Iedereen gaat dood, dat is het onvermijdelijke resultaat van leven. Aan het einde staat de dood op je te wachten en is er niets meer. Niets meer dan hetgeen je wacht na de dood. Niemand weet wat dat is en vele speculeren erover. Hele religies zijn gebouwd op de momenten die je na je dood mag ervaren en alsnog kan het de grootste leugen zijn die we meegemaakt hebben. Groter dan Sinterklaas en zijn volledig verkeerde knecht. De leugen is ook niet waar het om draait. Dood gaan we allemaal, maar omgaan met de angst voor de dood kunnen we niet.
Zodra we merken dat de dood gearriveerd is slaan mensen om in bange schapen die rennen naar de slager die zegt dat het allemaal goed zal komen. Ze rennen naar de herder die ze gouden bergen na de dood beloofd, maar ze gedurende het leven in tochtige stallen laat slapen. Mensen raken in een staat van collectieve waanzin zodra het over de dood gaat of ze over de dood moeten gaan nadenken.
Er is niets ergs aan de dood. Het enige wat de dood erg maakt is dat je als overlevende moet achterblijven. Je zal altijd geconfronteerd worden met de dood van iemand anders, de dood van een geliefde of familielid. Altijd zal er iemand zijn die je dode lichaam zal begraven en op die gronden treuren om je dood. Achterblijven is het meest afschuwelijke van de dood, dat is hetgeen wat ik niet leuk vind aan de dood. Maar verder zijn er geen bezwaren aan de dood te vinden. Het is niet erg, het is voor eeuwig en je hoeft de lijdensweg die leven heet niet meer door te maken. En toch zijn er mensen bang voor de dood. Bang om het tijdelijke, wat het leven is, te verruilen voor het onvermijdelijke, dat de dood is. Niet dat ze überhaupt weten waar ze bang voor zijn. Het idee dat ze niet meer leven jaagt ze angst aan. Sommige mensen slaan zelfs doodsangsten uit en durven daarom niet eens meer na te denken. De dood is zo eng dat er zelfs een boeman van gemaakt is. Praten over deze boeman mag dan ook niet. Praten over de dood is mensen herinneren aan hun eigen vergankelijkheid en dat willen niemand.
Tenminste, niemand in onze westerse cultuur wil herinnert worden aan de dood. Hoe anders gaat het in andere culturen? Ik heb ooit gelezen over een groep mensen die bij belangrijke gelegenheden hun familieleden opgraven en de menselijke resten meenemen naar het dorp. Daar krijgen ze een speciale plaats in de groep en worden ze behandeld alsof ze nog in leven zijn. Daar zijn de doden een wezenlijk onderdeel van het groepsleven, hebben de doden nog gewoon een stem en mogen ze aanwezig zijn bij belangrijke feesten. De dood is niet iets om te vrezen, maar slechts een overgang naar een andere fase in het leven. Voor hen zijn de overblijfselen van hun geliefden de weg om met de geestenwereld te praten. Zonder dit is er geen communicatie mogelijk en zonder dit zouden ze alle kennis van hun voorvaderen ontberen. In principe kan je zeggen dat ze de herinnering aan hun geliefde en overleden dorpsgenoten levend door ze dicht bij zich te houden.
Er zijn in andere culturen verschillende manieren om de dood te vieren, want ondanks het verdriet dat iemand niet meer in leven is vieren ze de dood ook. Het is tenslotte een overgang naar een nieuwe levensfase, de dood is een geboorte in een andere wereld. Misschien een andere dimensie. In ieder geval gaat de overledene in de ogen van deze mensen naar de geestenwereld, daar waar de Goden resideren en waar de overledene met hen kan praten. Ze kunnen nog wel meer, maar dat is allemaal even niet belangrijk. Het belangrijkste is dat de dood niet iets is om te vrezen. En iets wat je niet hoeft te vrezen kan je gewoon in huis halen. Als een vriend mogen de doden langskomen, waar ze fungeren als raadgever. Of bescherming tegen het kwaad of als een echte herinnering aan de persoon die ze ooit waren. Ze blijven zelfs in de dood wezenlijk onderdeel van de familie en dat is mooi.
Dat bange gedoe over de dood moet maar eens afgelopen zijn. Mensen die dood zijn mag je best over rouwen, want iemand nooit meer kunnen spreken, nooit meer kunnen vasthouden en liefhebben is vervelend. Uitermate vervelend zelfs, maar de dood is niet het ultieme einde. De dood is slechts iets dat er voor ons allemaal komt. De manier waarop je doodgaat is altijd de grote onbekende. Vliegtuigrampen, auto-ongelukken, enge ziektes, vermoord worden, hartfalen, verdrinken op zee of gewoon je laatste adem uitblazen in je slaap; het zijn allemaal mogelijkheden waarop we dood kunnen gaan. Dood gaan we namelijk allemaal, dat is de enige echte zekerheid die we allemaal hebben. En toch zijn we er bang voor, bang voor het onbekende. Hetgeen er achter de dood ligt of juist niet ligt. Niemand weet wat er na de dood komt. Misschien komt er helemaal niet en misschien hebben de mensen in andere culturen wel gelijk. Dan gaan we met z'n alle naar de geestenwereld om daar te communiceren met de Goden en worden we wel Goden.
Misschien worden we wel weer opgenomen in het grote energieveld dat onze werkelijkheid eigenlijk is. Worden we niet een losstaand, zichzelf voortbewegend en -denkend object meer, maar weer een druppel in een gigantische oceaan. Het is maar net aan welke kant van de vele theorieën je wilt gaan staan. Mij maakt het ook niet uit waar je gaat staan met betrekking tot je ideeën over de dood. Het is allemaal om het even, de uiteindelijk uitkomst is dat we allemaal dood gaan. Zonder uitzondering gaat alles en iedereen dood. Kunnen we dan nu stoppen met bang te zijn voor het definitieve einde en het gaan vieren?
Dank jullie wel.
16 augustus 2014
27 juli 2014
Wormen
De volgende dag werd ik wakker in een kamer die ik mij niet herinnerde. Naakt, bedekt met rode plekken, etterende wonden en kleine wormachtige beestjes. Ze kropen over mijn heen in schokkerige bewegingen. Hun kop zoekend naar houvast voordat ze weer verder kropen en waar ze een etterende, open plek vonden kropen ze sneller. Misschien keek ik niet goed, maar ik dacht dat ze hun kop diep in de wonde staken en zichtbaar genoten van de pus en drek dat eruit stroomde. Verschillende plekken, open plekken krioelde inmiddels van de kleine wormpjes.
Ik tilde een arm op. Verschillende wormpjes vielen op de grond, terwijl er evenzoveel aan mijn arm bleven kleven. Ze bleven bewegen, zoeken en zichzelf voeden met mijn etterend vlees. Ik keek naar enkele wormen op mijn hand. Kleine, witte wezentjes. Gelijkvormige ringen vormde hun lichaam, mooie segmenten zoals je ook op regenwormen ziet. Hun kop iets donkerder gekleurd dan de rest van het lichaam en constant de omgeving aftastende. De hele tijd bewogen ze, nooit stil zitten tot ze eindelijk bij een open plek op mijn huid aangekomen waren en ze zichzelf naar binnen bewogen. Alleen in deze kleine poeltjes van pus, drek en verdund bloed waren ze rustig. Ik zou bijna zeggen dat ze het gebruikten als zwembad als ik niet wist dat ze mijn vlees aan het opeten waren. Nu nog het dode vlees dat zich rond de etterende gaten bevond, maar als dat op raakte begonnen ze vast aan het levende spul. Vreemd genoeg voelde ik geen angst, alleen een fascinatie voor de kleine wormpjes die in de etterende wonden rondscharrelde.
Ik wist niet hoe ik hier gekomen was of waarom mijn lichaam eruit zag zoals het er nu voorlag. Alles wat ik zag aanvaarde ik alsof het normaal was. Ik vond het ook doodnormaal. Alsof ik elke dag ontwaakte in een kamer die ik niet ken, bedekt met zweren en etterende wonden vol wormen. Misschien kon ik wel vrienden worden met de wormen. Dan zou ik ze allemaal een naam geven en tellen wanneer ik er eentje niet meer zag. Zouden de wormen dat willen? Zouden ze dat op prijs stellen? Ik vroeg ze maar niets. Het idee dat ze niets zouden zeggen en onverstoorbaar door zouden eten was te groot. Daarbij eten ze van mijn vlees. Ik denk niet dat ze het op prijs stellen als hun voedsel ze namen gaat geven. Of vrienden met ze zou willen worden. Het zou hetzelfde zijn als wortels die een vriendschap met mij willen aanknopen. Ik hou van wortelen, maar ik wil er geen vrienden mee worden. De wormen zouden vast dezelfde mening toegedaan zijn. Ik besloot ze maar niets te vragen en ze rustig te laten eten. Ze hadden nog genoeg te gaan. Als ik het een beetje goed speelde kon ik de etterende wonden op mijn lichaam veel groter laten worden en ze van meer dood vlees voorzien. Wormen houden van dood vlees, zoveel wist ik wel van wormen.
Mijn benen waren het ergste. Daar zaten echt grote plekken. Ze stonken ook een beetje. Een weeïge geur van verrotting en pus. Voorzichtig porde ik met een vinger in zo'n gat. Pijn schoot door mijn been omhoog. Ik had net zo goed met een gloeiend hete naald in mijn been kunnen steken, dat zou dezelfde pijn opleveren. Waarom deed ik dat ook? Enkele wormen vielen uit de wond, terwijl ik mijn hand weer terugtrok. Ze vielen op de vieze betonnen vloer waar ik op lag. Zal ik ze oprapen? Ik vroeg het mijzelf af en stak mijn hand al uit naar enkele wormen die op de grond lagen. Tussen duim en wijsvinger probeerde ik het kronkelende diertje op te rapen, maar ik drukte het fijn. Het was op slag dood. Een platte, natte massa tussen mijn vingers. Ik had een worm doodgemaakt! Een vriendje van mij.
Tranen welde op in mijn ogen. Ik wilde dat ze zouden leven. Dat ze eeuwig zouden doorleven op mijn dode vlees, dat ze mijn levende vlees van mijn botten zouden eten. Ik wilde één worden met de wormen op mijn lichaam. Als ik geen vrienden met ze kon worden, omdat ik hun voedsel ben dan wilde ik eeuwig in ze leven. Eerst in hun maag, waar mijn vlees verder verteerd zou worden. Daarna als moleculen die de levende organisme die ze zijn voedde. Ik wilde dat, maar daarnet had ik er al één vermoord. Ik zou nooit meer opgenomen kunnen worden in zijn fascinerende wereld. Nooit meer kon ik tot voedsel dienen voor die worm. Ik huilde onbedaarlijk. Met lange uithalen en een half-geschreeuw gaf ik gehoor aan mijn verdriet. De wormen bleven onverstoorbaar dooreten van mijn vlees. Daarom hield ik van ze. Ze aten door, ondanks alles wat ik ze kon aandoen.
Ik ging weer liggen en sloot mijn ogen. De wormen mochten mij hebben. Ik was hun voedsel en voedsel hoort niet te huilen, te denken of te bewegen. "Eet mij, wormen, eet mij" mompelde ik in mijzelf. En ik was volmaakt gelukkig. De volgende dag ontwaakte ik weer in dezelfde kamer. Er was nog niets veranderd, ik was alleen een klein beetje geslonken. De wormen deden hun werk goed. Ze aten hun buikjes rond van mijn vlees. Eet maar, wormen.
Ik tilde een arm op. Verschillende wormpjes vielen op de grond, terwijl er evenzoveel aan mijn arm bleven kleven. Ze bleven bewegen, zoeken en zichzelf voeden met mijn etterend vlees. Ik keek naar enkele wormen op mijn hand. Kleine, witte wezentjes. Gelijkvormige ringen vormde hun lichaam, mooie segmenten zoals je ook op regenwormen ziet. Hun kop iets donkerder gekleurd dan de rest van het lichaam en constant de omgeving aftastende. De hele tijd bewogen ze, nooit stil zitten tot ze eindelijk bij een open plek op mijn huid aangekomen waren en ze zichzelf naar binnen bewogen. Alleen in deze kleine poeltjes van pus, drek en verdund bloed waren ze rustig. Ik zou bijna zeggen dat ze het gebruikten als zwembad als ik niet wist dat ze mijn vlees aan het opeten waren. Nu nog het dode vlees dat zich rond de etterende gaten bevond, maar als dat op raakte begonnen ze vast aan het levende spul. Vreemd genoeg voelde ik geen angst, alleen een fascinatie voor de kleine wormpjes die in de etterende wonden rondscharrelde.
