechtop staan, aangezien de tongetjes allemaal tegen de haren instrijken. Hoe verder ze draaien op het kussen, hoe meer haar rechtop komt te staan. De hele nekregio wordt een kleine punkbeweging in katvorm. Alle haren in de nek van alle katten in de kattenkoning staan rechtop. Op dat moment stoppen ze met elkaar likken. Ze blijven alleen traag in de rondte draaien. Rond en rond blijven ze gaan, de pootjes steeds weer vastgrijpend in het kussen waar ze op liggen. Het is een uitermate bizar gezicht. Iets wat ik nog nooit eerder gezien heb, maar waarvan ik nu weet dat ik dit moest zien. Dit was mijn missie. Hier moest ik zijn.
De kattenkoning begint tegen mij te praten. De stem klinkt als gemiauw, gespin en gegrom door elkaar vermengt. Ik hoor dat het woorden maakt, alleen kan ik niets verstaan. Het is te onduidelijk, te vaag. Ik buig dichterbij om het goed te horen. Het gespin en gemiauw klinkt harder. Ik hoor dat het woorden zijn, maar ik kan het nog steeds niet verstaan. Het is alsof mijn vermogen om gesproken taal te verstaan verdwenen is. Ik begrijp niet van wat het zegt. Ik begrijp het niet en ik weet dat het belangrijk is. Het is essentieel dat ik luister naar wat de kattenkoning mij te zeggen heeft. Ik moet het horen. Het moet.
En dan word ik wakker. Ontdaan en zonder de kennis die ik blijkbaar moest leren. Ik voel dat ik gefaald heb. Deze droom zal nooit meer terugkomen en ik heb geen idee wat het wilde zeggen. Als ik na mijn ontbijt de "droom van koningkat" probeer op te zoeken op het internet kom ik ook nergens uit. Er bestaat geen koningkat. Alleen katten die denken dat ze koning zijn of koning zijn gemaakt door hun baasje. Ik heb gefaald in mijn missie en toch herrijs ik elke ochtend weer. Deze dag voelt als verloren, maar ik besluit er toch iets van te maken. Het antwoord ligt daar ergens verborgen.
11 februari 2013
De schuur
Je weet zeker dat je de schuur wilt zien? Niet iedereen is even gelukkig met de bezigheden die ik daar uitvoer, maar je moet het zelf weten. Als jij de schuur wilt zien, wil ik je best rondleiden en laten zien hoe het er van binnen uitziet.
Kom, dan lopen we naar de achtertuin. Pas wel op voor de spullen in de keuken. Ik ben niet heel erg netjes, dus het zou goed kunnen dat er iets van de planken valt. En dat willen we niet! Maar ik heb het idee dat jij wel goed uitkijkt. Vandaar dat je ook eerst vroeg of je de schuur mag zien in plaats van afwachten tot je vanzelf de inhoud zou zien. Groot gelijk, zou ik ook doen als ik jou was.
Kom, de schuur staat in de schuur staat in de achtertuin. Ja, inderdaad. Waar anders! Haha, dat is een goeie. Ja, natuurlijk moeten we naar de achtertuin. De eerste schuur die in een voortuin gezet wordt moet hier nog gebouwd worden. Haha, grapjas. Ik mag jou wel! Kom, daar staat ie: de schuur. Het is op zich niet veel bijzonders. Gewoon een houten gebouw, stenen fundering waar de muren op opgetrokken zijn en een houten dak met van die tegels van teer. Ik heb het niet gebouwd, dat zou ik ook helemaal niet kunnen. Nee, toen ik dit huis toegewezen kreeg stond deze schuur er al. En ik was er blij mee, nog steeds. Het is een fantastisch gebouw en als het zou kunnen praten zouden er meer verhalen uitkomen dan in sprookjes van 1001 nacht. Alleen zouden het geen sprookjes zijn, in dit geval.. maar dat laten we maar in het midden.
Het raam. Ja, dat heb ik dichtgespijkerd. Dat leek mij beter. Niet dat ik bang ben dat iemand naar binnen zou kijken. Het is meer om.. Misschien kan ik het je beter laten zien. Kom mee, dan gaan we naar binnen. Kom, er is genoeg te zien! Wel graag de deur achter je sluiten. Ik hou er niet van als zonlicht te lang in de schuur schijnt. Iets van mijzelf, kleine eigenaardigheid. Niet op letten verder. Kom maar binnen, welkom in de schuur!
Niet schrikken, zij zal je niets doen. Ze kan ook helemaal niets doen, zoals je ziet. Die touwen om haar polsen zijn uitermate stevig. Maar ja, dat kan je zelf ook wel zien. Ze hangt er mooi in, vind je ook niet. Ik vind het altijd een prachtig gezicht om een vrouw te zien hangen aan beide polsen, terwijl haar benen over de grond kunnen slepen. Net genoeg ruimte om te kunnen staan en bukken, maar te weinig om te gaan zitten. Daar kan ik echt van genieten. Zeker als ze er net inhangen en nog niet goed doorhebben wat het betekend. Zij hangt er al een tijdje, zoals je kan zien. Ja, ik heb haar borsten er afgesneden. Eigenlijk heb ik dat net gedaan. Vandaag. Ik vond dat ze mooie borsten had en dat het zonde is om ze weg te gooien. Dus heb ik ze eraf gesneden. Ik was net bezig om ze te prepareren toen je aanbelde. Denk erover om er presse-papiers van te maken, maar ben nog niet helemaal zeker. Ik moet even uitzoeken hoe dat moet en of het mooi kan worden. Anders gooi ik ze gewoon in een weckpot, dan kan ik ze op tafel zetten en ook altijd naar kijken. Misschien is het de start van een mooie verzameling! Haha.
Wat? Nee, zij zal niets meer doen. Ik denk dat ze bewusteloos is van het bloedverlies en pijn. Kijk maar, ik kan haar schoppen zonder dat ze iets doet. Ze kermt niet eens. Eigenlijk ben ik bijna met haar klaar. Ze is bijna stuk, zoals ze uiteindelijk allemaal stuk gaan. Dat is normaal en ik vind het ook niet erg. Ik raak tegenwoordig snel op ze uitgekeken. Vroeger niet, vroeger kon ik mijzelf wekenlang met ze vermaken. Toen had ik ook nog een kooi daar in de hoek staan. Daar waar nu die tafel met spullen en gereedschap staat. Je mag er best even kijken, maar kon nergens aan. Ik heb een systeem in mijn spullen zitten en dat wil ik liever zo houden.
Als je het niet erg vind maak ik even af waarmee ik vandaag bezig was. Ik heb wel haar borsten afgesneden en was hiermee bezig, maar moest nog het spel afmaken waarmee ik vanochtend begonnen was. Neem aan dat je wel begrijpt dat ik ze hier als seksobject is, dus als je wilt... Nee.. Ook goed, dan ga ik even verder. Ik was nog niet klaar namelijk. Wel jammer dat ze bewusteloos is, al is het aan de andere kant ook een zegen. Op dit moment tenminste. Ik denk niet dat je haar geschreeuw, gekerm op prijs had gesteld. Dit is een vechtertje geweest, een leuk object om mee te spelen. Zo, we zijn weer binnen. Toch handig dat ze zo hangt, knieën mooi op de grond, kont naar achteren. Op deze manier kan je er goed bij en alleen voor haar is het vervelend. Als je wil mag je toekijken, maar je mag ook bij de hulpstukken gaan kijken. Zitten leuke dingen tussen en als je mij even die scalpel wil aangeven. Ja, die. Kijk, precies op het moment suprême snij ik haar hele rug open. Precies langs de ruggengraat, dan doe ik net alsof het een ritssluiting is. Dat is namelijk leuk! Komt ie!
Als je nog even een momentje hebt ruim ik even de boel op. Het is een beetje teveel een chaos naar mijn smaak en ik wil wel opgeruimd op je overkomen. Ik ben geen sloddervos, iemand die alleen troep maakt en nooit eens iets opruimt. Wat ik met de lichamen doe? Tja.. dat vertel ik alleen aan echte hard-core fans, zoals de politie. Vraag er maar niet naar, ik vertel het je toch niet. Moment, ik leg haar even in mijn huis en ben zo terug. Misschien vind je dit wel leuk. Is een boek over verschillende martelmethoden van de Spaanse inquisitie, wat hier uiteraard staat om inspiratie op te doen. Je mag er wel even inkijken, misschien zie je iets leuks om thuis te doen. Haha. Ik ben zo terug.