Ik wist niet hoe ik hier gekomen was of waarom mijn lichaam eruit zag zoals het er nu voorlag. Alles wat ik zag aanvaarde ik alsof het normaal was. Ik vond het ook doodnormaal. Alsof ik elke dag ontwaakte in een kamer die ik niet ken, bedekt met zweren en etterende wonden vol wormen. Misschien kon ik wel vrienden worden met de wormen. Dan zou ik ze allemaal een naam geven en tellen wanneer ik er eentje niet meer zag. Zouden de wormen dat willen? Zouden ze dat op prijs stellen? Ik vroeg ze maar niets. Het idee dat ze niets zouden zeggen en onverstoorbaar door zouden eten was te groot. Daarbij eten ze van mijn vlees. Ik denk niet dat ze het op prijs stellen als hun voedsel ze namen gaat geven. Of vrienden met ze zou willen worden. Het zou hetzelfde zijn als wortels die een vriendschap met mij willen aanknopen. Ik hou van wortelen, maar ik wil er geen vrienden mee worden. De wormen zouden vast dezelfde mening toegedaan zijn. Ik besloot ze maar niets te vragen en ze rustig te laten eten. Ze hadden nog genoeg te gaan. Als ik het een beetje goed speelde kon ik de etterende wonden op mijn lichaam veel groter laten worden en ze van meer dood vlees voorzien. Wormen houden van dood vlees, zoveel wist ik wel van wormen.
Mijn benen waren het ergste. Daar zaten echt grote plekken. Ze stonken ook een beetje. Een weeïge geur van verrotting en pus. Voorzichtig porde ik met een vinger in zo'n gat. Pijn schoot door mijn been omhoog. Ik had net zo goed met een gloeiend hete naald in mijn been kunnen steken, dat zou dezelfde pijn opleveren. Waarom deed ik dat ook? Enkele wormen vielen uit de wond, terwijl ik mijn hand weer terugtrok. Ze vielen op de vieze betonnen vloer waar ik op lag. Zal ik ze oprapen? Ik vroeg het mijzelf af en stak mijn hand al uit naar enkele wormen die op de grond lagen. Tussen duim en wijsvinger probeerde ik het kronkelende diertje op te rapen, maar ik drukte het fijn. Het was op slag dood. Een platte, natte massa tussen mijn vingers. Ik had een worm doodgemaakt! Een vriendje van mij.
Tranen welde op in mijn ogen. Ik wilde dat ze zouden leven. Dat ze eeuwig zouden doorleven op mijn dode vlees, dat ze mijn levende vlees van mijn botten zouden eten. Ik wilde één worden met de wormen op mijn lichaam. Als ik geen vrienden met ze kon worden, omdat ik hun voedsel ben dan wilde ik eeuwig in ze leven. Eerst in hun maag, waar mijn vlees verder verteerd zou worden. Daarna als moleculen die de levende organisme die ze zijn voedde. Ik wilde dat, maar daarnet had ik er al één vermoord. Ik zou nooit meer opgenomen kunnen worden in zijn fascinerende wereld. Nooit meer kon ik tot voedsel dienen voor die worm. Ik huilde onbedaarlijk. Met lange uithalen en een half-geschreeuw gaf ik gehoor aan mijn verdriet. De wormen bleven onverstoorbaar dooreten van mijn vlees. Daarom hield ik van ze. Ze aten door, ondanks alles wat ik ze kon aandoen.
Ik ging weer liggen en sloot mijn ogen. De wormen mochten mij hebben. Ik was hun voedsel en voedsel hoort niet te huilen, te denken of te bewegen. "Eet mij, wormen, eet mij" mompelde ik in mijzelf. En ik was volmaakt gelukkig. De volgende dag ontwaakte ik weer in dezelfde kamer. Er was nog niets veranderd, ik was alleen een klein beetje geslonken. De wormen deden hun werk goed. Ze aten hun buikjes rond van mijn vlees. Eet maar, wormen.
24 juli 2014
De man op het plafond
Midden in de nacht ontdekte ik een stip op het plafond. Het was weer zo'n nacht waarop ik niet kon slapen en doelloos mijn blik over de witte oppervlakte boven mijn hoofd liet gaan. Doelloos tot ik de stip ontdekte, gisteren was deze er nog niet. Dat wist ik zeker, gisteren had ik in precies dezelfde houding gelegen en op precies dezelfde manier het plafond bekeken. Ik keek naar de stip en vroeg mij af hoe deze daar kon ontstaan in slechts één dag. Een vlek op de witte hel van het plafond komt niet uit de lucht vallen, dat wist ik zeker. Dat weet iedereen en daarom staarde ik naar de stip. Ik kon het niet verklaren.
Terwijl ik aan de stip lag te denken liet ik mijn blik verder over het plafond gaan. Misschien waren er meer onverklaarbare vlekken op het plafond. Misschien was er zelfs een patroon te vinden, iets dat een verklaring kon geven voor de vlek in de witheid. Ik dacht aan vliegen en de ranzige dingen waar zij wel eens instaan. Het kon heel goed dat er een vlieg over het plafond gekropen was, een vlieg die niet lang daarvoor in de modder had gestaan. Ik achte het mogelijk, maar er waren geen andere vlekken te vinden. Alleen die ene vlek, die plek in de witheid.
Ik ging met mijn blik weer terug naar de vlek en zag tot mijn grote schrik dat het groter geworden was. Waar het eerst een stip was prijkte nu een klein silhouet van een persoon. Tenminste ik kon er een persoon uithalen. Benen, schouders, een minuscuul hoofd. Het leek net een persoon. Iets wat onmogelijk was, nog geen seconden geleden was het een klein vlekje geweest. Niets meer dan een vliegenpoepje in een eindeloos veld wit. En nu... nu was het een klein poppetje geworden. Ik kon het nog bedekken met mijn duim als ik mijn hand uitstak, maar ik hield mijn handen onder de dekens. Ik sloot mijn ogen.
Toen ik ze weer opende was de vlek nog groter. Het silhouet was uitgegroeid tot de grote van een kleine pop, maar dan een pop die geen kind zou willen hebben. Zwarte kleren, een zwarte hoed die een donkere schaduw over het gezicht trok en een stok in de linkerhand. Het was een man, zoveel kon ik ontwaren van het silhouet op het plafond. Onder zijn rechterarm zat iets geklemd. Iets groots, maar wel iets dat hij met één arm kon vasthouden. Ik ging ervan uit dat het niet zwaar zal zijn, al wist ik niet wat het was. Wat het ook was ik durfde mijn ogen niet meer van het silhouet op het plafond te halen. Als ik even niet keek werd het groter en groter en straks was het zo groot dat.. Ik wilde daar niet eens aan denken. Het enige wat ik nog kon was staren naar het silhouet boven mij. Naar de man op het plafond.
Bewoog hij nu? Zag ik het goed dat hij bewogen had? Ik dacht dat hij de arm waar hij de stok had bewoog, maar ik wist het niet zeker. Het idee dat er een man groeide uit een klein vlekje was al gekmakend, het idee dat deze man ook nog zou bewegen was mij teveel. Ik besloot dat hij niet bewogen had. Met mijn linkerhand wreef ik even in mijn ogen. Niet meer dan een seconde waren ze gesloten. De man was nog dichterbij gekomen. Ik kon hem nu duidelijk zien. Zijn priemende ogen die in de schaduw van zijn hoed lagen. Vlassig haar dat een pokdalig gezicht omlijst, een lange zwarte oliejas. Zware laarzen en de stok in zijn hand was geen stok. Het was een machete, een lang mes aan een nog langer handvat. Touw was om het handvat en de hand die het vasthield gebonden. Het mes, de machete leek hierdoor onlosmakelijk met zijn arm verbonden te zijn. Alsof hij zijn arm wilde verlengen met een scherp voorwerp. Nu kon ik ook zien dat hij onder zijn andere arm een schaap vasthield. Het beest was iets ouder dan een lam, maar jonger dan een volwassen schaap. Het beest was ooit hagelwit, maar zat vol met modder en vieze vlekken.
Niets bewoog. De man keek mij alleen aan, zoals het schaap onder zijn armen mij ook aankeken.
Het tafereel op het plafond was nu groter dan mijn been en ik voelde de angst omhoog kruipen in mijn lichaam. Het nam de plaats van verbazing in, de opperste verbazing die ik eerst voelde werd steeds meer vervangen door doodsangst. Ik weet niet wie deze man was. Ik wist niet eens waarom hij op mijn plafond verschenen was, maar hij joeg mij angst aan. Heel veel angst. Dit ging veel verder dan iets dat leek op een geestverschijning. Dit was veel meer. Ik mocht mijn ogen niet meer van hem afhalen. Ik moest blijven kijken. Nog één keer wegkijken en wie weet wat er zou gebeuren. Ik wilde het niet weten.
Zo lag ik daar in bed. Omhoog starend in de priemende blik van de man op het plafond. Ik voelde de intelligentie in zijn ogen. Het schaap voelde ik ook kijken. "Mooie patstelling" mompelde ik in mijzelf. "En nu..?" Ik bleef liggen. Meer kon ik ook niet doen. Liggen en staren.
Het staren hield ik goed vol, dacht ik. Nog geen vijf minuten later knipperde ik met mijn ogen. Slechts één keer en het duurde niet meer dan een fractie van een seconde. Ik knipperde en keek omhoog naar mijn normale witte plafond. De man was verdwenen. Het schaap was verdwenen. Er was helemaal niets meer, niets meer dan een leeg plafond. De normale witheid die je bij iedereen op het plafond ziet. Mijn hart bonsde in mijn keel. Zou hij verdwenen zijn of nog veel erger...
"Hallo.." sprak een zware, raspende stem naast mij. Ik voelde zijn adem op mijn gezicht en rook de geur van het schaap. Langzaam draaide ik mijn hoofd om naast mij te kijken. Het laatste wat ik zag waren de ontblootte tanden van de man en de glinstering van een machete die mijn lichaam doorboort.
"Halloo.." zei hij nogmaals.
Terwijl ik aan de stip lag te denken liet ik mijn blik verder over het plafond gaan. Misschien waren er meer onverklaarbare vlekken op het plafond. Misschien was er zelfs een patroon te vinden, iets dat een verklaring kon geven voor de vlek in de witheid. Ik dacht aan vliegen en de ranzige dingen waar zij wel eens instaan. Het kon heel goed dat er een vlieg over het plafond gekropen was, een vlieg die niet lang daarvoor in de modder had gestaan. Ik achte het mogelijk, maar er waren geen andere vlekken te vinden. Alleen die ene vlek, die plek in de witheid.
Ik ging met mijn blik weer terug naar de vlek en zag tot mijn grote schrik dat het groter geworden was. Waar het eerst een stip was prijkte nu een klein silhouet van een persoon. Tenminste ik kon er een persoon uithalen. Benen, schouders, een minuscuul hoofd. Het leek net een persoon. Iets wat onmogelijk was, nog geen seconden geleden was het een klein vlekje geweest. Niets meer dan een vliegenpoepje in een eindeloos veld wit. En nu... nu was het een klein poppetje geworden. Ik kon het nog bedekken met mijn duim als ik mijn hand uitstak, maar ik hield mijn handen onder de dekens. Ik sloot mijn ogen.
Toen ik ze weer opende was de vlek nog groter. Het silhouet was uitgegroeid tot de grote van een kleine pop, maar dan een pop die geen kind zou willen hebben. Zwarte kleren, een zwarte hoed die een donkere schaduw over het gezicht trok en een stok in de linkerhand. Het was een man, zoveel kon ik ontwaren van het silhouet op het plafond. Onder zijn rechterarm zat iets geklemd. Iets groots, maar wel iets dat hij met één arm kon vasthouden. Ik ging ervan uit dat het niet zwaar zal zijn, al wist ik niet wat het was. Wat het ook was ik durfde mijn ogen niet meer van het silhouet op het plafond te halen. Als ik even niet keek werd het groter en groter en straks was het zo groot dat.. Ik wilde daar niet eens aan denken. Het enige wat ik nog kon was staren naar het silhouet boven mij. Naar de man op het plafond.
Bewoog hij nu? Zag ik het goed dat hij bewogen had? Ik dacht dat hij de arm waar hij de stok had bewoog, maar ik wist het niet zeker. Het idee dat er een man groeide uit een klein vlekje was al gekmakend, het idee dat deze man ook nog zou bewegen was mij teveel. Ik besloot dat hij niet bewogen had. Met mijn linkerhand wreef ik even in mijn ogen. Niet meer dan een seconde waren ze gesloten. De man was nog dichterbij gekomen. Ik kon hem nu duidelijk zien. Zijn priemende ogen die in de schaduw van zijn hoed lagen. Vlassig haar dat een pokdalig gezicht omlijst, een lange zwarte oliejas. Zware laarzen en de stok in zijn hand was geen stok. Het was een machete, een lang mes aan een nog langer handvat. Touw was om het handvat en de hand die het vasthield gebonden. Het mes, de machete leek hierdoor onlosmakelijk met zijn arm verbonden te zijn. Alsof hij zijn arm wilde verlengen met een scherp voorwerp. Nu kon ik ook zien dat hij onder zijn andere arm een schaap vasthield. Het beest was iets ouder dan een lam, maar jonger dan een volwassen schaap. Het beest was ooit hagelwit, maar zat vol met modder en vieze vlekken.
Niets bewoog. De man keek mij alleen aan, zoals het schaap onder zijn armen mij ook aankeken.
Het tafereel op het plafond was nu groter dan mijn been en ik voelde de angst omhoog kruipen in mijn lichaam. Het nam de plaats van verbazing in, de opperste verbazing die ik eerst voelde werd steeds meer vervangen door doodsangst. Ik weet niet wie deze man was. Ik wist niet eens waarom hij op mijn plafond verschenen was, maar hij joeg mij angst aan. Heel veel angst. Dit ging veel verder dan iets dat leek op een geestverschijning. Dit was veel meer. Ik mocht mijn ogen niet meer van hem afhalen. Ik moest blijven kijken. Nog één keer wegkijken en wie weet wat er zou gebeuren. Ik wilde het niet weten.
Zo lag ik daar in bed. Omhoog starend in de priemende blik van de man op het plafond. Ik voelde de intelligentie in zijn ogen. Het schaap voelde ik ook kijken. "Mooie patstelling" mompelde ik in mijzelf. "En nu..?" Ik bleef liggen. Meer kon ik ook niet doen. Liggen en staren.
Het staren hield ik goed vol, dacht ik. Nog geen vijf minuten later knipperde ik met mijn ogen. Slechts één keer en het duurde niet meer dan een fractie van een seconde. Ik knipperde en keek omhoog naar mijn normale witte plafond. De man was verdwenen. Het schaap was verdwenen. Er was helemaal niets meer, niets meer dan een leeg plafond. De normale witheid die je bij iedereen op het plafond ziet. Mijn hart bonsde in mijn keel. Zou hij verdwenen zijn of nog veel erger...
"Hallo.." sprak een zware, raspende stem naast mij. Ik voelde zijn adem op mijn gezicht en rook de geur van het schaap. Langzaam draaide ik mijn hoofd om naast mij te kijken. Het laatste wat ik zag waren de ontblootte tanden van de man en de glinstering van een machete die mijn lichaam doorboort.
"Halloo.." zei hij nogmaals.
21 juli 2014
De dag dat ik Bassie ontmoette
Iedereen heeft wel herinneringen aan zijn jeugd waarmee je met weemoed en misschien zelfs met een lichte agressie aan terugdenkt. Ik ben hier echt niet anders is. Ook ik heb deze herinneringen. Gebeurtenissen die een onuitwisbare indruk hebben achtergelaten op mijn ontspruitende kinderziel en waar ik met gepaste kwaadheid aan terugdenk. Niet dat ik nog enig idee heb op welke leeftijd deze gebeurtenissen plaatsvonden. Ik ben dusdanig gehandicapt met tijd dat ik denk dat elke gebeurtenis uit mijn jeugd rond mijn tiende plaatsvond. Mijn ontmoeting met clown Bassie laat ik in mijn hoofd ook altijd rond mijn tiende levensjaar plaatsvinden, maar het zou net zo goed enkele jaren later geweest kunnen zijn.
De enige zekerheid die ik heb was dat ik op een leeftijd was dat ik er alleen op uit mocht gaan. Mijn moeder had geen behoefte meer precies te weten waar ik elk moment van de dag was. Ik mocht gaan en staan waar ik wilde, zolang ik op tijd thuis was voor het eten. Die dag was niet anders dan ander. Een zomerse dag waarbij het zonnetje genoeg warmte afgaf om mijn jas thuis te laten. Het enige wat deze dag anders maakte was het neerstrijken van het Bassie & Adriaan circus in het dorp waar ik opgroeide. Ik kan mij nog goed herinneren dat de eerste aankondigingsborden in het straatbeeld verschenen. "Bassie en Adriaan komen naar het dorp" stond er in knalrode en gele letters boven de gezichten van die clown en acrobaat en in iets kleinere belettering de datum waarop het zou plaatsvinden. Het gonsde door het dorp, kinderen keken uit naar de dag dat het circus eindelijk arriveerde. Mijn beste vriend en ik waren hier geen uitzondering op. Elke dag keken we op de kalender hoe lang het nog duurde voordat het circus opgezet zou gaan worden. Elke dag zeurde we bij onze ouders of we alsjeblieft naar de voorstelling gingen en elke dag kregen we een "nee" te horen. Het circus was te duur, mijn moeder hield niet van het circus, er moest melk gehaald worden die dag.. Elke dag was er wel een reden voor onze ouders om absoluut niet naar het circus van Bassie & Adriaan te gaan. Ze waren niet te vermurwen. Zelfs dagelijks proberen de begintune van Bassie & Adriaan op televisie te krijgen mocht niet baten. Er werd niet geluisterd, onze ouders weigerden ons mee te nemen naar het circus.
De dag dat het circus in het dorp zou arriveren waren we ook voor dag en dauw op. Al kan ik dat eigenlijk alleen voor mijzelf zeggen. Of mijn beste vriend het was weet ik niet, maar ik vermoed het wel. Gespannen at ik mijn boterhammen op en wachtte tot het tijd was om naar buiten te gaan. Dat ik naar buiten mocht gaan van mijn moeder, wat enkele uren later het geval was. Ik rende de achterdeur uit, zonder jas of enig ander onnodig materieel en spoedde mij naar mijn beste vriend. Hij woonde schuin tegenover mij en zat te wachten tot ik hem kwam ophalen. Ik hoefde niet, zoals gewoonlijk te wachten tot hij zijn schoenen aandeed. Zodra hij mij in hun voortuin zag verschijnen sprong hij op van de bank, zwaaide hard naar mij en rende de deur uit. We voelden beide die gezonde spanning wanneer je iets gaat doen dat je al weken wil doen. Ook de hoop dat we onze jeugdhelden van televisie te zien konden krijgen deed een duit in dit zakje.
"Gaan we fietsen of lopend?" vroeg mijn vriend. Ik haalde mijn schouders op. Het circus stond op het oude voetbalterrein en op zich was het niet heel ver weg. Beide opties waren mogelijk. Uiteindelijk werd het fietsen. We wilden er toch zo snel mogelijk zijn, want misschien zagen we Bassie en Adriaan zelf wel lopen. Hoe ontzettend stoer zou dat zijn. De rit ernaar toe vloog als een waas voorbij. De spanning trapten we weg, onze voeten zwoegden op de pedalen. Tussen de bomen konden we de caravans, de woonwagens en de vorm van de circustent al zien. Het was waar, het circus was in het dorp gearriveerd. We trapten het laatste stukje iets harder en gooiden onze fietsen bij het begin van het terrein neer. Met open mond keken we naar de bedrijvigheid die er niet was. Het terrein lag er verlaten bij. De caravans in de ene hoek geplaatst, de tent zelf in het midden en enkele woonwagens (waarschijnlijk met spullen en materieel) daar vlak naast. Er gebeurde verder niets. De circustent stond fier omhoog op het terrein. Die grote blauwe koepel was waar het allemaal zou gaan gebeuren. Voor de ingang stond een klein hokje, duidelijk de kassa, met daarvoor een groot aanplakbord. De aanvangstijden voor vandaag stonden erop en natuurlijk dat we hier te maken hadden met het echte Bassie & Adriaan circus. Verrukt liepen we het terrein op.
"Zouden ze ook wilde dieren hebben?" vroeg ik aan mij vriend. Hij wist het niet, maar we zouden het gaan zien. Ik gokte dat we bij de woonwagens meer geluk zouden hebben. De caravans waar de circusmensen sliepen lieten we links liggen. Daar zou vast niets interessants gebeuren en we durfden daar ook niet te komen. Straks kregen we het aan de stok met een circusartiest. Ik keek wel beter uit, ik had de verhalen gehoord en gezien wat kinderen kon overkomen in circussen in vele kinderfilms. Het was beter voorzichtig te zijn, dan aan je ouders uitleggen wat er gebeurt was. Bij de woonwagens was niets interessants te zien. Eén stond open en binnen konden we een hoop touwen, houten planken en iets dat het meeste op een stapel emmers leek zien. Verder was er geen wild dier te zien. Alleen paarden die achter de woonwagens opgesteld waren. Mooie witte paarden en een bruin-gevlekte. Er stond iemand bij de paarden, dus wij liepen niet verder. Het was nog steeds beter om zoveel mogelijk ongezien te blijven, al wisten we niet goed waarom. Terwijl we daar stonden, tussen de woonwagens en wat uitgestald materieel vonden we het toch wat saai. Er gebeurde helemaal niets.
We besloten naar de circustent zelf te gaan. Niet de voorkant, want daar was toch niets te zien behalve een kassahokje en een aanplakbiljet. Wij gingen naar de achterzijde. De zogenaamde artiesten-ingang in de hoop een glimp van Bassie of Adriaan op te vangen. Of misschien nog wel beter, van allebei. Dat was toch de ultieme droom en de reden dat we het circusterrein waren opgelopen. We liepen richting de tent en zorgden dat we niet teveel in de gaten liepen. Vogels floten en de wind waaide zachtjes tussen de bladeren. Onze voetstappen werd gesmoord in het gras. Om ons heen heerste rust en de lome warmte van een normale zomerdag maakte het tot een perfect moment. We liepen op de tent heen. Intussen keken we of er een mogelijkheid was om naar binnen te glippen, want het mooiste zou zijn om de voorstelling te kunnen zien. Onze ouders wilde misschien niet, maar wij wilden heel graag naar de voorstelling van Bassie & Adriaan kijken. Onze wens werd niet beloond. De tent zat beter dicht dan fort Knox. Niet dat wij op dat moment ooit van fort Knox gehoord hadden, maar we kwamen met geen mogelijkheid ongezien die tent binnen. Er zat niets anders op dan bij de artiesten-ingang te gaan rondhangen en hopen dat één van onze jeugdhelden langskwam lopen. Misschien kregen we wel een handtekening..
De artiesten-ingang was niet meer dan een grote openstaande tentflap. Binnenin was het donker. Het licht drong niet heel veel door naar binnen. Vaag kon ik de banken onderscheiden waar je als publiek op kon zitten, maar dat kan ik ook zelf bedacht hebben. Het was echt flink donker daar binnen. Mijn hart klopte in mijn keel. Wat als Bassie of Adriaan daar binnen staat, in het donker en ons ziet staan. Wat zouden ze doen? Ze konden daar gewoon staan, terwijl wij nog van niets wisten. Dit was best wel spannend. Ik zei ook tegen mijn vriend dat we niet recht voor de ingang moesten gaan staan. Dat zouden de mensen van het circus namelijk niet op prijs stellen. Dan zouden we in de weg staan en zeker weggestuurd worden. Hij was het met mij eens, dus bleven we een beetje aan de rand rondhangen.
Een kwartier lang gebeurde er helemaal niets. Ik zag een dwerg voorbij lopen, die ik aanwees aan mijn vriend. De dwerg keek ons aan, maar deed verder niets. Hij liep alleen langs, in de richting van de caravans waarvan we vermoedde dat de circus-artiesten woonden. Het was de allereerste dwerg die we ooit zagen. Ik had werkelijk nog nooit iemand gezien die volwassen was en veel kleiner dan mij. Ik keek hem ook helemaal na tot hij in een van de caravans verdween. Vijf minuten gingen voorbij zonder dat er iets veranderde.
Ik keek de duisternis van de circustent weer in, in de hoop dat Bassie of Adriaan (of beide) naar buiten zouden lopen. Mijn vriend stootte mij aan. "Daar is die dwerg weer" siste hij. De dwerg had zich opgekleed. Hij droeg een blauwe clownsbroek en felgele bretels over een wit hemdje. Hij keek weer onze richting op. Wij keken hem na hoe hij deze keer tussen de woonwagens en het materieel verdween. Nog voordat hij goed en wel verdwenen was klonk er een geschreeuw tussen de woonwagens. "Wat doen jullie daar?" brulde een mannenstem. "Hee, kloteventjes! Ik heb het tegen jullie. Wat moeten jullie daar?" Een dikkige man met rozig haar stormde op ons af. Mijn vriend herkende hem in eerste instantie niet, maar ik zag gelijk dat het clown Bassie was. Alleen had hij geen make-up of niets op. Hij droeg zelfs zijn karakteristieke rode-gele pak niet, maar het was onmiskenbaar Bassie. "Godverdomme, kloterige kutventjes! Jullie zoeken zeker een manier om gratis naar binnen te komen? Jullie kut-kinderen zijn allemaal hetzelfde!" Briesend kwam hij dichterbij. Ik wilde er nog iets tegenin brengen. Zeggen dat we voor hem kwamen, graag een handtekening wilde, maar zijn ogen schoten vuur. Mijn vriend trok aan mij arm. "Wegwezen hier. Die vent is echt kwaad" Ik knikte en we renden weg. "Ja, ren maar weg! Kutkinderen!" brieste Bassie verder. "Als ik jullie te pakken had gekregen had je zo'n ongenadige lading schoppen voor je reet gekregen dat je drie dagen niet kon zitten. Opsodemieteren!" Met die woorden draaide Bassie zich weer om en liep terug naar de verzameling woonwagens.