Zo, ze ligt in de badkuip. Straks een mooi klusje, wel een smerig klusje maar ik vind het altijd leuk om te doen. Eigenlijk is het hele proces fantastisch om door te lopen, van de eerste momenten dat ik een nieuw object zie tot de laatste momenten dat we samen doorbrengen. Ik geniet van alles. Maar goed, je kwam voor de schuur en niet voor een relaas over mijn veroveringen. Daarbij gaat dat jou helemaal niets aan! De schuur dus. Je hebt het belangrijkste eigenlijk al gezien, al is ze nu weer weg. De touwen zijn via katrollen aan het plafond gehangen. Zie je daar, ik heb zo'n speciale schroef in de dwarsbalk van het plafond gestoken. Het was nogal een zoektocht naar een goede ophangen, maar met een beetje geluk en googlen kom je een heel eind. Mijn instrumenten heb ik ook op die manier verkregen. Veel online zoeken en komen. Al heb ik ook veel zelfgemaakt. Zoals dit dingetje. Is een heel simpele metalen buis die ik een rubberen tip heb gegeven en kan aansluiten op die accu. Staat daar onder de werkbank. Daar, waar de boor- en schuurmachines liggen. Zie je hem. Ook een gedoe geweest, een goede accu te pakken krijgen. Die dingen zijn helemaal niet goedkoop en ook vrij zwaar kwam ik achter. Ik heb er fijne uurtjes mee gehad, dus klagen doe ik niet. Het is z'n geld en moeite waard geweest.
Wat hebben we nog meer. Boeken, altijd leuk boeken. Allemaal over de geschiedenis van martelen, wie het deed en op welke manier. Ik noem het mijn "bibliotheekje van pijn", dat is toch een leuke naam. Als ik hier een dame heb lees ik ze wel eens voor uit zo'n boek en daarna mogen ze hetzelfde ondergaan. Natuurlijk neem ik dan wel de kleine martelingen, voor een volledige pijnbank en alles heb ik geen ruimte. Dat lijkt mij logisch.
Goed, hier in de hoek stond vroeger een kooi. Dat had ik geloof ik al gezegd. Daar deed ik ze vroeger in tot er eentje bijna ontsnapte toen ik haar in de touwen wilde hangen. Tegenwoordig gaan ze gelijk in de touwen. Gaan ze wel minder lang mee, maar het is voor mij veiliger. Ik word er niet jonger op en sommige vrouwen kunnen best sterk zijn. Ook diegene die bijna ontsnapte. Ik haalde haar uit de kooi, geboeid natuurlijk en ze wist het voor elkaar te krijgen mij omver te duwen. Ze ramde met haar lichaam mij onderuit waardoor ik tegen de tafel aanviel. Niet deze tafel, dat is een werkbank. Nee, er stond vroeger een andere tafel met kaarsen erop en alles. Dat vond ik leuk, dat ze in romantisch kaarslicht zaten. Of kaarslicht zoals je in oude horrorfilms ziet, wat ze zelf maar wilden. In ieder geval ramde ik tegen die tafel, deed mijn rug goed zeer en de hele berg kaarsen viel brandend op de grond. Overal kaarsvet, overal vlammen. Ik had geluk dat ze mij tegen de tafel ramde, daardoor kon ik blijven staan en haar tegen de grond schoppen. Volgens mij is dat ook de enige keer dat ik er eentje doodgeschopt heb. Ik heb verder ook niets met haar gedaan, alleen doodgeschopt. Zo kwaad was ik. Vlak daarna heb ik de kooi weggedaan en de tafel met kaarsen ook.
Al gebruik ik nog steeds kaarsen zoals je ziet! In die doos in de hoek zitten er een heleboel. Soms maak ik de schuur gezellig met kaarsen, voor als er een meisje hier voor het eerst komt. Ik vind dat leuk. Dan komen ze in een mooi verlichte ruimte, terwijl ze weten dat ze er nooit meer uitkomen. Dat geeft een extra dimensie aan het spel. Niet dat ik het altijd doe. Het is nogal een gedoe en ik ben altijd bang dat de schuur in de fik gaat. Het is toch een houten gebouw, ondanks die stenen fundering. Je ziet daar nog de schroeiplek van de kaarsen toen ze omvielen. Weet je wel, toen er eentje bijna ontsnapte en mij tegen de kaarsentafel duwde. Dat was niet leuk, al liep het gelukkig wel goed af.
Ik weet niet wat je nog meer wilt zien. Dit is toch een beetje de schuur, zoals ik het gebruik. Instrumenten aan de wand en op de werkbank. Touwen in het midden, mooi opgehangen met dat katrolletje en alles. Mijn bescheiden bibliotheek en verder.. Ik weet het niet. Als je volgende week was langs gekomen had je mijn nieuwste aanwinst kunnen zien. Ik heb een oude tandartsstoel op de kop kunnen tikken, bij een of andere boedelverkoop in Nootdorp. Ben er erg blij mee, alleen kon ik het niet gelijk meenemen. Volgende week ga ik hem halen en waarschijnlijk ook gelijk uitproberen. Als je wilt ben je welkom. Mag je ook meedoen. Misschien wel leuk. Kijk maar. Ik moet je nu er wel uitgooien. Er liggen nog taken op mij te wachten. Dingen op te ruimen en zaken om mooier te maken.
Oke. Misschien zie ik je volgende week!
Kom, dan lopen we naar de achtertuin. Pas wel op voor de spullen in de keuken. Ik ben niet heel erg netjes, dus het zou goed kunnen dat er iets van de planken valt. En dat willen we niet! Maar ik heb het idee dat jij wel goed uitkijkt. Vandaar dat je ook eerst vroeg of je de schuur mag zien in plaats van afwachten tot je vanzelf de inhoud zou zien. Groot gelijk, zou ik ook doen als ik jou was.
Kom, de schuur staat in de schuur staat in de achtertuin. Ja, inderdaad. Waar anders! Haha, dat is een goeie. Ja, natuurlijk moeten we naar de achtertuin. De eerste schuur die in een voortuin gezet wordt moet hier nog gebouwd worden. Haha, grapjas. Ik mag jou wel! Kom, daar staat ie: de schuur. Het is op zich niet veel bijzonders. Gewoon een houten gebouw, stenen fundering waar de muren op opgetrokken zijn en een houten dak met van die tegels van teer. Ik heb het niet gebouwd, dat zou ik ook helemaal niet kunnen. Nee, toen ik dit huis toegewezen kreeg stond deze schuur er al. En ik was er blij mee, nog steeds. Het is een fantastisch gebouw en als het zou kunnen praten zouden er meer verhalen uitkomen dan in sprookjes van 1001 nacht. Alleen zouden het geen sprookjes zijn, in dit geval.. maar dat laten we maar in het midden.
Het raam. Ja, dat heb ik dichtgespijkerd. Dat leek mij beter. Niet dat ik bang ben dat iemand naar binnen zou kijken. Het is meer om.. Misschien kan ik het je beter laten zien. Kom mee, dan gaan we naar binnen. Kom, er is genoeg te zien! Wel graag de deur achter je sluiten. Ik hou er niet van als zonlicht te lang in de schuur schijnt. Iets van mijzelf, kleine eigenaardigheid. Niet op letten verder. Kom maar binnen, welkom in de schuur!
Niet schrikken, zij zal je niets doen. Ze kan ook helemaal niets doen, zoals je ziet. Die touwen om haar polsen zijn uitermate stevig. Maar ja, dat kan je zelf ook wel zien. Ze hangt er mooi in, vind je ook niet. Ik vind het altijd een prachtig gezicht om een vrouw te zien hangen aan beide polsen, terwijl haar benen over de grond kunnen slepen. Net genoeg ruimte om te kunnen staan en bukken, maar te weinig om te gaan zitten. Daar kan ik echt van genieten. Zeker als ze er net inhangen en nog niet goed doorhebben wat het betekend. Zij hangt er al een tijdje, zoals je kan zien. Ja, ik heb haar borsten er afgesneden. Eigenlijk heb ik dat net gedaan. Vandaag. Ik vond dat ze mooie borsten had en dat het zonde is om ze weg te gooien. Dus heb ik ze eraf gesneden. Ik was net bezig om ze te prepareren toen je aanbelde. Denk erover om er presse-papiers van te maken, maar ben nog niet helemaal zeker. Ik moet even uitzoeken hoe dat moet en of het mooi kan worden. Anders gooi ik ze gewoon in een weckpot, dan kan ik ze op tafel zetten en ook altijd naar kijken. Misschien is het de start van een mooie verzameling! Haha.
Wat? Nee, zij zal niets meer doen. Ik denk dat ze bewusteloos is van het bloedverlies en pijn. Kijk maar, ik kan haar schoppen zonder dat ze iets doet. Ze kermt niet eens. Eigenlijk ben ik bijna met haar klaar. Ze is bijna stuk, zoals ze uiteindelijk allemaal stuk gaan. Dat is normaal en ik vind het ook niet erg. Ik raak tegenwoordig snel op ze uitgekeken. Vroeger niet, vroeger kon ik mijzelf wekenlang met ze vermaken. Toen had ik ook nog een kooi daar in de hoek staan. Daar waar nu die tafel met spullen en gereedschap staat. Je mag er best even kijken, maar kon nergens aan. Ik heb een systeem in mijn spullen zitten en dat wil ik liever zo houden.
Als je het niet erg vind maak ik even af waarmee ik vandaag bezig was. Ik heb wel haar borsten afgesneden en was hiermee bezig, maar moest nog het spel afmaken waarmee ik vanochtend begonnen was. Neem aan dat je wel begrijpt dat ik ze hier als seksobject is, dus als je wilt... Nee.. Ook goed, dan ga ik even verder. Ik was nog niet klaar namelijk. Wel jammer dat ze bewusteloos is, al is het aan de andere kant ook een zegen. Op dit moment tenminste. Ik denk niet dat je haar geschreeuw, gekerm op prijs had gesteld. Dit is een vechtertje geweest, een leuk object om mee te spelen. Zo, we zijn weer binnen. Toch handig dat ze zo hangt, knieën mooi op de grond, kont naar achteren. Op deze manier kan je er goed bij en alleen voor haar is het vervelend. Als je wil mag je toekijken, maar je mag ook bij de hulpstukken gaan kijken. Zitten leuke dingen tussen en als je mij even die scalpel wil aangeven. Ja, die. Kijk, precies op het moment suprême snij ik haar hele rug open. Precies langs de ruggengraat, dan doe ik net alsof het een ritssluiting is. Dat is namelijk leuk! Komt ie!
Als je nog even een momentje hebt ruim ik even de boel op. Het is een beetje teveel een chaos naar mijn smaak en ik wil wel opgeruimd op je overkomen. Ik ben geen sloddervos, iemand die alleen troep maakt en nooit eens iets opruimt. Wat ik met de lichamen doe? Tja.. dat vertel ik alleen aan echte hard-core fans, zoals de politie. Vraag er maar niet naar, ik vertel het je toch niet. Moment, ik leg haar even in mijn huis en ben zo terug. Misschien vind je dit wel leuk. Is een boek over verschillende martelmethoden van de Spaanse inquisitie, wat hier uiteraard staat om inspiratie op te doen. Je mag er wel even inkijken, misschien zie je iets leuks om thuis te doen. Haha. Ik ben zo terug.
Zo, ze ligt in de badkuip. Straks een mooi klusje, wel een smerig klusje maar ik vind het altijd leuk om te doen. Eigenlijk is het hele proces fantastisch om door te lopen, van de eerste momenten dat ik een nieuw object zie tot de laatste momenten dat we samen doorbrengen. Ik geniet van alles. Maar goed, je kwam voor de schuur en niet voor een relaas over mijn veroveringen. Daarbij gaat dat jou helemaal niets aan! De schuur dus. Je hebt het belangrijkste eigenlijk al gezien, al is ze nu weer weg. De touwen zijn via katrollen aan het plafond gehangen. Zie je daar, ik heb zo'n speciale schroef in de dwarsbalk van het plafond gestoken. Het was nogal een zoektocht naar een goede ophangen, maar met een beetje geluk en googlen kom je een heel eind. Mijn instrumenten heb ik ook op die manier verkregen. Veel online zoeken en komen. Al heb ik ook veel zelfgemaakt. Zoals dit dingetje. Is een heel simpele metalen buis die ik een rubberen tip heb gegeven en kan aansluiten op die accu. Staat daar onder de werkbank. Daar, waar de boor- en schuurmachines liggen. Zie je hem. Ook een gedoe geweest, een goede accu te pakken krijgen. Die dingen zijn helemaal niet goedkoop en ook vrij zwaar kwam ik achter. Ik heb er fijne uurtjes mee gehad, dus klagen doe ik niet. Het is z'n geld en moeite waard geweest.
Wat hebben we nog meer. Boeken, altijd leuk boeken. Allemaal over de geschiedenis van martelen, wie het deed en op welke manier. Ik noem het mijn "bibliotheekje van pijn", dat is toch een leuke naam. Als ik hier een dame heb lees ik ze wel eens voor uit zo'n boek en daarna mogen ze hetzelfde ondergaan. Natuurlijk neem ik dan wel de kleine martelingen, voor een volledige pijnbank en alles heb ik geen ruimte. Dat lijkt mij logisch.
Goed, hier in de hoek stond vroeger een kooi. Dat had ik geloof ik al gezegd. Daar deed ik ze vroeger in tot er eentje bijna ontsnapte toen ik haar in de touwen wilde hangen. Tegenwoordig gaan ze gelijk in de touwen. Gaan ze wel minder lang mee, maar het is voor mij veiliger. Ik word er niet jonger op en sommige vrouwen kunnen best sterk zijn. Ook diegene die bijna ontsnapte. Ik haalde haar uit de kooi, geboeid natuurlijk en ze wist het voor elkaar te krijgen mij omver te duwen. Ze ramde met haar lichaam mij onderuit waardoor ik tegen de tafel aanviel. Niet deze tafel, dat is een werkbank. Nee, er stond vroeger een andere tafel met kaarsen erop en alles. Dat vond ik leuk, dat ze in romantisch kaarslicht zaten. Of kaarslicht zoals je in oude horrorfilms ziet, wat ze zelf maar wilden. In ieder geval ramde ik tegen die tafel, deed mijn rug goed zeer en de hele berg kaarsen viel brandend op de grond. Overal kaarsvet, overal vlammen. Ik had geluk dat ze mij tegen de tafel ramde, daardoor kon ik blijven staan en haar tegen de grond schoppen. Volgens mij is dat ook de enige keer dat ik er eentje doodgeschopt heb. Ik heb verder ook niets met haar gedaan, alleen doodgeschopt. Zo kwaad was ik. Vlak daarna heb ik de kooi weggedaan en de tafel met kaarsen ook.
Al gebruik ik nog steeds kaarsen zoals je ziet! In die doos in de hoek zitten er een heleboel. Soms maak ik de schuur gezellig met kaarsen, voor als er een meisje hier voor het eerst komt. Ik vind dat leuk. Dan komen ze in een mooi verlichte ruimte, terwijl ze weten dat ze er nooit meer uitkomen. Dat geeft een extra dimensie aan het spel. Niet dat ik het altijd doe. Het is nogal een gedoe en ik ben altijd bang dat de schuur in de fik gaat. Het is toch een houten gebouw, ondanks die stenen fundering. Je ziet daar nog de schroeiplek van de kaarsen toen ze omvielen. Weet je wel, toen er eentje bijna ontsnapte en mij tegen de kaarsentafel duwde. Dat was niet leuk, al liep het gelukkig wel goed af.
Ik weet niet wat je nog meer wilt zien. Dit is toch een beetje de schuur, zoals ik het gebruik. Instrumenten aan de wand en op de werkbank. Touwen in het midden, mooi opgehangen met dat katrolletje en alles. Mijn bescheiden bibliotheek en verder.. Ik weet het niet. Als je volgende week was langs gekomen had je mijn nieuwste aanwinst kunnen zien. Ik heb een oude tandartsstoel op de kop kunnen tikken, bij een of andere boedelverkoop in Nootdorp. Ben er erg blij mee, alleen kon ik het niet gelijk meenemen. Volgende week ga ik hem halen en waarschijnlijk ook gelijk uitproberen. Als je wilt ben je welkom. Mag je ook meedoen. Misschien wel leuk. Kijk maar. Ik moet je nu er wel uitgooien. Er liggen nog taken op mij te wachten. Dingen op te ruimen en zaken om mooier te maken.
Oke. Misschien zie ik je volgende week!
6 februari 2013
Binnen, waar niemand is
Voor ik verder vertel zou ik graag nog een bak koffie willen. Zwart, helemaal niets erin en lekker sterk. Bedankt.