Wij keken niet meer om. We renden van het terrein af, pakten onze fietsen en reden naar huis. "Wat een eikel" zei mijn vriendje. "Weet je wie dat was?!" antwoordde ik. Hij schudde van nee. "Bassie! Dat was Bassie!" zei ik vol ongeloof. Hoe kon een grote kindervriend, onze held op televisie zo'n ontzettende hork zijn? Ik wist één ding, Bassie en Adriaan waren van hun voetstuk gevallen. Ze zouden nooit meer mijn televisiehelden zijn en ik keek er ook nooit meer naar. Nooit meer heb ik iemand tot een held uitgeroepen en in stilte hoopten we dat Bassie heel snel doodging. Alleen is hij dat nooit gegaan. Ik geloof dat hij nog steeds leeft, die stomme nep-clown.
De enige zekerheid die ik heb was dat ik op een leeftijd was dat ik er alleen op uit mocht gaan. Mijn moeder had geen behoefte meer precies te weten waar ik elk moment van de dag was. Ik mocht gaan en staan waar ik wilde, zolang ik op tijd thuis was voor het eten. Die dag was niet anders dan ander. Een zomerse dag waarbij het zonnetje genoeg warmte afgaf om mijn jas thuis te laten. Het enige wat deze dag anders maakte was het neerstrijken van het Bassie & Adriaan circus in het dorp waar ik opgroeide. Ik kan mij nog goed herinneren dat de eerste aankondigingsborden in het straatbeeld verschenen. "Bassie en Adriaan komen naar het dorp" stond er in knalrode en gele letters boven de gezichten van die clown en acrobaat en in iets kleinere belettering de datum waarop het zou plaatsvinden. Het gonsde door het dorp, kinderen keken uit naar de dag dat het circus eindelijk arriveerde. Mijn beste vriend en ik waren hier geen uitzondering op. Elke dag keken we op de kalender hoe lang het nog duurde voordat het circus opgezet zou gaan worden. Elke dag zeurde we bij onze ouders of we alsjeblieft naar de voorstelling gingen en elke dag kregen we een "nee" te horen. Het circus was te duur, mijn moeder hield niet van het circus, er moest melk gehaald worden die dag.. Elke dag was er wel een reden voor onze ouders om absoluut niet naar het circus van Bassie & Adriaan te gaan. Ze waren niet te vermurwen. Zelfs dagelijks proberen de begintune van Bassie & Adriaan op televisie te krijgen mocht niet baten. Er werd niet geluisterd, onze ouders weigerden ons mee te nemen naar het circus.
De dag dat het circus in het dorp zou arriveren waren we ook voor dag en dauw op. Al kan ik dat eigenlijk alleen voor mijzelf zeggen. Of mijn beste vriend het was weet ik niet, maar ik vermoed het wel. Gespannen at ik mijn boterhammen op en wachtte tot het tijd was om naar buiten te gaan. Dat ik naar buiten mocht gaan van mijn moeder, wat enkele uren later het geval was. Ik rende de achterdeur uit, zonder jas of enig ander onnodig materieel en spoedde mij naar mijn beste vriend. Hij woonde schuin tegenover mij en zat te wachten tot ik hem kwam ophalen. Ik hoefde niet, zoals gewoonlijk te wachten tot hij zijn schoenen aandeed. Zodra hij mij in hun voortuin zag verschijnen sprong hij op van de bank, zwaaide hard naar mij en rende de deur uit. We voelden beide die gezonde spanning wanneer je iets gaat doen dat je al weken wil doen. Ook de hoop dat we onze jeugdhelden van televisie te zien konden krijgen deed een duit in dit zakje.
"Gaan we fietsen of lopend?" vroeg mijn vriend. Ik haalde mijn schouders op. Het circus stond op het oude voetbalterrein en op zich was het niet heel ver weg. Beide opties waren mogelijk. Uiteindelijk werd het fietsen. We wilden er toch zo snel mogelijk zijn, want misschien zagen we Bassie en Adriaan zelf wel lopen. Hoe ontzettend stoer zou dat zijn. De rit ernaar toe vloog als een waas voorbij. De spanning trapten we weg, onze voeten zwoegden op de pedalen. Tussen de bomen konden we de caravans, de woonwagens en de vorm van de circustent al zien. Het was waar, het circus was in het dorp gearriveerd. We trapten het laatste stukje iets harder en gooiden onze fietsen bij het begin van het terrein neer. Met open mond keken we naar de bedrijvigheid die er niet was. Het terrein lag er verlaten bij. De caravans in de ene hoek geplaatst, de tent zelf in het midden en enkele woonwagens (waarschijnlijk met spullen en materieel) daar vlak naast. Er gebeurde verder niets. De circustent stond fier omhoog op het terrein. Die grote blauwe koepel was waar het allemaal zou gaan gebeuren. Voor de ingang stond een klein hokje, duidelijk de kassa, met daarvoor een groot aanplakbord. De aanvangstijden voor vandaag stonden erop en natuurlijk dat we hier te maken hadden met het echte Bassie & Adriaan circus. Verrukt liepen we het terrein op.
"Zouden ze ook wilde dieren hebben?" vroeg ik aan mij vriend. Hij wist het niet, maar we zouden het gaan zien. Ik gokte dat we bij de woonwagens meer geluk zouden hebben. De caravans waar de circusmensen sliepen lieten we links liggen. Daar zou vast niets interessants gebeuren en we durfden daar ook niet te komen. Straks kregen we het aan de stok met een circusartiest. Ik keek wel beter uit, ik had de verhalen gehoord en gezien wat kinderen kon overkomen in circussen in vele kinderfilms. Het was beter voorzichtig te zijn, dan aan je ouders uitleggen wat er gebeurt was. Bij de woonwagens was niets interessants te zien. Eén stond open en binnen konden we een hoop touwen, houten planken en iets dat het meeste op een stapel emmers leek zien. Verder was er geen wild dier te zien. Alleen paarden die achter de woonwagens opgesteld waren. Mooie witte paarden en een bruin-gevlekte. Er stond iemand bij de paarden, dus wij liepen niet verder. Het was nog steeds beter om zoveel mogelijk ongezien te blijven, al wisten we niet goed waarom. Terwijl we daar stonden, tussen de woonwagens en wat uitgestald materieel vonden we het toch wat saai. Er gebeurde helemaal niets.
We besloten naar de circustent zelf te gaan. Niet de voorkant, want daar was toch niets te zien behalve een kassahokje en een aanplakbiljet. Wij gingen naar de achterzijde. De zogenaamde artiesten-ingang in de hoop een glimp van Bassie of Adriaan op te vangen. Of misschien nog wel beter, van allebei. Dat was toch de ultieme droom en de reden dat we het circusterrein waren opgelopen. We liepen richting de tent en zorgden dat we niet teveel in de gaten liepen. Vogels floten en de wind waaide zachtjes tussen de bladeren. Onze voetstappen werd gesmoord in het gras. Om ons heen heerste rust en de lome warmte van een normale zomerdag maakte het tot een perfect moment. We liepen op de tent heen. Intussen keken we of er een mogelijkheid was om naar binnen te glippen, want het mooiste zou zijn om de voorstelling te kunnen zien. Onze ouders wilde misschien niet, maar wij wilden heel graag naar de voorstelling van Bassie & Adriaan kijken. Onze wens werd niet beloond. De tent zat beter dicht dan fort Knox. Niet dat wij op dat moment ooit van fort Knox gehoord hadden, maar we kwamen met geen mogelijkheid ongezien die tent binnen. Er zat niets anders op dan bij de artiesten-ingang te gaan rondhangen en hopen dat één van onze jeugdhelden langskwam lopen. Misschien kregen we wel een handtekening..
De artiesten-ingang was niet meer dan een grote openstaande tentflap. Binnenin was het donker. Het licht drong niet heel veel door naar binnen. Vaag kon ik de banken onderscheiden waar je als publiek op kon zitten, maar dat kan ik ook zelf bedacht hebben. Het was echt flink donker daar binnen. Mijn hart klopte in mijn keel. Wat als Bassie of Adriaan daar binnen staat, in het donker en ons ziet staan. Wat zouden ze doen? Ze konden daar gewoon staan, terwijl wij nog van niets wisten. Dit was best wel spannend. Ik zei ook tegen mijn vriend dat we niet recht voor de ingang moesten gaan staan. Dat zouden de mensen van het circus namelijk niet op prijs stellen. Dan zouden we in de weg staan en zeker weggestuurd worden. Hij was het met mij eens, dus bleven we een beetje aan de rand rondhangen.
Een kwartier lang gebeurde er helemaal niets. Ik zag een dwerg voorbij lopen, die ik aanwees aan mijn vriend. De dwerg keek ons aan, maar deed verder niets. Hij liep alleen langs, in de richting van de caravans waarvan we vermoedde dat de circus-artiesten woonden. Het was de allereerste dwerg die we ooit zagen. Ik had werkelijk nog nooit iemand gezien die volwassen was en veel kleiner dan mij. Ik keek hem ook helemaal na tot hij in een van de caravans verdween. Vijf minuten gingen voorbij zonder dat er iets veranderde.
Ik keek de duisternis van de circustent weer in, in de hoop dat Bassie of Adriaan (of beide) naar buiten zouden lopen. Mijn vriend stootte mij aan. "Daar is die dwerg weer" siste hij. De dwerg had zich opgekleed. Hij droeg een blauwe clownsbroek en felgele bretels over een wit hemdje. Hij keek weer onze richting op. Wij keken hem na hoe hij deze keer tussen de woonwagens en het materieel verdween. Nog voordat hij goed en wel verdwenen was klonk er een geschreeuw tussen de woonwagens. "Wat doen jullie daar?" brulde een mannenstem. "Hee, kloteventjes! Ik heb het tegen jullie. Wat moeten jullie daar?" Een dikkige man met rozig haar stormde op ons af. Mijn vriend herkende hem in eerste instantie niet, maar ik zag gelijk dat het clown Bassie was. Alleen had hij geen make-up of niets op. Hij droeg zelfs zijn karakteristieke rode-gele pak niet, maar het was onmiskenbaar Bassie. "Godverdomme, kloterige kutventjes! Jullie zoeken zeker een manier om gratis naar binnen te komen? Jullie kut-kinderen zijn allemaal hetzelfde!" Briesend kwam hij dichterbij. Ik wilde er nog iets tegenin brengen. Zeggen dat we voor hem kwamen, graag een handtekening wilde, maar zijn ogen schoten vuur. Mijn vriend trok aan mij arm. "Wegwezen hier. Die vent is echt kwaad" Ik knikte en we renden weg. "Ja, ren maar weg! Kutkinderen!" brieste Bassie verder. "Als ik jullie te pakken had gekregen had je zo'n ongenadige lading schoppen voor je reet gekregen dat je drie dagen niet kon zitten. Opsodemieteren!" Met die woorden draaide Bassie zich weer om en liep terug naar de verzameling woonwagens.
Wij keken niet meer om. We renden van het terrein af, pakten onze fietsen en reden naar huis. "Wat een eikel" zei mijn vriendje. "Weet je wie dat was?!" antwoordde ik. Hij schudde van nee. "Bassie! Dat was Bassie!" zei ik vol ongeloof. Hoe kon een grote kindervriend, onze held op televisie zo'n ontzettende hork zijn? Ik wist één ding, Bassie en Adriaan waren van hun voetstuk gevallen. Ze zouden nooit meer mijn televisiehelden zijn en ik keek er ook nooit meer naar. Nooit meer heb ik iemand tot een held uitgeroepen en in stilte hoopten we dat Bassie heel snel doodging. Alleen is hij dat nooit gegaan. Ik geloof dat hij nog steeds leeft, die stomme nep-clown.
10 juli 2014
Dood in de woning
Loom vloog de vlieg over zijn lichaam. Hij lag inmiddels drie dagen op z'n keukenvloer. Bewegingloos zoals iedereen doet die gestorven is aan een hartaanval. De vlieg had hem niet zien sterven. Of misschien wel, maar dat was niet bekend. De vlieg liet niets los over het verleden. Alleen wat er op dit moment gebeurde mochten we weten en de rest was niet belangrijk. Omzichtig landde de vlieg op zijn voorhoofd en deed een paar stapjes richting een wenkbrauw. Daar bleef de vlieg even zitten om in de pootjes te wrijven. Net alsof het een plan had, die verder niemand begreep of niemand te horen kreeg. Niet dat het belangrijk was. De vlieg was gekomen om nageslacht te maken. Het lichaam op de keukenvloer was hier uitermate geschikt voor.