Vroeger was ik niet zo mild, toen kon ik redelijk hard uit de hoek komen. Zoals ze wel eens zeggen: "vroeger was alles beter!" Gelukkig geldt dat niet voor alles, ik was vroeger niet beter en ik zie aan je gezicht dat je dit niet wil horen. Goed, dat kan. Dat mag. Ik heb nog meer in mijn mouwen zitten, meer dat eruit kan. Misschien zelfs zoveel dat we over drie dagen nog wachten op een einde aan de stroom woorden die uit mijn mond komt. Maar gelukkig voor jou heb ik daar geen zin en tijd voor.
Je lacht, om mijn idee dat ik geen tijd zou hebben.. Ik kan je ook geen ongelijk geven. Ik heb alle tijd van de wereld. Twee maanden geleden hield mijn werk ermee op. Of laat ik dat beter omschrijven, mijn werk verhuisde naar een locatie waar ik het dode gewicht van mijn lichaam niet dagelijks heen wilde slepen. Waarschijnlijk had het een feest van dagelijks te laat komen en conflicten waar ik het bestaan niet van kende opgeleverd. Ik ging thuiszitten. Niet werken, ondanks de wil er wel is om te werken. Twee maanden geen mensen om je heen. Alleen stilte, gesnor van de katten, soms een miauw die de kamer doorkruist en geen mensen meer die aan mijn bureau staan met vragen. Helemaal niemand meer. De enige contacten die ik met de buitenwereld had ging via het internet en de mobiel. Twee maanden in eenzaamheid, twee maanden niets te maken met mensen en de ideeën die ze meebrengen. Het is heerlijk.
Toch blijft er af en toe de behoefte aan menselijk gezelschap. Mensen die ik tegenkom in de supermarkt als ik mijn boodschappen doe of op straat zie lopen tel ik niet mee. Zij zijn niets meer dan de schaduwen tussen de bomen. Een aanwezigheid die ik net zo makkelijk kan negeren als geesten en spoken. Mensen op straat, in de winkels zie ik zonder ze te registreren. Ze zijn er, maar ze zijn niet in mijn wereld. Het zijn onbekenden. Gezichten die ik vaker zie zonder dat er ideeën of gevoelens bij komen kijken. Deze mensen zijn vervangbaar. Kanonnenvoer voor het moment dat de oorlog uitbreekt en iemand de frontlinie moet gaan verdedigen. Als ik eerlijk mag zijn, ze zijn niets meer dan objecten in mijn wereld. De regen en sneeuw van de maatschappij buiten mijn voordeur en daar heb ik geen behoefte aan. Ik wil niets met deze mensen te maken hebben. Zij betekenen niets, in tegenstelling tot de mensen die ik langer ken of waarmee ik doelbewust een afspraak maak.
Twee maanden alleen is heerlijk en om in deze periode met een persoon af te spreken is ook goed. Ik zie daar niets mis mee, het verzet de geest en brengt nieuwe inzichten of standpunten in je leven. Misschien moet ik het vergelijken met een braadslee in een oven. De beste plek om deze op te bergen is in de oven, maar soms heb je het nodig. Dan kan je het eruit halen of gebruiken om iets te bakken of braden. De geest is net zo, mijn geest tenminste. In rust denk ik na over het leven, mijn leven, kunst, politiek en dingen die dwalen in de duisternis. Ik wandel tussen de bomen, geniet van de lommerrijke schaduw en wacht tot de regen stopt met vallen. Dingen voor een man alleen. In het gezelschap van een ander ga je toch anders nadenken. Dan probeer ik te doorgronden waar de ander over spreekt, wat degene beweegt en waarom we precies dit onderwerp moeten aansnijden. Nu niet gaan denken dat ik dit altijd doe in het gezelschap van anderen. Dat doe ik namelijk ook niet. Op dit moment praat ik toch ook voornamelijk, ben jij aan het luisteren naar mijn woorden. Misschien ben jij nu aan het analyseren waarom ik bepaalde dingen zeg en vraag je je af wat de reden is dan mijn gezichtsuitdrukking niet overeenkomt met wat ik net zei. Dat kan, dat kan zeker. Ik weet het alleen niet. Ik vind het ook niet interessant.
De afgelopen dagen heb ik geheel toevallig vrij veel opgetrokken met andere mensen. Verschillende mensen, verspreidt over meerdere dagen. Er waren mensen bij die ik al eeuwen ken, een enkeling die ik vanuit mijn arbeidsverleden tegen het lijf liep en ook iemand die ik nog nooit eerder gezien heb. En alle ontmoetingen waren gezellig, waardevol en de ervaring van die dag zou ik niet meer willen missen. Ik heb gelachen en serieus gepraat. Het waren waardevolle bezigheden, belangrijk om mij op het pad van de menselijkheid te houden en ook zorgden dat ik de waarde van mijzelf weer even kon begrijpen.
En toch heb ik op dit moment een grote behoefte om mij verre van mensen te houden. De voordeur dicht te trekken en niet naar buiten te komen voordat de zon weer schijnt en vogels eieren beginnen te leggen. In de twee maanden dat ik thuis ben lijkt contact met mensen mij te vermoeien. Misschien zelfs te verwarren, omdat ik het aan jou moet vertellen. Ik moet vertellen dat het mij verward, dat ik even wars ben van het contact an sich. Ik begrijp ook niet dat ik al die jaren dagelijks met mensen heb kunnen werken. De hele dag door iemand aan je bureau met vragen, opmerkingen of een bakkie koffie. Altijd in het gezelschap van iemand en daarnaast nog meer mensen. Ervaringen delen, verhalen vertellen en interessante wetenswaardigheden over het werk uitwisselen. Altijd contact, altijd bezig, altijd mensen om je heen en nooit alleen zijn. Ik deed het en ik deed het ook zonder zeuren. Het is gewoon iets dat erbij hoort. Zodra je de maatschappij instapt krijg je het contact met mensen erbij.
Eigenlijk is het vreemd. Ik heb nu een periode van twee maanden achter de rug met een minimum aan menselijk contact en in enkele dagen zie ik verschillende personen. Personen die ik ook gewoon ken en toch wil ik komende dagen helemaal niemand meer zien. Vandaag ga ik zelfs proberen om niet buiten te komen. Gewoon om de schaduwen die door het bos lopen te vermijden. Ik heb zelfs even geen zin in mensen die ik niet ken, niet spreek en normaal gesproken gewoon volledig negeer. Ik trek mij terug in mijn woning en laat de voordeur dicht. Al zal ik waarschijnlijk wel naar buiten moeten, omdat de schuur op dit moment niet zonder dagelijks bezoek kan.
Wat er met de schuur is? Dat is een ander verhaal, daar heb ik het op een ander tijdstip nog wel eens over. Het heeft ook helemaal niets met mijn eenzaamheid te maken en de heerlijke stilte die in mijn woning hangt als iedereen vertrokken is. De schuur is buiten, daar waar ik op dit moment niet ben. En als je het niet erg vind.. Ik heb nog meer te doen. Muziek te luisteren, woorden op te schrijven en voorwerpen tekenen. Om iets te noemen. Ik ga je eruit zetten en wens je geluk in je leven. Kijk uit met oversteken en nog bedankt voor de koffie!
Vroeger was ik niet zo mild, toen kon ik redelijk hard uit de hoek komen. Zoals ze wel eens zeggen: "vroeger was alles beter!" Gelukkig geldt dat niet voor alles, ik was vroeger niet beter en ik zie aan je gezicht dat je dit niet wil horen. Goed, dat kan. Dat mag. Ik heb nog meer in mijn mouwen zitten, meer dat eruit kan. Misschien zelfs zoveel dat we over drie dagen nog wachten op een einde aan de stroom woorden die uit mijn mond komt. Maar gelukkig voor jou heb ik daar geen zin en tijd voor.
Je lacht, om mijn idee dat ik geen tijd zou hebben.. Ik kan je ook geen ongelijk geven. Ik heb alle tijd van de wereld. Twee maanden geleden hield mijn werk ermee op. Of laat ik dat beter omschrijven, mijn werk verhuisde naar een locatie waar ik het dode gewicht van mijn lichaam niet dagelijks heen wilde slepen. Waarschijnlijk had het een feest van dagelijks te laat komen en conflicten waar ik het bestaan niet van kende opgeleverd. Ik ging thuiszitten. Niet werken, ondanks de wil er wel is om te werken. Twee maanden geen mensen om je heen. Alleen stilte, gesnor van de katten, soms een miauw die de kamer doorkruist en geen mensen meer die aan mijn bureau staan met vragen. Helemaal niemand meer. De enige contacten die ik met de buitenwereld had ging via het internet en de mobiel. Twee maanden in eenzaamheid, twee maanden niets te maken met mensen en de ideeën die ze meebrengen. Het is heerlijk.
Toch blijft er af en toe de behoefte aan menselijk gezelschap. Mensen die ik tegenkom in de supermarkt als ik mijn boodschappen doe of op straat zie lopen tel ik niet mee. Zij zijn niets meer dan de schaduwen tussen de bomen. Een aanwezigheid die ik net zo makkelijk kan negeren als geesten en spoken. Mensen op straat, in de winkels zie ik zonder ze te registreren. Ze zijn er, maar ze zijn niet in mijn wereld. Het zijn onbekenden. Gezichten die ik vaker zie zonder dat er ideeën of gevoelens bij komen kijken. Deze mensen zijn vervangbaar. Kanonnenvoer voor het moment dat de oorlog uitbreekt en iemand de frontlinie moet gaan verdedigen. Als ik eerlijk mag zijn, ze zijn niets meer dan objecten in mijn wereld. De regen en sneeuw van de maatschappij buiten mijn voordeur en daar heb ik geen behoefte aan. Ik wil niets met deze mensen te maken hebben. Zij betekenen niets, in tegenstelling tot de mensen die ik langer ken of waarmee ik doelbewust een afspraak maak.
Twee maanden alleen is heerlijk en om in deze periode met een persoon af te spreken is ook goed. Ik zie daar niets mis mee, het verzet de geest en brengt nieuwe inzichten of standpunten in je leven. Misschien moet ik het vergelijken met een braadslee in een oven. De beste plek om deze op te bergen is in de oven, maar soms heb je het nodig. Dan kan je het eruit halen of gebruiken om iets te bakken of braden. De geest is net zo, mijn geest tenminste. In rust denk ik na over het leven, mijn leven, kunst, politiek en dingen die dwalen in de duisternis. Ik wandel tussen de bomen, geniet van de lommerrijke schaduw en wacht tot de regen stopt met vallen. Dingen voor een man alleen. In het gezelschap van een ander ga je toch anders nadenken. Dan probeer ik te doorgronden waar de ander over spreekt, wat degene beweegt en waarom we precies dit onderwerp moeten aansnijden. Nu niet gaan denken dat ik dit altijd doe in het gezelschap van anderen. Dat doe ik namelijk ook niet. Op dit moment praat ik toch ook voornamelijk, ben jij aan het luisteren naar mijn woorden. Misschien ben jij nu aan het analyseren waarom ik bepaalde dingen zeg en vraag je je af wat de reden is dan mijn gezichtsuitdrukking niet overeenkomt met wat ik net zei. Dat kan, dat kan zeker. Ik weet het alleen niet. Ik vind het ook niet interessant.
De afgelopen dagen heb ik geheel toevallig vrij veel opgetrokken met andere mensen. Verschillende mensen, verspreidt over meerdere dagen. Er waren mensen bij die ik al eeuwen ken, een enkeling die ik vanuit mijn arbeidsverleden tegen het lijf liep en ook iemand die ik nog nooit eerder gezien heb. En alle ontmoetingen waren gezellig, waardevol en de ervaring van die dag zou ik niet meer willen missen. Ik heb gelachen en serieus gepraat. Het waren waardevolle bezigheden, belangrijk om mij op het pad van de menselijkheid te houden en ook zorgden dat ik de waarde van mijzelf weer even kon begrijpen.
En toch heb ik op dit moment een grote behoefte om mij verre van mensen te houden. De voordeur dicht te trekken en niet naar buiten te komen voordat de zon weer schijnt en vogels eieren beginnen te leggen. In de twee maanden dat ik thuis ben lijkt contact met mensen mij te vermoeien. Misschien zelfs te verwarren, omdat ik het aan jou moet vertellen. Ik moet vertellen dat het mij verward, dat ik even wars ben van het contact an sich. Ik begrijp ook niet dat ik al die jaren dagelijks met mensen heb kunnen werken. De hele dag door iemand aan je bureau met vragen, opmerkingen of een bakkie koffie. Altijd in het gezelschap van iemand en daarnaast nog meer mensen. Ervaringen delen, verhalen vertellen en interessante wetenswaardigheden over het werk uitwisselen. Altijd contact, altijd bezig, altijd mensen om je heen en nooit alleen zijn. Ik deed het en ik deed het ook zonder zeuren. Het is gewoon iets dat erbij hoort. Zodra je de maatschappij instapt krijg je het contact met mensen erbij.
Eigenlijk is het vreemd. Ik heb nu een periode van twee maanden achter de rug met een minimum aan menselijk contact en in enkele dagen zie ik verschillende personen. Personen die ik ook gewoon ken en toch wil ik komende dagen helemaal niemand meer zien. Vandaag ga ik zelfs proberen om niet buiten te komen. Gewoon om de schaduwen die door het bos lopen te vermijden. Ik heb zelfs even geen zin in mensen die ik niet ken, niet spreek en normaal gesproken gewoon volledig negeer. Ik trek mij terug in mijn woning en laat de voordeur dicht. Al zal ik waarschijnlijk wel naar buiten moeten, omdat de schuur op dit moment niet zonder dagelijks bezoek kan.
Wat er met de schuur is? Dat is een ander verhaal, daar heb ik het op een ander tijdstip nog wel eens over. Het heeft ook helemaal niets met mijn eenzaamheid te maken en de heerlijke stilte die in mijn woning hangt als iedereen vertrokken is. De schuur is buiten, daar waar ik op dit moment niet ben. En als je het niet erg vind.. Ik heb nog meer te doen. Muziek te luisteren, woorden op te schrijven en voorwerpen tekenen. Om iets te noemen. Ik ga je eruit zetten en wens je geluk in je leven. Kijk uit met oversteken en nog bedankt voor de koffie!
30 januari 2013
Contact, geen stopcontact..
Afscheid, altijd een moeilijk moment. Toch is het onvermijdelijk. Aan alles komt een einde en op een gegeven moment moet je toch afscheid nemen. "We houden contact!" roepen we elkaar na en in je achterhoofd weet je dat je dat niet zal doen. Niet dat je geen contact zou willen, anders zou je ook niet zeggen dat je contact gaat houden. Nee, met het onderhouden van contact zitten enkele haken en ogen aan verbonden.
Vandaar dat op een gegeven moment het feit dat ik nooit contact opneem een veel gehoorde klacht is, wat ook klopt. Ik doe dat zelden tot nooit, contact opnemen met iemand. Het vergt namelijk enkele benodigdheden die ik niet schijn te zien. Allereerst moet je een reden hebben om contact met iemand op te nemen. Die is snel verzonnen, je wil gewoon weten hoe het met iemand is. Simpel zat, dan stuur je een berichtje waarin je vraagt hoe het met iemand is. Tenminste, dat zou je op het eerste gezicht zeggen. Maar met de kennis dat het goed of zelfs slecht met je gaat kan ik niet zoveel. Ik luister naar je, hoor je woorden maar wat het gevoelsmatig met jou doet. Ik heb geen idee. Het enige wat ik kan doen zijn jouw woorden koppelen aan de ideeën en gevoelens die ik in mijn hoofd heb en dan een beeld vormen. Meestal zit dit wel redelijk in de buurt, maar helemaal zeker ben ik niet. Waarmee de onzekerheid zorgt dat ik liever niet vraag hoe het met je is. Je geeft een antwoord dat ik niet goed kan doorzien. Jouw innerlijke wereld is mij vreemd, zoals mijn innerlijke wereld jou vreemd is.
Contact bestaat gelukkig uit veel meer. Interactie, inspelen op elkaar, netwerken, sociaal zijn. Praten over koetjes en kalveren, zaken als het weer of de huidige politiek. Intussen bespreek je de voetbal uitslagen, terwijl je eigenlijk bezig ben jezelf neer te zetten als persoon. Waarmee het gelijk weer misgaat. Niet dat ik geen persoon ben of moeite heb om mijzelf neer te zetten. Maar waarom zou ik over het weer willen praten. Als ik wil weten of het morgen regent kijk ik wel naar buiten als ik wakker word. Politiek? Ik ben van mening dat je net zo goed door de hond als de kat gebeten kan worden, het doet in beide gevallen pijn. Ik ben a-politiek en het boeit mij ook weinig. Blijven die koeien en kalveren over, alleen heb ik daar nog nooit iets van begrepen. Praten over kleine dingen, stof onder je schoen bij wijze van spreken. Ik heb dat nog nooit gesnapt en tot op de dag van vandaag heb ik daar moeite mee. Iets wat wel essentieel is wil je contact met mensen kunnen maken, het kunnen praten over eigenlijk niets. Mensen vinden dat prettig, tenminste dat idee heb ik altijd.