Het voedsel dat hij gemaakt had voordat hij zijn fatale hartaanval kreeg lag nog onaangeroerd op zijn bord. Tenslotte wilde hij net gaan eten voordat het gebeurde. Was het een gelukkig toeval dat hij het bord net op tafel zette, waardoor het eten niet overal over de keukenvloer lag? Het was ergens wel prettig dat de vloer schoon gebleven was. Zijn lichaam was het enige dat er niet hoorde, maar er was geen reden om aan te nemen dat hij onder rommel zou vallen. Misschien later, als de ontbinding zou inzetten, maar dat was van latere zorg. Op dit moment lag hij er nog redelijk netjes bij. Drie dagen hadden er alleen voor gezorgd dat het bloed naar de onderkant van zijn lichaam was gezakt en zijn altijd bleke uiterlijk grauwer werd. Naast hem lag de stoel die hij vasthield toen de hartaanval hem overviel. De stoel was ook gevallen en lag als stille getuige naast hem. De poten zonder beschuldiging wijzend naar zijn lichaam.
De vlieg was weer opgestegen en vloog tussen de poten van de stoel door richting het raam. Zonlicht viel naar binnen tussen de geopende gordijnen. Enkele zonnestralen probeerde het lichaam op de grond te raken, maar ze kwam nog centimeters te kort. Pas over enkele uren zouden ze zijn voeten raken en ver over zijn benen kunnen trekken. Stof dwarrelde door de zonnestralen, waardoor het op kleine minuscule diamantjes leek. De vlieg lette er allemaal niet op. Die vloog wat rond en landde op de tafel, naast het bord met eten. De kippenpoot was volledig uitgedroogd en rook niet echt fris meer. De sperziebonen ernaast zagen er niet veel beter uit, net als de twee gekookte aardappels. Alles was ingedroogd en de eerste tekenen van bederf dienden zich aan. De vlieg vloog op en landde op de kippenpoot. Het liep enkele rondjes over de poot, om weer weg te vliegen. Even later vloog het tegen het keukenraam. Een zachte plok was het enige geluid dat in huis te horen was. Het zorgde dat de doodse stilte iets minder dood aanvoelde.
De nacht viel langzaam in. Duisternis kroop in de keuken. Bedekte alles op de grond in de zachte deken die het donker vormde. De ruimte verdween tot vage vormen grijs en nog meer schaduwen. De vlieg was verdwenen of zat ergens stil. Niets bewoog in de nacht. Stilte omringde hem. Zijn lichaam maakte het allemaal niets uit. Hij lag er goed. Binnenin waren bacteriën bezig het verderf van het vlees verder door te zetten. Een lichte geur van ontbinding steeg op, maar er was niemand om het te ruiken. Ook toen de geur de keuken gevuld had als een onzichtbare sluier was er niemand om het op te merken. De verrotting van zijn lichaam ging ongemerkt voorbij. De nacht werd weer dag, waarop weer een nieuwe nacht volgde en de dagen werden weken.
Hij merkte niet dat zijn lichaam opzwol door de verrotting. Maden kropen volledig onopgemerkt en zich volvreten door zijn vlees. Vliegen stegen op, vlogen door de keuken en tegen het raam. In de vensterbank lagen de dode broeders van de vliegen. Kleine herinneringen aan de vreetpartij op de grond. Niemand zag ze en stof daalde neer op ze. Het stof daalde overal op neer. Stof viel ook op hem neer, maar in de eerste weken verdween het onmiddellijk in de vloeistoffen die uit hem waren gelopen. Een grote vlek had zich gevormd onder hem. Het zeil onder en naast was hierdoor een klein beetje gaan bobbelen. Toen hij nog leefde was dit zeil zijn ziel en zaligheid. Hij was er zo trots op. Het zwart-wit geblokte zeil was op zich niets bijzonders. Iets wat je wel vaker in keukens zag, maar het was een wens van hem geweest. Als klein kind droomde hij al van een keuken met zwart-wit geblokt zeil. Dat was in zijn ogen het mooiste wat er was. Het moment dat hij het in zijn keuken legde was hij de gelukkigste man op aarde. Hij had het zeil gekoesterd en dagelijks gedweild. Elke dag zorgde dat het netjes eruit zag, geen kruimel liet hij er langer dan vijf minuten op liggen. Dat hij nu dood bovenop zijn geliefde zeil lag moest hem wel gelukkig maken, maar hij merkte het niet. Hij was gestopt met denken vanaf het moment dat zijn hart stopte met kloppen.
Het was ook maar goed dat hij het zeil niet meer kon zien. Hoe de vloeistoffen die uit zijn ontbindende lichaam waren gelopen een ontzettend vieze, nare vlek hadden gemaakt in de zwart-witte vlakken. Of hoe het zeil was gaan bobbelen door deze vochtigheid. Hij zou sterven van verdriet, als hij nog niet dood was geweest.
Het voedsel dat hij gemaakt had voordat hij zijn fatale hartaanval kreeg lag nog onaangeroerd op zijn bord. Tenslotte wilde hij net gaan eten voordat het gebeurde. Was het een gelukkig toeval dat hij het bord net op tafel zette, waardoor het eten niet overal over de keukenvloer lag? Het was ergens wel prettig dat de vloer schoon gebleven was. Zijn lichaam was het enige dat er niet hoorde, maar er was geen reden om aan te nemen dat hij onder rommel zou vallen. Misschien later, als de ontbinding zou inzetten, maar dat was van latere zorg. Op dit moment lag hij er nog redelijk netjes bij. Drie dagen hadden er alleen voor gezorgd dat het bloed naar de onderkant van zijn lichaam was gezakt en zijn altijd bleke uiterlijk grauwer werd. Naast hem lag de stoel die hij vasthield toen de hartaanval hem overviel. De stoel was ook gevallen en lag als stille getuige naast hem. De poten zonder beschuldiging wijzend naar zijn lichaam.
De vlieg was weer opgestegen en vloog tussen de poten van de stoel door richting het raam. Zonlicht viel naar binnen tussen de geopende gordijnen. Enkele zonnestralen probeerde het lichaam op de grond te raken, maar ze kwam nog centimeters te kort. Pas over enkele uren zouden ze zijn voeten raken en ver over zijn benen kunnen trekken. Stof dwarrelde door de zonnestralen, waardoor het op kleine minuscule diamantjes leek. De vlieg lette er allemaal niet op. Die vloog wat rond en landde op de tafel, naast het bord met eten. De kippenpoot was volledig uitgedroogd en rook niet echt fris meer. De sperziebonen ernaast zagen er niet veel beter uit, net als de twee gekookte aardappels. Alles was ingedroogd en de eerste tekenen van bederf dienden zich aan. De vlieg vloog op en landde op de kippenpoot. Het liep enkele rondjes over de poot, om weer weg te vliegen. Even later vloog het tegen het keukenraam. Een zachte plok was het enige geluid dat in huis te horen was. Het zorgde dat de doodse stilte iets minder dood aanvoelde.
De nacht viel langzaam in. Duisternis kroop in de keuken. Bedekte alles op de grond in de zachte deken die het donker vormde. De ruimte verdween tot vage vormen grijs en nog meer schaduwen. De vlieg was verdwenen of zat ergens stil. Niets bewoog in de nacht. Stilte omringde hem. Zijn lichaam maakte het allemaal niets uit. Hij lag er goed. Binnenin waren bacteriën bezig het verderf van het vlees verder door te zetten. Een lichte geur van ontbinding steeg op, maar er was niemand om het te ruiken. Ook toen de geur de keuken gevuld had als een onzichtbare sluier was er niemand om het op te merken. De verrotting van zijn lichaam ging ongemerkt voorbij. De nacht werd weer dag, waarop weer een nieuwe nacht volgde en de dagen werden weken.
Hij merkte niet dat zijn lichaam opzwol door de verrotting. Maden kropen volledig onopgemerkt en zich volvreten door zijn vlees. Vliegen stegen op, vlogen door de keuken en tegen het raam. In de vensterbank lagen de dode broeders van de vliegen. Kleine herinneringen aan de vreetpartij op de grond. Niemand zag ze en stof daalde neer op ze. Het stof daalde overal op neer. Stof viel ook op hem neer, maar in de eerste weken verdween het onmiddellijk in de vloeistoffen die uit hem waren gelopen. Een grote vlek had zich gevormd onder hem. Het zeil onder en naast was hierdoor een klein beetje gaan bobbelen. Toen hij nog leefde was dit zeil zijn ziel en zaligheid. Hij was er zo trots op. Het zwart-wit geblokte zeil was op zich niets bijzonders. Iets wat je wel vaker in keukens zag, maar het was een wens van hem geweest. Als klein kind droomde hij al van een keuken met zwart-wit geblokt zeil. Dat was in zijn ogen het mooiste wat er was. Het moment dat hij het in zijn keuken legde was hij de gelukkigste man op aarde. Hij had het zeil gekoesterd en dagelijks gedweild. Elke dag zorgde dat het netjes eruit zag, geen kruimel liet hij er langer dan vijf minuten op liggen. Dat hij nu dood bovenop zijn geliefde zeil lag moest hem wel gelukkig maken, maar hij merkte het niet. Hij was gestopt met denken vanaf het moment dat zijn hart stopte met kloppen.
Het was ook maar goed dat hij het zeil niet meer kon zien. Hoe de vloeistoffen die uit zijn ontbindende lichaam waren gelopen een ontzettend vieze, nare vlek hadden gemaakt in de zwart-witte vlakken. Of hoe het zeil was gaan bobbelen door deze vochtigheid. Hij zou sterven van verdriet, als hij nog niet dood was geweest.
4 juli 2014
De wereld volgens God
Iedereen was nog niet gaan zitten of het eerste geschreeuw begon al. Niemand was het met elkaar eens en de een schreeuwde nog harder dan de ander. Een kakofonie van stemmen vulde de ruimte. Niemand luisterde naar elkaar, iedereen had zijn eigen mening en zichzelf diep ingegraven. De mening was een loopgraaf geworden waarmee de ander bestookt kon worden. De oorlog was aangevangen en er zou niemand gespaard blijven. Dit gevecht zal tot op het bot uitgevochten worden.
Wat precies de inzet is weet niemand. Er is geen prijs die de winnaar zal krijgen en dat maakt niemand iets uit. Zolang ze God in hun woorden kunnen proppen is alles goed. Of zoals de andere partij juist probeert alles waar God in kan zitten te ontkrachten, misschien zelfs te slopen.. Ze hebben hun tanden in God gezet en laten niet meer los. Maar niemand vraagt zich af waarom we God nodig hebben. Überhaupt niemand denkt na over het gegeven dat we een God hebben. Of deze nu verzonnen is of daadwerkelijk bestaat, niemand denkt na over het idee (het bestaan?) van een God. We nemen het als vanzelfsprekend aan, iets dat er altijd geweest is vanaf het moment dat de mens intelligent genoeg was om een stok op te pakken en een loslopend dier dood te slaan. Niemand die zich afvraagt wat de reden is dat God moet bestaan en zodra iemand het wel doet wordt deze stem gesmoord in de strijd die gevoerd wordt. God moet bestaan of God mag niet bestaan, een andere smaak is er niet. Er is geen middenweg. In ieder geval is er geen zichtbare middenweg.
Dat God en leegtes invult die ons begrip van de omgeving te boven gaan is duidelijk. Zodra de mensen intelligent genoeg waren om te beseffen dat zij hun omgeving konden duiden liepen ze tegen zaken aan die ze niet konden verklaren. Regen, onweer en bliksem waren de eerste zaken die een goddelijke hand kregen. Of juist niet, want ze waren er altijd al maar niemand begreep toen waar ze vandaan kwamen. God werd geboren in de wieg van intelligentie en sindsdien is hij (zij?) daar blijven liggen, omdat het best wel makkelijk is. De eerste mensen vonden namelijk dat de wereld waarop wij wonen ergens vandaan gekomen moest zijn en het niet anders kon dat de hand van God die deze geschapen heeft. Hoe de wereld tot stand is gekomen is eigenlijk helemaal niet interessant. Het ding is er, net als het universum en om de theorie achter de werking te begrijpen moet je aardig intelligent uit een hoek kunnen komen. Het spreekt vanzelf dat elke theorie over het ontstaan van de wereld ook niets meer is dan dat, een theorie. Hierdoor is het bestaan van een God die alles creëerde ook niet uit te sluiten. Er is geen bewijs te vinden dat hij (zij?) het deed, maar aan de andere kant kan het ook niet uitgesloten worden. Waardoor er een bittere strijd ontstaan is tussen voor en tegenstanders van God en een eventuele goddelijke invloed bij het begin.