Het beste voorbeeld hiervan is toch je werk. Bij nieuwe collega's begin je niet gelijk over loodzware onderwerpen als doodgaan, de wezenlijkheid van het existentialisme of de kleur van de onderbroek van een andere collega. Dan begin je te over het weer, hoe de reis naar het werk vergaan was en waarom de koffie bij de directie beter smaakt dan hier. Onderwerpen die mij geen meter interesseren of waar ik gewoon helemaal niets mee kan. Iets vertellen over jezelf.. Ik vertel de oppervlakkige dingen, wat mijn taken zijn op het werk en waarom ik bepaalde dingen doe. Hoe ik mij voel vertel ik ook niet aan mensen die ik al jaren ken, dus waarom wel aan jou? En dan zijn er ook mensen die hun hele hebben en houden op tafel leggen. De gevoelswereld, achtergronden en op welk pad ze nu in hun leven staan. Wat ik hartstikke nobel vind, mooi zelfs, maar ik kan er niets mee. Ik denk mij in hoe het is om jou te zijn, hoe het is om in jouw schoenen te staan. Alleen heb ik mijn eigen denkwereld om daar tegenover te stellen. Mijn eigen gevoelens over dingen en mijn eigen gedachten over dingen. Dat gebruik ik als referentie voor jouw gevoelswereld en vaak wijkt dat af. Dan begrijp ik niet wat je mij verteld, waarmee het voor beter is om niet over gevoelens te praten op het werk. Daar houden we het zakelijk en afstand. Ik vind dat prettiger.
In privé sfeer moet je soms wel, daar is het bijna verplicht om over gevoelens en de innerlijke wereld te praten. Een groot voordeel van de privé-sfeer is dat daar mensen zijn die dezelfde interesses delen, weten waar je over spreekt. Dan kan je hun gevoelens makkelijk koppelen aan iets wat in je eigen hoofd rondzwerft en dus is het contact makkelijker. Alleen vraag mij niet om je te bellen, want wat moet ik dan zeggen? Een afspraken maken, dat lukt wel. Dan heb ik een doel, een reden. Het heeft zin om contact op te nemen en de gevoelswereld, welke ik niet begrijp, kan buiten blijven. Praten om niets is niet mogelijk, dat past niet. Dat kan er niet in en ik begrijp het ook niet.
"Hoe gaat het met je?" "Het gaat goed, dank je wel" En daarmee houdt het voor mij op, daarmee stokt het. Wat moet ik dan zeggen? Dat ik het belachelijk vind dat je zoiets vraagt? Dat het helemaal niet goed gaat, maar dat ik op dat moment in een gigantische dip zit? Of dat ik er ontzettend van baal dat ik gewoon niet normaal op sociale interactie kan reageren. Dat het zweet mij uitbreekt als ik in een groep met vreemde mensen gezet wordt. Dat ik liever thuis blijf, omdat ik dan geen mensen hoef te zien. Alleen maar om geen interactie aan te gaan, aangezien ik heel vaak mensen niet begrijp. Niet als ze rechtstreeks tegen mij praten. Ik kan niet op je lichaamstaal letten én ook luisteren wat je met woorden zegt. Dat kan ik alleen als je niet tegen mij praat of niet van mij verwacht dat ik reageer. Ik hoor alles wat je zegt, zie alles wat je zegt maar het kost tijd om mijn gedachten, gevoelens onder woorden te brengen. Tijd die je mij niet wil gunnen, want dat hoort niet in een gesprek. Niet in een normaal gesprek tenminste...
Ik wil best met je praten. Durf ook best open te zijn, maar verwacht niet dat ik je zal begrijpen. Ik doe alsof ik je begrijp en vaak klopt dit ook, begrijp ik je best. Alleen blijf ik altijd gereserveerd, altijd op de achtergrond. Daar voel ik mij het prettigst. Daar kan ik je en anderen observeren. Kijken hoe ze doen en leren hoe ze doen. Ons gesprek zal ook vast boeiend zijn, maar je komt niet veel te weten. Ik vertel veel zonder iets te zeggen of andersom. En jou laat ik graag praten, maar je gevoelens vind ik moeilijk. Moeilijk, omdat ik ze niet begrijp. Gelukkig vind je dat niet erg. We praten over andere dingen. Kunst, het politieke klimaat en de veranderingen in de maatschappij die helemaal geen veranderingen zijn. De hufterigheid van sommige mensen komt nog even aanbod en dan moet je gaan. "We houden contact, hé! Nu echt!" En dan knik ik weer: "Ja, we houden contact" en in mijn achterhoofd weet ik dat ik geen contact met je zal opnemen. Niet zomaar, zonder enige reden zoals jij dat wel kan (en daar ben ik soms best jaloers op)..
Vandaar dat op een gegeven moment het feit dat ik nooit contact opneem een veel gehoorde klacht is, wat ook klopt. Ik doe dat zelden tot nooit, contact opnemen met iemand. Het vergt namelijk enkele benodigdheden die ik niet schijn te zien. Allereerst moet je een reden hebben om contact met iemand op te nemen. Die is snel verzonnen, je wil gewoon weten hoe het met iemand is. Simpel zat, dan stuur je een berichtje waarin je vraagt hoe het met iemand is. Tenminste, dat zou je op het eerste gezicht zeggen. Maar met de kennis dat het goed of zelfs slecht met je gaat kan ik niet zoveel. Ik luister naar je, hoor je woorden maar wat het gevoelsmatig met jou doet. Ik heb geen idee. Het enige wat ik kan doen zijn jouw woorden koppelen aan de ideeën en gevoelens die ik in mijn hoofd heb en dan een beeld vormen. Meestal zit dit wel redelijk in de buurt, maar helemaal zeker ben ik niet. Waarmee de onzekerheid zorgt dat ik liever niet vraag hoe het met je is. Je geeft een antwoord dat ik niet goed kan doorzien. Jouw innerlijke wereld is mij vreemd, zoals mijn innerlijke wereld jou vreemd is.
Contact bestaat gelukkig uit veel meer. Interactie, inspelen op elkaar, netwerken, sociaal zijn. Praten over koetjes en kalveren, zaken als het weer of de huidige politiek. Intussen bespreek je de voetbal uitslagen, terwijl je eigenlijk bezig ben jezelf neer te zetten als persoon. Waarmee het gelijk weer misgaat. Niet dat ik geen persoon ben of moeite heb om mijzelf neer te zetten. Maar waarom zou ik over het weer willen praten. Als ik wil weten of het morgen regent kijk ik wel naar buiten als ik wakker word. Politiek? Ik ben van mening dat je net zo goed door de hond als de kat gebeten kan worden, het doet in beide gevallen pijn. Ik ben a-politiek en het boeit mij ook weinig. Blijven die koeien en kalveren over, alleen heb ik daar nog nooit iets van begrepen. Praten over kleine dingen, stof onder je schoen bij wijze van spreken. Ik heb dat nog nooit gesnapt en tot op de dag van vandaag heb ik daar moeite mee. Iets wat wel essentieel is wil je contact met mensen kunnen maken, het kunnen praten over eigenlijk niets. Mensen vinden dat prettig, tenminste dat idee heb ik altijd.
Het beste voorbeeld hiervan is toch je werk. Bij nieuwe collega's begin je niet gelijk over loodzware onderwerpen als doodgaan, de wezenlijkheid van het existentialisme of de kleur van de onderbroek van een andere collega. Dan begin je te over het weer, hoe de reis naar het werk vergaan was en waarom de koffie bij de directie beter smaakt dan hier. Onderwerpen die mij geen meter interesseren of waar ik gewoon helemaal niets mee kan. Iets vertellen over jezelf.. Ik vertel de oppervlakkige dingen, wat mijn taken zijn op het werk en waarom ik bepaalde dingen doe. Hoe ik mij voel vertel ik ook niet aan mensen die ik al jaren ken, dus waarom wel aan jou? En dan zijn er ook mensen die hun hele hebben en houden op tafel leggen. De gevoelswereld, achtergronden en op welk pad ze nu in hun leven staan. Wat ik hartstikke nobel vind, mooi zelfs, maar ik kan er niets mee. Ik denk mij in hoe het is om jou te zijn, hoe het is om in jouw schoenen te staan. Alleen heb ik mijn eigen denkwereld om daar tegenover te stellen. Mijn eigen gevoelens over dingen en mijn eigen gedachten over dingen. Dat gebruik ik als referentie voor jouw gevoelswereld en vaak wijkt dat af. Dan begrijp ik niet wat je mij verteld, waarmee het voor beter is om niet over gevoelens te praten op het werk. Daar houden we het zakelijk en afstand. Ik vind dat prettiger.
In privé sfeer moet je soms wel, daar is het bijna verplicht om over gevoelens en de innerlijke wereld te praten. Een groot voordeel van de privé-sfeer is dat daar mensen zijn die dezelfde interesses delen, weten waar je over spreekt. Dan kan je hun gevoelens makkelijk koppelen aan iets wat in je eigen hoofd rondzwerft en dus is het contact makkelijker. Alleen vraag mij niet om je te bellen, want wat moet ik dan zeggen? Een afspraken maken, dat lukt wel. Dan heb ik een doel, een reden. Het heeft zin om contact op te nemen en de gevoelswereld, welke ik niet begrijp, kan buiten blijven. Praten om niets is niet mogelijk, dat past niet. Dat kan er niet in en ik begrijp het ook niet.
"Hoe gaat het met je?" "Het gaat goed, dank je wel" En daarmee houdt het voor mij op, daarmee stokt het. Wat moet ik dan zeggen? Dat ik het belachelijk vind dat je zoiets vraagt? Dat het helemaal niet goed gaat, maar dat ik op dat moment in een gigantische dip zit? Of dat ik er ontzettend van baal dat ik gewoon niet normaal op sociale interactie kan reageren. Dat het zweet mij uitbreekt als ik in een groep met vreemde mensen gezet wordt. Dat ik liever thuis blijf, omdat ik dan geen mensen hoef te zien. Alleen maar om geen interactie aan te gaan, aangezien ik heel vaak mensen niet begrijp. Niet als ze rechtstreeks tegen mij praten. Ik kan niet op je lichaamstaal letten én ook luisteren wat je met woorden zegt. Dat kan ik alleen als je niet tegen mij praat of niet van mij verwacht dat ik reageer. Ik hoor alles wat je zegt, zie alles wat je zegt maar het kost tijd om mijn gedachten, gevoelens onder woorden te brengen. Tijd die je mij niet wil gunnen, want dat hoort niet in een gesprek. Niet in een normaal gesprek tenminste...
Ik wil best met je praten. Durf ook best open te zijn, maar verwacht niet dat ik je zal begrijpen. Ik doe alsof ik je begrijp en vaak klopt dit ook, begrijp ik je best. Alleen blijf ik altijd gereserveerd, altijd op de achtergrond. Daar voel ik mij het prettigst. Daar kan ik je en anderen observeren. Kijken hoe ze doen en leren hoe ze doen. Ons gesprek zal ook vast boeiend zijn, maar je komt niet veel te weten. Ik vertel veel zonder iets te zeggen of andersom. En jou laat ik graag praten, maar je gevoelens vind ik moeilijk. Moeilijk, omdat ik ze niet begrijp. Gelukkig vind je dat niet erg. We praten over andere dingen. Kunst, het politieke klimaat en de veranderingen in de maatschappij die helemaal geen veranderingen zijn. De hufterigheid van sommige mensen komt nog even aanbod en dan moet je gaan. "We houden contact, hé! Nu echt!" En dan knik ik weer: "Ja, we houden contact" en in mijn achterhoofd weet ik dat ik geen contact met je zal opnemen. Niet zomaar, zonder enige reden zoals jij dat wel kan (en daar ben ik soms best jaloers op)..
22 januari 2013
De liefde voor 23
Mensen vragen mij wel eens wat ik toch met 23 heb. Het getal 23, niet andere dingen die 23 oproepen. Verjaardagen of zo, mensen die 23 jaar zijn kunnen mij gestolen worden. Dat is niet, slechts een getalletje dat ze opgeplakt krijgen omdat ze 23 jaar geleden op de wereld gleden. Dat zij 23 jaar zijn is niets meer dan de schuld van hun moeder. Niets anders.
Nee, het getal 23. Dat is van een andere orde. Nu zal er vast iemand zijn die associaties krijgt bij de film The number 23 met Nicolas Cage in de hoofdrol, maar dat is zo'n ontiegelijk slechte film. Het laat alleen maar een man zien die geobsedeerd raakt door een getalletje, wat toevallig 23 is. De rest is één grote berg onzin. Een farce, een nare schijnvertoning van hoe obsessies werken. Ooit wilde ik die film graag zien vanwege de 23-ingang, maar al snel zat ik mij te ergeren aan het verhaal. Zelfs de hoofdpersoon vond ik een zeikerig, dom type dat werkelijk geen idee had hoe de werkelijke wereld in elkaar zat. Het was en is gewoon een film die je zo snel mogelijk weer moet vergeten. Of gaan kijken wanneer je zin hebt om je even dood te ergeren aan een slecht verhaal, slechte acteerprestaties en een hoofdpersoon die je het liefste in het scherm doodschopt.
Tot zover de toonzetting. Het getal 23 dus. Laat ik allereerst voorop stellen dat ik niet de enige ben met een voorliefde voor het getal 23. Ergens zullen er vast meer mensen zijn die 23 op hun lichaam getatoeëerd hebben, wat er ook vast veel meer dan 23 zijn. Het is een gegeven dat er iets is met 23. Meer dan met andere getallen. En dat begint al in de vroege historie. Laten we beginnen met de Egyptenaren, niet de huidige bewoners van Egypte maar degene die piramides gebouwd hebben. De mensen die leefden toen er farao's op de troon zaten en mensen heilig geloofden in Horus, Thoth en Ra. Toen de zon de hoogste macht in de hemel was en slavernij gewoon normaal bespreekbaar. In die tijd was 23 een machtig getal. Het stond voor magie en niet zo maar magie, maar de vorm die later bekend werd als "magick". En deze kennis werd over de jaren doorgegeven, over verschillende routes en langs wisselende religies. Uiteindelijk raakte de kennis weer verloren voor de meer mainstream-georiënteerde mens en kon zelfs de numerologie er geen kaas meer van maken. Maar diep onderhuids, ondergronds in organisaties die altijd bevreesd waren voor vervolging (wet op hekserij werd in Engeland pas in 1951 afgeschaft) bleef de kennis bewaard. Hiervandaan is het ook weer teruggekomen bij de mensen die geen kennis hadden van occulte zaken of er niets meer van doen hadden.
Het getal 23 heeft altijd een belangrijke plaats ingenomen in de geschiedenis, zelfs al realiseerde wij dit niet. In film, vooral oude films voor de jaren tachtig zie je altijd het nummer 23 voorbij komen. Een karakter in de film woont op nummer 23, heeft een telefoonnummer met een aaneenschakeling van 23 of kent 23 mensen die 23 keer overreden zijn door een hond op een scooter. Je kan het zo gek niet bedenken of in oude films zit een 23. In boeken zag je dit ook veel, vooral omdat boeken de voorlopers van films waren. Veel films zijn gebaseerd op een boek, dus als het boek "23" vermeld neem je dat in de film over. Maar ook op straat zien je het, als je ergens loopt is er altijd iets bijzonders aan huisnummer 23. Er zit een speciale organisatie of het is een huis met een lange geschiedenis. Er woont iemand die een gave heeft, bijvoorbeeld zeer knap met een tekenpen is. Om maar wat dingen te noemen. 23 is overal en overal is 23.
De eerste schrijver en kunstenaar die het 23-fenomeen naar het grotere publiek bracht was William S. Burroughs. In zijn verhalen en esseays schreef hij over de alom vertegenwoordiging van het getal 23. Dat je het overal in literatuur en films zag terugkomen. Dat overal waar je liep wel tegen het getal 23 bleef aanlopen, meer dan tegen andere getallen. Het werd hierdoor gemeengoed, een waarheid die zichzelf voorbij streefde. Filmmakers begonnen op te merken dat ze inderdaad constant kozen voor het getal 23 als ze een woonhuis een nummer moesten geven. Dat er altijd wel een 23 in een telefoonnummer zat. Op een gegeven moment werd het een gimmick, de spontaniteit van 23 verdween uit de film en literatuur. Eigenlijk is na de jaren tachtig geen film meer hetzelfde geweest. De films daarvoor hadden nog het onbewuste, vrije gevolg van het gebruik van voorwerpen en getallen. Niemand lette er echt op, ze namen wat ze mooi vonden. Wat lekker klonk en op beeld (echt of ingebeeld) er mooi uitzag. Voor kunst was het een mooie tijd en voor 23 waren de oude Egyptische tijden weer helemaal terug.