Er bestaat zelfs een kamp, binnen het kamp dat God aanbid dat het begin aanvecht. Zij vinden dat het begin veel later kwam dan het merendeel van de wetenschappers beweerd. Er is genoeg bewijs te vinden dat het begin echt een paar miljoen jaar geleden was, maar zij blijven volhouden dat een kleine vijfduizend jaar genoeg is. Dat God toen besloot om de duisternis te vullen met licht en de zooi die we overal om ons heen zien. In hun kamp is de wereld geschapen om de mens te dienen, zijn dieren en planten er om de mens te voeden en te kleden. Op de een of andere manier hebben deze mensen zich een geloof eigen gemaakt dat ze feller verdedigen dan elke andere religie. Ze durven zelfs te zeggen dat alles wat zij beweren wetenschappelijk beproeft kan worden. Dat je die bewering met het grootste gemak teniet kan doen levert zo'n stroom aan drogredenaties op dat discussie zinloos is. Toen de mensen nog dachten dat de wereld plat was kon je ze ook niet op andere gedachten brengen, omdat ze de bewijzen gewoon niet wilde geloven. Ze zagen ze wel, maar ze geloofden er niet in. In dit kamp is het niet anders. Wijzen naar op de vele versteende botten van dinosaurussen levert alleen de bewering op dat mens en dinosaurus samengeleefd moeten hebben. Wat dit voor een zin gehad heeft in die hele schepping van God weten ze niet, maar dat boeit ook niet. Zij vinden dat het zo is en dan is het waar. Dat bijna de helft van alle Amerikanen zich in dit kamp bevindt zet de strijd wat extra op scherp.
Toch is het idee dat God de wereld en alles daarop geschapen heeft om de mens te voeden, te dienen en te kleden is best aanlokkelijk. Op die manier hoef je geen verantwoording te dragen voor wat je doet met dier en natuur, want het is er voor jou gebruiksgemak. Alleen is er een probleem met de zogenaamde extremofielen, oftewel organismes die in uitermate extreme en voor de mens vijandige omgevingen wonen. Zoals in het stikdonker op de bodem van de oceaan in de buurt van thermische openingen. Of in bruut hete waterbronnen met een zuurtegraad die vergelijkbaar is met salpeterzuur. Waarom hun God deze organismes geschapen heeft is onbekend, enig nut dienen ze namelijk niet. De mens kan perfect leven zonder hun bestaan, zoals je dat over vele organismes kan zeggen. Niet dat ze daar een antwoord op hebben, deze mensen. Ze zeggen gewoon "Gods wegen zijn ondoorgrondelijk" en gaan verder met hun geloof opdringen. Tegen zo'n argument is ook niets in te brengen. Het is de ultieme dooddoener voor elke discussie en wat de strijd juist zo verbittert maakt. Beide kampen, hoe diep ze ook gaan en welke zijtakken ze ook ingeslagen zijn heeft zo'n dooddoener. Er is geen ontkomen aan, omdat niemand precies weet hoe het eigenlijk zit. Het blijven theorieën, ideeën over hoe het zou moeten zitten.
En zoals gezegd gaan ze allemaal voorbij aan de vraag of we God wel nodig hebben. Moet er perse een schepper zijn die alles gemaakt heeft? Is het idee dat alles wat je niet kan verklaren de hand van God draagt wel nodig? Met zo'n houding lijkt het denken te stoppen, het is niet meer nodig naar een verklaring te zoeken want er is een God die alles verklaart. Je hoeft niet te weten wat God wil en doet, want zijn (haar?) wegen zijn ondoorgrondelijk. God is overal en toch zie je nergens iets van een God terug. Alles wat we doen hebben we zelf gebouwd, zelf bedacht en uiteindelijk hebben we daar zelfs de wereld waarop we wonen voor vervuild. Er is geen grotere God dan degene die wij zelf zijn, maar dat is geen verklaring voor ons bestaan. Waarom we op deze bol ronddwalen en huizen.
Er ligt daar een groot mysterie en uiteindelijk zal er wel een mooie theorie voor gevonden worden. Deze kan dan het gebrek aan God voor vele mensen vervangen, terwijl de mensen die in God geloven dit gewoon blijven doen. Er zal niets veranderen, de theorie over het ontstaan van het leven en de wereld waarop wij wonen zal niets meer dan dat zijn. Niets meer dan een theorie, net als God niets meer dan een theorie is. De kampen zullen altijd tegenover elkaar staan. Dat hoort zo. In de wereld van God is er altijd strijd. Zijn er altijd mensen die het niet met elkaar eens zijn over het bestaan en ontstaan van God. Daarom zijn we mensen, dat is een logisch gevolg van het vermogen om te kunnen nadenken. We denken na over onze plaats in de wereld, onze plaats in het grote geheel en sommige mensen over hun plaats naast God.
En als God zou bestaan, dan zou hij (zij?) lachen om de strijd die gevoerd was. Lachen om de domme argumenten en de theorieën die het bestaan van God ontkrachten of bevestigen. God zou zo hard lachen en stiekem denken dat de theorieën die zijn (haar?) bestaan bevestigen het leukste vinden.
Wat precies de inzet is weet niemand. Er is geen prijs die de winnaar zal krijgen en dat maakt niemand iets uit. Zolang ze God in hun woorden kunnen proppen is alles goed. Of zoals de andere partij juist probeert alles waar God in kan zitten te ontkrachten, misschien zelfs te slopen.. Ze hebben hun tanden in God gezet en laten niet meer los. Maar niemand vraagt zich af waarom we God nodig hebben. Überhaupt niemand denkt na over het gegeven dat we een God hebben. Of deze nu verzonnen is of daadwerkelijk bestaat, niemand denkt na over het idee (het bestaan?) van een God. We nemen het als vanzelfsprekend aan, iets dat er altijd geweest is vanaf het moment dat de mens intelligent genoeg was om een stok op te pakken en een loslopend dier dood te slaan. Niemand die zich afvraagt wat de reden is dat God moet bestaan en zodra iemand het wel doet wordt deze stem gesmoord in de strijd die gevoerd wordt. God moet bestaan of God mag niet bestaan, een andere smaak is er niet. Er is geen middenweg. In ieder geval is er geen zichtbare middenweg.
Dat God en leegtes invult die ons begrip van de omgeving te boven gaan is duidelijk. Zodra de mensen intelligent genoeg waren om te beseffen dat zij hun omgeving konden duiden liepen ze tegen zaken aan die ze niet konden verklaren. Regen, onweer en bliksem waren de eerste zaken die een goddelijke hand kregen. Of juist niet, want ze waren er altijd al maar niemand begreep toen waar ze vandaan kwamen. God werd geboren in de wieg van intelligentie en sindsdien is hij (zij?) daar blijven liggen, omdat het best wel makkelijk is. De eerste mensen vonden namelijk dat de wereld waarop wij wonen ergens vandaan gekomen moest zijn en het niet anders kon dat de hand van God die deze geschapen heeft. Hoe de wereld tot stand is gekomen is eigenlijk helemaal niet interessant. Het ding is er, net als het universum en om de theorie achter de werking te begrijpen moet je aardig intelligent uit een hoek kunnen komen. Het spreekt vanzelf dat elke theorie over het ontstaan van de wereld ook niets meer is dan dat, een theorie. Hierdoor is het bestaan van een God die alles creëerde ook niet uit te sluiten. Er is geen bewijs te vinden dat hij (zij?) het deed, maar aan de andere kant kan het ook niet uitgesloten worden. Waardoor er een bittere strijd ontstaan is tussen voor en tegenstanders van God en een eventuele goddelijke invloed bij het begin.
Er bestaat zelfs een kamp, binnen het kamp dat God aanbid dat het begin aanvecht. Zij vinden dat het begin veel later kwam dan het merendeel van de wetenschappers beweerd. Er is genoeg bewijs te vinden dat het begin echt een paar miljoen jaar geleden was, maar zij blijven volhouden dat een kleine vijfduizend jaar genoeg is. Dat God toen besloot om de duisternis te vullen met licht en de zooi die we overal om ons heen zien. In hun kamp is de wereld geschapen om de mens te dienen, zijn dieren en planten er om de mens te voeden en te kleden. Op de een of andere manier hebben deze mensen zich een geloof eigen gemaakt dat ze feller verdedigen dan elke andere religie. Ze durven zelfs te zeggen dat alles wat zij beweren wetenschappelijk beproeft kan worden. Dat je die bewering met het grootste gemak teniet kan doen levert zo'n stroom aan drogredenaties op dat discussie zinloos is. Toen de mensen nog dachten dat de wereld plat was kon je ze ook niet op andere gedachten brengen, omdat ze de bewijzen gewoon niet wilde geloven. Ze zagen ze wel, maar ze geloofden er niet in. In dit kamp is het niet anders. Wijzen naar op de vele versteende botten van dinosaurussen levert alleen de bewering op dat mens en dinosaurus samengeleefd moeten hebben. Wat dit voor een zin gehad heeft in die hele schepping van God weten ze niet, maar dat boeit ook niet. Zij vinden dat het zo is en dan is het waar. Dat bijna de helft van alle Amerikanen zich in dit kamp bevindt zet de strijd wat extra op scherp.
Toch is het idee dat God de wereld en alles daarop geschapen heeft om de mens te voeden, te dienen en te kleden is best aanlokkelijk. Op die manier hoef je geen verantwoording te dragen voor wat je doet met dier en natuur, want het is er voor jou gebruiksgemak. Alleen is er een probleem met de zogenaamde extremofielen, oftewel organismes die in uitermate extreme en voor de mens vijandige omgevingen wonen. Zoals in het stikdonker op de bodem van de oceaan in de buurt van thermische openingen. Of in bruut hete waterbronnen met een zuurtegraad die vergelijkbaar is met salpeterzuur. Waarom hun God deze organismes geschapen heeft is onbekend, enig nut dienen ze namelijk niet. De mens kan perfect leven zonder hun bestaan, zoals je dat over vele organismes kan zeggen. Niet dat ze daar een antwoord op hebben, deze mensen. Ze zeggen gewoon "Gods wegen zijn ondoorgrondelijk" en gaan verder met hun geloof opdringen. Tegen zo'n argument is ook niets in te brengen. Het is de ultieme dooddoener voor elke discussie en wat de strijd juist zo verbittert maakt. Beide kampen, hoe diep ze ook gaan en welke zijtakken ze ook ingeslagen zijn heeft zo'n dooddoener. Er is geen ontkomen aan, omdat niemand precies weet hoe het eigenlijk zit. Het blijven theorieën, ideeën over hoe het zou moeten zitten.
En zoals gezegd gaan ze allemaal voorbij aan de vraag of we God wel nodig hebben. Moet er perse een schepper zijn die alles gemaakt heeft? Is het idee dat alles wat je niet kan verklaren de hand van God draagt wel nodig? Met zo'n houding lijkt het denken te stoppen, het is niet meer nodig naar een verklaring te zoeken want er is een God die alles verklaart. Je hoeft niet te weten wat God wil en doet, want zijn (haar?) wegen zijn ondoorgrondelijk. God is overal en toch zie je nergens iets van een God terug. Alles wat we doen hebben we zelf gebouwd, zelf bedacht en uiteindelijk hebben we daar zelfs de wereld waarop we wonen voor vervuild. Er is geen grotere God dan degene die wij zelf zijn, maar dat is geen verklaring voor ons bestaan. Waarom we op deze bol ronddwalen en huizen.
Er ligt daar een groot mysterie en uiteindelijk zal er wel een mooie theorie voor gevonden worden. Deze kan dan het gebrek aan God voor vele mensen vervangen, terwijl de mensen die in God geloven dit gewoon blijven doen. Er zal niets veranderen, de theorie over het ontstaan van het leven en de wereld waarop wij wonen zal niets meer dan dat zijn. Niets meer dan een theorie, net als God niets meer dan een theorie is. De kampen zullen altijd tegenover elkaar staan. Dat hoort zo. In de wereld van God is er altijd strijd. Zijn er altijd mensen die het niet met elkaar eens zijn over het bestaan en ontstaan van God. Daarom zijn we mensen, dat is een logisch gevolg van het vermogen om te kunnen nadenken. We denken na over onze plaats in de wereld, onze plaats in het grote geheel en sommige mensen over hun plaats naast God.
En als God zou bestaan, dan zou hij (zij?) lachen om de strijd die gevoerd was. Lachen om de domme argumenten en de theorieën die het bestaan van God ontkrachten of bevestigen. God zou zo hard lachen en stiekem denken dat de theorieën die zijn (haar?) bestaan bevestigen het leukste vinden.
16 juni 2014
Het haten van meningen
"Kijk hem eens losgaan op een mening die hem niet bevalt!" riep hij, terwijl hij een screenshot plaatste om zijn woorden te onderbouwen. "Een schande!" riepen zijn medestanders. "Zulke mensen moeten ze in kampen duwen, heropvoeden en zo" wierp een klein stemmetje erachteraan. Uiteindelijk was de het hek van de dam en kon je lullen als Brugman. Jij had het gedaan. Het maakte niet uit wat je in het verleden allemaal gezegd had en in de toekomst allemaal wilde zeggen, op basis van dit screenshot was het duidelijk. Je deugde niet. Je deugt totaal niet en je keek weg bij zaken die ernstiger van het seksueel misbruik van vrouwen zijn.
Hoe durfde je überhaupt kritiek te hebben en daarna ook nog iemand zo benaderen, omdat hij een mening over jou had. Je had gewoon moeten slikken wat hij over je zei. Niets meer dan dat. Als hij je een wegkijker noemt, iemand die slachtoffers van ernstige misdrijven de schuld geeft van wat ze overkomen is, dan is dat zo. Je accepteert dat maar. Jij bent niemand, inmiddels een gestoorde uit de maatschappij. Een schaap en iemand die niet snapt wat de goede zaak allemaal nodig heeft. Dat ze volledig voorbij gaan aan wat er precies gezegd is, überhaupt lezen wat je eigenlijk zegt maakt niet uit. Jij hebt laten weten dat je een mening die je niet bevalt met geweld zal beantwoorden. Het maakt niet uit dat die mening het meest smerige stukje smaad was dat je ooit over je gelezen hebt, dat doet er niet toe. Jij dreigt met geweld en daarom ben jij fout. Niet zij, zij zijn nooit fout. Zij mogen een mening hebben. Zij mogen woorden volledig uit hun verband rukken. Screenshots plaatsen die een eenzijdig, onvolledig beeld geven van de situatie, alleen om hun mening te onderbouwen. Drogredenaties zijn goed, die sterken de mening nog verder. Maar jij moet je mond houden en de mening voor zoete koek slikken. Dat doen ze daar allemaal. Er tegenin gaan is je hoofd op het schavot leggen.
Je hebt het zelf gedaan. Jij moest perse je mening geven over hun gedrag, over hoe zij bijgedragen hebben aan het kapot maken van iemand. Niet zo maar iemand, maar de broer van iemand die toevallig dezelfde naam draagt als hem. Jij weet dat je gelijk hebt, dat het huidige gedrag van hen de oorzaak van alle ellende is. Dat de jaren waarop ze bezig geweest zijn iemand dusdanig over de rand heeft geduwd dat diegene elke strohalm om ze terug te pakken is gaan aangrijpen. Dat diegene absoluut geen lieverdje is en zelfs nog veel erger dan hen is, dat weet je ook dondersgoed. Natuurlijk heb je dat ook tegen ze gezegd, maar dat horen ze niet. Dat past niet in hun mening over jou. Jij bent tegen hen ingegaan en gezegd dat zij fout bezig zijn. Dat mag niet, dat mag je niet zeggen. Zij strijden voor de goede zaak, zij strijden tegen het bestrijden van meningen en jouw mening hoort daar niet bij. Je mag niet zeggen dat zij door hun gedrag de goede zaak schade toebrengen. In hun wereld is dat een leugen, een mening die hen niet bevalt. Een idee dat met harde hand bestreden moet worden. Je kon dat weten. Zo zijn zij, ze zijn verworden tot wat ze bestreden.
Toch had je niet verwacht dat ze jouw woorden uit het verband zouden rukken om je neer te zetten als een tegenstander van hun mening, van hun strijd tegen de anderen. Hun strijd tegen alles wat ruikt naar xenofobie, wegzetten van andere culturen als verderfelijk en en idee van nationalisme is heilig. Daar past geen mening bij die zegt dat ze het verkeerd aanpakken en dat wist je best. Dat je het alleen niet verwacht had was jouw grootste fout. En toch had je gezien dat ze sommige mensen nog steeds om de oren slaan met uitspraken die ze jaren geleden gedaan hebben. Dat ze deze uitspraken volledig uit de context getrokken waren had je ook echt wel gezien, al wist je dat in het begin nog niet. Dat kwam met de loop der jaren. Nadat je de strijders van de goede zaak een tijdje gevolgd had. Uiteindelijk wist je wel dat zij niet veel beter waren, misschien zelfs erger omdat zij dingen uit het verband rukken om het gelijk te halen. Waarmee je opeens niet meer wist wie nu erger was, de xenofobe club die strijd tegen alles wat hen niet bevalt of de strijders voor de goede zaak die hen bestrijden. Je keek naar een strijd zonder einde en een strijd waar inmiddels een onschuldig slachtoffer gevallen was.
Dat was jouw een brug te ver. De strijd kon je inmiddels gestolen worden, maar wanneer er onschuldige het slachtoffer worden gaat je verantwoordelijkheidsgevoel spreken. Daar kan jij ook niets aan doen. Je voelt dat gewoon zo en je wist dat de club van xenofoben niet aanspreekbaar zijn. Die beschouwen jou allang als iemand die in de verkeerde kerk staat. Ze willen niet eens met je praten, laat staan dat ze iets lezen wat je naar ze zou schrijven. Die kant is een gesloten fort en daarmee wilde je jezelf ook niet associëren. Nooit zou je die hoek opgaan, behalve om ze met harde hand te bestrijden. Zij dragen ook geen mening uit, zij dragen een gedachtegoed uit dat enger is dan een zwembad gevuld met bloedzuigers. Zij zijn het zwembad met bloedzuigers. Ze waren ook de oorzaak dat de onschuldige in beeld kwam. De introductie kwam bij hen vandaan en zij plantte de haat. Maar zij voedde de haat niet, alleen in eerste instantie, maar de bijvoeding en waardoor de onschuldige echt schade berokkend werd kwam bij de andere kant vandaan. De strijders van de goede zaak zetten hun tanden nog dieper in de tegenpartij. Het trekken, zuigen en herhalen van alle uitspraken van de afgelopen decennia werden uit de kast getrokken. Het hek was van de dam en de dam was doorgebroken.
De strijders van de goede zaak roken bloed en ze zullen doorgaan tot er een onschuldige dood zou neervallen. Dan kunnen ze helemaal zeggen dat ze gelijk hebben. Dat er een dode is gevallen door de xenofobische kerk, dat zij bloed aan de handen hebben. De strijders van de goede zaak geven niet om onschuldigen. De omstanders zijn slechts een hulpmiddel, zij die toekijken mogen niet meer dan dat. Toekijken en op de ruggen kloppen van de strijders. Van beide kanten willen ze alleen schouderklopjes ontvangen en meningen die hen tegenspreken zijn meningen uit de andere kerk. Tegenin gaan is tegen de goede zaak ingaan. Dat is een mening die bestreden moet worden, kostte wat het kost. En daarom zijn jouw woorden uit het verband gerukt en is je naam besmeurt in hun kerk. Je bent een afvallige, een persoon die bestreden moet worden omdat je het niet met ze eens bent. Ze willen dat er een dode valt, zodat ze over zijn rug de strijd kunnen verharden. Misschien zelfs de strijd winnen. Als er een dode is gevallen hebben ze extra munitie. Een martelaar voor de goede zaak willen ze hebben en jij bent wel de laatste die dat kan tegenhouden. Hoe durf je het überhaupt te doen. Waar haal je het gore lef vandaan om zulke dingen te zeggen? Je bent een worm, iemand die vertrapt moet worden onder de laarzen van de goede zaak. Jouw mening bevalt ons niet en daarom maken zij jouw zwart. Alles moet op alles gezet worden om de onschuldige te laten sterven. Of dusdanig te laten lijden dat ze dat kunnen gebruiken in de strijd tegen de xenofobe kerk. Alles voor de goede zaak, dat weet je toch.
En nu je mond houden, anders trekken ze nog meer woorden van jou uit het verband en zal je de ware toorn van de strijders van de goede zaak zien. Je hebt nu slechts een voorproefje gehad. Hou je mening voor je, die bevalt ze niet. Jouw mening schaadt de goede zaak!
Hoe durfde je überhaupt kritiek te hebben en daarna ook nog iemand zo benaderen, omdat hij een mening over jou had. Je had gewoon moeten slikken wat hij over je zei. Niets meer dan dat. Als hij je een wegkijker noemt, iemand die slachtoffers van ernstige misdrijven de schuld geeft van wat ze overkomen is, dan is dat zo. Je accepteert dat maar. Jij bent niemand, inmiddels een gestoorde uit de maatschappij. Een schaap en iemand die niet snapt wat de goede zaak allemaal nodig heeft. Dat ze volledig voorbij gaan aan wat er precies gezegd is, überhaupt lezen wat je eigenlijk zegt maakt niet uit. Jij hebt laten weten dat je een mening die je niet bevalt met geweld zal beantwoorden. Het maakt niet uit dat die mening het meest smerige stukje smaad was dat je ooit over je gelezen hebt, dat doet er niet toe. Jij dreigt met geweld en daarom ben jij fout. Niet zij, zij zijn nooit fout. Zij mogen een mening hebben. Zij mogen woorden volledig uit hun verband rukken. Screenshots plaatsen die een eenzijdig, onvolledig beeld geven van de situatie, alleen om hun mening te onderbouwen. Drogredenaties zijn goed, die sterken de mening nog verder. Maar jij moet je mond houden en de mening voor zoete koek slikken. Dat doen ze daar allemaal. Er tegenin gaan is je hoofd op het schavot leggen.
Je hebt het zelf gedaan. Jij moest perse je mening geven over hun gedrag, over hoe zij bijgedragen hebben aan het kapot maken van iemand. Niet zo maar iemand, maar de broer van iemand die toevallig dezelfde naam draagt als hem. Jij weet dat je gelijk hebt, dat het huidige gedrag van hen de oorzaak van alle ellende is. Dat de jaren waarop ze bezig geweest zijn iemand dusdanig over de rand heeft geduwd dat diegene elke strohalm om ze terug te pakken is gaan aangrijpen. Dat diegene absoluut geen lieverdje is en zelfs nog veel erger dan hen is, dat weet je ook dondersgoed. Natuurlijk heb je dat ook tegen ze gezegd, maar dat horen ze niet. Dat past niet in hun mening over jou. Jij bent tegen hen ingegaan en gezegd dat zij fout bezig zijn. Dat mag niet, dat mag je niet zeggen. Zij strijden voor de goede zaak, zij strijden tegen het bestrijden van meningen en jouw mening hoort daar niet bij. Je mag niet zeggen dat zij door hun gedrag de goede zaak schade toebrengen. In hun wereld is dat een leugen, een mening die hen niet bevalt. Een idee dat met harde hand bestreden moet worden. Je kon dat weten. Zo zijn zij, ze zijn verworden tot wat ze bestreden.
Toch had je niet verwacht dat ze jouw woorden uit het verband zouden rukken om je neer te zetten als een tegenstander van hun mening, van hun strijd tegen de anderen. Hun strijd tegen alles wat ruikt naar xenofobie, wegzetten van andere culturen als verderfelijk en en idee van nationalisme is heilig. Daar past geen mening bij die zegt dat ze het verkeerd aanpakken en dat wist je best. Dat je het alleen niet verwacht had was jouw grootste fout. En toch had je gezien dat ze sommige mensen nog steeds om de oren slaan met uitspraken die ze jaren geleden gedaan hebben. Dat ze deze uitspraken volledig uit de context getrokken waren had je ook echt wel gezien, al wist je dat in het begin nog niet. Dat kwam met de loop der jaren. Nadat je de strijders van de goede zaak een tijdje gevolgd had. Uiteindelijk wist je wel dat zij niet veel beter waren, misschien zelfs erger omdat zij dingen uit het verband rukken om het gelijk te halen. Waarmee je opeens niet meer wist wie nu erger was, de xenofobe club die strijd tegen alles wat hen niet bevalt of de strijders voor de goede zaak die hen bestrijden. Je keek naar een strijd zonder einde en een strijd waar inmiddels een onschuldig slachtoffer gevallen was.
Dat was jouw een brug te ver. De strijd kon je inmiddels gestolen worden, maar wanneer er onschuldige het slachtoffer worden gaat je verantwoordelijkheidsgevoel spreken. Daar kan jij ook niets aan doen. Je voelt dat gewoon zo en je wist dat de club van xenofoben niet aanspreekbaar zijn. Die beschouwen jou allang als iemand die in de verkeerde kerk staat. Ze willen niet eens met je praten, laat staan dat ze iets lezen wat je naar ze zou schrijven. Die kant is een gesloten fort en daarmee wilde je jezelf ook niet associëren. Nooit zou je die hoek opgaan, behalve om ze met harde hand te bestrijden. Zij dragen ook geen mening uit, zij dragen een gedachtegoed uit dat enger is dan een zwembad gevuld met bloedzuigers. Zij zijn het zwembad met bloedzuigers. Ze waren ook de oorzaak dat de onschuldige in beeld kwam. De introductie kwam bij hen vandaan en zij plantte de haat. Maar zij voedde de haat niet, alleen in eerste instantie, maar de bijvoeding en waardoor de onschuldige echt schade berokkend werd kwam bij de andere kant vandaan. De strijders van de goede zaak zetten hun tanden nog dieper in de tegenpartij. Het trekken, zuigen en herhalen van alle uitspraken van de afgelopen decennia werden uit de kast getrokken. Het hek was van de dam en de dam was doorgebroken.