Door Burroughs kwam ik ook voor het eerst in aanraking met 23. Door zijn verhalen, zijn gedachten begon het bij mij ook te kriebelen. Het begon mij op te vallen en ik voelde ook de mystieke waarde van het getal 23. Dat het meer dan alleen een 2 en 3 bij elkaar gevoegd waren. Dat het meer is dan 22 en minder dan 24, het is veel meer dan de numerieke waarde die we er normaal gesproken aan verbinden. Als ik mag teruggrijpen op de oude Egyptenaren, het is echt het getal voor magick. Meer kan ik er niet van maken, maar verder dan dat kan je ook niet gaan. Na 23 is er niets meer, daarna houdt de wereld op met bestaan. Zonder 23 zou alles uit elkaar vallen en zouden wij niet eens zijn wat wij zijn (tenslotte hebben we 2 chromosoomparen van elke 23 chromosomen). In alles zit 23 en alles is 23.
Mijn liefde voor het getal 23.. Het is mijn liefde voor de wereld. De natuurlijke wereld, zonder de bemoeienis van mensen. Mensen die hun regels willen opleggen, hun eigenbelang voorop zetten en zichzelf verheven voelen boven een ander, met een andere mening. Het is de liefde voor de chaos van de natuur, de veerkracht van het leven en de wetenschap dat we allemaal doodgaan. 23 is leven, magick en chaos ineen. Wij zijn 23, maar je moet alleen goed kijken. En als je het niet ziet, niet getreurd.. 23 is er ook voor jou, daar hoef je niets voor te doen. Je hoeft niet eens te geloven, want er is niets om te geloven. 23 is een getal!
Nee, het getal 23. Dat is van een andere orde. Nu zal er vast iemand zijn die associaties krijgt bij de film The number 23 met Nicolas Cage in de hoofdrol, maar dat is zo'n ontiegelijk slechte film. Het laat alleen maar een man zien die geobsedeerd raakt door een getalletje, wat toevallig 23 is. De rest is één grote berg onzin. Een farce, een nare schijnvertoning van hoe obsessies werken. Ooit wilde ik die film graag zien vanwege de 23-ingang, maar al snel zat ik mij te ergeren aan het verhaal. Zelfs de hoofdpersoon vond ik een zeikerig, dom type dat werkelijk geen idee had hoe de werkelijke wereld in elkaar zat. Het was en is gewoon een film die je zo snel mogelijk weer moet vergeten. Of gaan kijken wanneer je zin hebt om je even dood te ergeren aan een slecht verhaal, slechte acteerprestaties en een hoofdpersoon die je het liefste in het scherm doodschopt.
Tot zover de toonzetting. Het getal 23 dus. Laat ik allereerst voorop stellen dat ik niet de enige ben met een voorliefde voor het getal 23. Ergens zullen er vast meer mensen zijn die 23 op hun lichaam getatoeëerd hebben, wat er ook vast veel meer dan 23 zijn. Het is een gegeven dat er iets is met 23. Meer dan met andere getallen. En dat begint al in de vroege historie. Laten we beginnen met de Egyptenaren, niet de huidige bewoners van Egypte maar degene die piramides gebouwd hebben. De mensen die leefden toen er farao's op de troon zaten en mensen heilig geloofden in Horus, Thoth en Ra. Toen de zon de hoogste macht in de hemel was en slavernij gewoon normaal bespreekbaar. In die tijd was 23 een machtig getal. Het stond voor magie en niet zo maar magie, maar de vorm die later bekend werd als "magick". En deze kennis werd over de jaren doorgegeven, over verschillende routes en langs wisselende religies. Uiteindelijk raakte de kennis weer verloren voor de meer mainstream-georiënteerde mens en kon zelfs de numerologie er geen kaas meer van maken. Maar diep onderhuids, ondergronds in organisaties die altijd bevreesd waren voor vervolging (wet op hekserij werd in Engeland pas in 1951 afgeschaft) bleef de kennis bewaard. Hiervandaan is het ook weer teruggekomen bij de mensen die geen kennis hadden van occulte zaken of er niets meer van doen hadden.
Het getal 23 heeft altijd een belangrijke plaats ingenomen in de geschiedenis, zelfs al realiseerde wij dit niet. In film, vooral oude films voor de jaren tachtig zie je altijd het nummer 23 voorbij komen. Een karakter in de film woont op nummer 23, heeft een telefoonnummer met een aaneenschakeling van 23 of kent 23 mensen die 23 keer overreden zijn door een hond op een scooter. Je kan het zo gek niet bedenken of in oude films zit een 23. In boeken zag je dit ook veel, vooral omdat boeken de voorlopers van films waren. Veel films zijn gebaseerd op een boek, dus als het boek "23" vermeld neem je dat in de film over. Maar ook op straat zien je het, als je ergens loopt is er altijd iets bijzonders aan huisnummer 23. Er zit een speciale organisatie of het is een huis met een lange geschiedenis. Er woont iemand die een gave heeft, bijvoorbeeld zeer knap met een tekenpen is. Om maar wat dingen te noemen. 23 is overal en overal is 23.
De eerste schrijver en kunstenaar die het 23-fenomeen naar het grotere publiek bracht was William S. Burroughs. In zijn verhalen en esseays schreef hij over de alom vertegenwoordiging van het getal 23. Dat je het overal in literatuur en films zag terugkomen. Dat overal waar je liep wel tegen het getal 23 bleef aanlopen, meer dan tegen andere getallen. Het werd hierdoor gemeengoed, een waarheid die zichzelf voorbij streefde. Filmmakers begonnen op te merken dat ze inderdaad constant kozen voor het getal 23 als ze een woonhuis een nummer moesten geven. Dat er altijd wel een 23 in een telefoonnummer zat. Op een gegeven moment werd het een gimmick, de spontaniteit van 23 verdween uit de film en literatuur. Eigenlijk is na de jaren tachtig geen film meer hetzelfde geweest. De films daarvoor hadden nog het onbewuste, vrije gevolg van het gebruik van voorwerpen en getallen. Niemand lette er echt op, ze namen wat ze mooi vonden. Wat lekker klonk en op beeld (echt of ingebeeld) er mooi uitzag. Voor kunst was het een mooie tijd en voor 23 waren de oude Egyptische tijden weer helemaal terug.
Door Burroughs kwam ik ook voor het eerst in aanraking met 23. Door zijn verhalen, zijn gedachten begon het bij mij ook te kriebelen. Het begon mij op te vallen en ik voelde ook de mystieke waarde van het getal 23. Dat het meer dan alleen een 2 en 3 bij elkaar gevoegd waren. Dat het meer is dan 22 en minder dan 24, het is veel meer dan de numerieke waarde die we er normaal gesproken aan verbinden. Als ik mag teruggrijpen op de oude Egyptenaren, het is echt het getal voor magick. Meer kan ik er niet van maken, maar verder dan dat kan je ook niet gaan. Na 23 is er niets meer, daarna houdt de wereld op met bestaan. Zonder 23 zou alles uit elkaar vallen en zouden wij niet eens zijn wat wij zijn (tenslotte hebben we 2 chromosoomparen van elke 23 chromosomen). In alles zit 23 en alles is 23.
Mijn liefde voor het getal 23.. Het is mijn liefde voor de wereld. De natuurlijke wereld, zonder de bemoeienis van mensen. Mensen die hun regels willen opleggen, hun eigenbelang voorop zetten en zichzelf verheven voelen boven een ander, met een andere mening. Het is de liefde voor de chaos van de natuur, de veerkracht van het leven en de wetenschap dat we allemaal doodgaan. 23 is leven, magick en chaos ineen. Wij zijn 23, maar je moet alleen goed kijken. En als je het niet ziet, niet getreurd.. 23 is er ook voor jou, daar hoef je niets voor te doen. Je hoeft niet eens te geloven, want er is niets om te geloven. 23 is een getal!
Abonneren op:
Posts (Atom)