De strijders van de goede zaak roken bloed en ze zullen doorgaan tot er een onschuldige dood zou neervallen. Dan kunnen ze helemaal zeggen dat ze gelijk hebben. Dat er een dode is gevallen door de xenofobische kerk, dat zij bloed aan de handen hebben. De strijders van de goede zaak geven niet om onschuldigen. De omstanders zijn slechts een hulpmiddel, zij die toekijken mogen niet meer dan dat. Toekijken en op de ruggen kloppen van de strijders. Van beide kanten willen ze alleen schouderklopjes ontvangen en meningen die hen tegenspreken zijn meningen uit de andere kerk. Tegenin gaan is tegen de goede zaak ingaan. Dat is een mening die bestreden moet worden, kostte wat het kost. En daarom zijn jouw woorden uit het verband gerukt en is je naam besmeurt in hun kerk. Je bent een afvallige, een persoon die bestreden moet worden omdat je het niet met ze eens bent. Ze willen dat er een dode valt, zodat ze over zijn rug de strijd kunnen verharden. Misschien zelfs de strijd winnen. Als er een dode is gevallen hebben ze extra munitie. Een martelaar voor de goede zaak willen ze hebben en jij bent wel de laatste die dat kan tegenhouden. Hoe durf je het überhaupt te doen. Waar haal je het gore lef vandaan om zulke dingen te zeggen? Je bent een worm, iemand die vertrapt moet worden onder de laarzen van de goede zaak. Jouw mening bevalt ons niet en daarom maken zij jouw zwart. Alles moet op alles gezet worden om de onschuldige te laten sterven. Of dusdanig te laten lijden dat ze dat kunnen gebruiken in de strijd tegen de xenofobe kerk. Alles voor de goede zaak, dat weet je toch.
En nu je mond houden, anders trekken ze nog meer woorden van jou uit het verband en zal je de ware toorn van de strijders van de goede zaak zien. Je hebt nu slechts een voorproefje gehad. Hou je mening voor je, die bevalt ze niet. Jouw mening schaadt de goede zaak!
28 mei 2014
Van die vragen
Toen ik wist dat ik niet meer zou terugkomen ben ik mij toch vragen gaan stellen. Vragen die mij vroeger niets konden schelen, maar door een gesprek met een vriend van mij wel ben gaan afvragen.
Laat ik bij het begin beginnen. Spullen, materieel, eigendommen zeggen mij niet zoveel. Het zijn voorwerpen die ik gebruik, boeken die ik lees of strips waar ik van genieten. Sommige dingen zijn best zeldzaam, terwijl andere dingen voor geen mens interessant zouden zijn. Het is zo, het zijn mijn dingen en hetgeen waarmee ik mij omringt heb. Ze geven mij rust en zorgen voor een idee van blijdschap in mijn leven. Maar ik hecht er geen waarde aan, ze horen er gewoon te zijn en meer niet. Alleen met de muziek die ik in de kast heb staan en de kunst die aan de muur hangt heb ik een andere relatie. Dat is echt belangrijk voor mij. Dat zijn dingen waar ik wel waarde aan hecht. Niet aan alles, maar sommige dingen zijn dusdanig belangrijk dat ik nadenk over waar ze heengaan als ik er niet meer ben. Nu is dat ook niet makkelijk en eerlijk gezegd weet ik ook niet of het allemaal zou lukken. En zo beginnen die vragen.. Van die vragen.
Wat gebeurt er met mijn spullen nadat ik er niet meer ben? Wie krijgt dan alles? Natuurlijk gaat alles naar mijn kinderen, zij zijn degene die het meeste recht hebben op alles wat ik bezit. Op alles wat ik bij elkaar verzameld heb, maar dan.. Wat gaan zij ermee doen? Of eigenlijk is mijn hele vraag: Wat moeten zij ermee? Mijn muziek vinden ze niet mooi en de zaken in mijn muziekcollectie die voor mij echt belangrijk zijn vinden ze klereherrie. De magische, esoterische waarde die ik aan sommige muziekstukken toebedeel zien ze niet. Dat horen ze niet en het interesseert ze ook niets. Ik kan ze hierin ook niet meer dan gelijk geven. Wat ik belangrijk vind is voor iemand anders een nogal oninteressant gegeven en andersom ook.
Hetzelfde voor de kunst die ik aan de muur heb hangen. Mijn kinderen weten dat het kunst is en ze weten ook dat het geld waard is (gekost heeft) maar ze vinden het niet mooi. Ze kijken ernaar en zien alleen maar het geld dat ze ermee kunnen verdienen als ze het verkopen. De redenen waarom ik het bij elkaar verzameld heb zien ze niet en ook dat is niet erg. Het is mijn smaak, het zijn kunstwerken die ik mooi vind. Ik kijk er graag naar en ben blij dat ik het heb kunnen kopen. Maar als ik er niet meer ben verdwijnt elke reden om het bij elkaar te houden. Dan is het niets meer dan een product, een ding dat je kan verkopen. En mijn muziekcollectie ook.
Ik kan wel mensen bedenken die interesse zouden hebben in gedeeltes van mijn muziekcollectie. Zo heb ik altijd geroepen dat mijn volledige Coil-verzameling naar een goede vriend moet gaan. Iets waar ik nog steeds achter sta en wat ik ook wil dat gebeurt. Van mij mag hij ook mijn Current 93-verzameling hebben, maar ik weet dat hij een groot gedeelte al heeft (in tegenstelling tot Coil). En mijn kunst-collectie.. Die mogen mijn kinderen hebben, zodat ze het kunnen verkopen en het geld gebruiken voor leuke dingen. Al hoop ik dat ze het gebruiken voor nuttige dingen, maar dat moeten ze zelf maar weten. Mijn strips en boeken precies hetzelfde. Ik hoop dat ze de tegenwoordigheid van geest hebben om deze te gaan verkopen en niet alles in een vuilcontainer mieteren. Er zitten best waardevolle dingen tussen, al eet de vuilcontainer echt alles. Maar goed, ook dat ik niet mijn probleem als ik er niet meer ben. Het is alleen een hoop die ik uitspreek.
Alleen maak ik mij zorgen om mijn tekeningen en andere kunst-uitingen die ik gedaan, gemaakt heb. Ik kan deze wel nalaten aan mijn familie, maar wat moeten zij ermee? Ze kunnen niets met mijn tekeningen, met mijn verhalen, met de gruwelijke berg foto's die ik in de afgelopen jaren bij elkaar geschoten heb. Als ik er niet meer ben zal dat allemaal verdwijnen, dat weet ik zeker. Uiteindelijk zie ik mijn tekeningen ook in een vuilcontainer verdwijnen, in de brand gaan of iets dergelijks. Misschien moet ik het zelf allemaal vernietigen voordat ik echt verdwenen ben en nooit meer terugkom, maar ik vind dat zonde. Het is toch mijn erfenis voor de wereld, voor anderen, voor de mensen waar ik nooit iets mee gehad heb. Ik wil helemaal niet dat mijn creatieve uitspattingen verdwijnen in een kast of de vuilcontainer. Ik wil dat anderen er naar kunnen blijven kijken. Het liefste wil ik mijn tekeningen onderbrengen bij iemand die er iets mee kan. Die kan zorgen dat ze geëxposeerd worden, dat anderen er naar kunnen kijken. Misschien dat iemand het zelfs aandurft om alles te bundelen in een boek of weet ik veel wat. Ik droom intussen door, terwijl ik mij van dit soort vragen stel. Het heeft mij namelijk bloed, zweet en best veel tranen gekost om de tekeningen te maken. Al mijn foto's zijn herinneringen aan dingen die nooit geweest zijn, voorstellingen van dingen die ik gezien heb en dat kan ook niet zomaar verloren gaan. Maar wie zou het willen hebben?
Aan wie kan ik mijn creatieve uitspattingen toevertrouwen? Wie kan er iets mee? Wie kan het geheel naar een hoger plan tillen en zorgen dat mensen er nog langer van kunnen genieten? Wie, wie, wie wil mijn plaats als promotor van mijn creativiteit overnemen als ik het niet meer doe? Ik weet het niet en daar zit ik nogal mee. Het liefst zou ik nu al mijn tekening bij diegene onderbrengen. Weggeven zodat ze hun rechtmatige doel kunnen gaan vervullen. Ik heb ze gemaakt voor anderen, zodat anderen ervan kunnen genieten en als iemand dat voor elkaar kan krijgen ben ik blij. Dan kan ik met een gerust hart mijn hoofd neerleggen en weten dat het goedkomt. Maar ik zit nog met die vragen. Ik zit heel erg met van die vragen. Wie kan ik mijn creativiteit toevertrouwen als ik er niet meer ben? Ik weet het niet en dat stoort mij!
Laat ik bij het begin beginnen. Spullen, materieel, eigendommen zeggen mij niet zoveel. Het zijn voorwerpen die ik gebruik, boeken die ik lees of strips waar ik van genieten. Sommige dingen zijn best zeldzaam, terwijl andere dingen voor geen mens interessant zouden zijn. Het is zo, het zijn mijn dingen en hetgeen waarmee ik mij omringt heb. Ze geven mij rust en zorgen voor een idee van blijdschap in mijn leven. Maar ik hecht er geen waarde aan, ze horen er gewoon te zijn en meer niet. Alleen met de muziek die ik in de kast heb staan en de kunst die aan de muur hangt heb ik een andere relatie. Dat is echt belangrijk voor mij. Dat zijn dingen waar ik wel waarde aan hecht. Niet aan alles, maar sommige dingen zijn dusdanig belangrijk dat ik nadenk over waar ze heengaan als ik er niet meer ben. Nu is dat ook niet makkelijk en eerlijk gezegd weet ik ook niet of het allemaal zou lukken. En zo beginnen die vragen.. Van die vragen.
Wat gebeurt er met mijn spullen nadat ik er niet meer ben? Wie krijgt dan alles? Natuurlijk gaat alles naar mijn kinderen, zij zijn degene die het meeste recht hebben op alles wat ik bezit. Op alles wat ik bij elkaar verzameld heb, maar dan.. Wat gaan zij ermee doen? Of eigenlijk is mijn hele vraag: Wat moeten zij ermee? Mijn muziek vinden ze niet mooi en de zaken in mijn muziekcollectie die voor mij echt belangrijk zijn vinden ze klereherrie. De magische, esoterische waarde die ik aan sommige muziekstukken toebedeel zien ze niet. Dat horen ze niet en het interesseert ze ook niets. Ik kan ze hierin ook niet meer dan gelijk geven. Wat ik belangrijk vind is voor iemand anders een nogal oninteressant gegeven en andersom ook.
Hetzelfde voor de kunst die ik aan de muur heb hangen. Mijn kinderen weten dat het kunst is en ze weten ook dat het geld waard is (gekost heeft) maar ze vinden het niet mooi. Ze kijken ernaar en zien alleen maar het geld dat ze ermee kunnen verdienen als ze het verkopen. De redenen waarom ik het bij elkaar verzameld heb zien ze niet en ook dat is niet erg. Het is mijn smaak, het zijn kunstwerken die ik mooi vind. Ik kijk er graag naar en ben blij dat ik het heb kunnen kopen. Maar als ik er niet meer ben verdwijnt elke reden om het bij elkaar te houden. Dan is het niets meer dan een product, een ding dat je kan verkopen. En mijn muziekcollectie ook.
Ik kan wel mensen bedenken die interesse zouden hebben in gedeeltes van mijn muziekcollectie. Zo heb ik altijd geroepen dat mijn volledige Coil-verzameling naar een goede vriend moet gaan. Iets waar ik nog steeds achter sta en wat ik ook wil dat gebeurt. Van mij mag hij ook mijn Current 93-verzameling hebben, maar ik weet dat hij een groot gedeelte al heeft (in tegenstelling tot Coil). En mijn kunst-collectie.. Die mogen mijn kinderen hebben, zodat ze het kunnen verkopen en het geld gebruiken voor leuke dingen. Al hoop ik dat ze het gebruiken voor nuttige dingen, maar dat moeten ze zelf maar weten. Mijn strips en boeken precies hetzelfde. Ik hoop dat ze de tegenwoordigheid van geest hebben om deze te gaan verkopen en niet alles in een vuilcontainer mieteren. Er zitten best waardevolle dingen tussen, al eet de vuilcontainer echt alles. Maar goed, ook dat ik niet mijn probleem als ik er niet meer ben. Het is alleen een hoop die ik uitspreek.
Alleen maak ik mij zorgen om mijn tekeningen en andere kunst-uitingen die ik gedaan, gemaakt heb. Ik kan deze wel nalaten aan mijn familie, maar wat moeten zij ermee? Ze kunnen niets met mijn tekeningen, met mijn verhalen, met de gruwelijke berg foto's die ik in de afgelopen jaren bij elkaar geschoten heb. Als ik er niet meer ben zal dat allemaal verdwijnen, dat weet ik zeker. Uiteindelijk zie ik mijn tekeningen ook in een vuilcontainer verdwijnen, in de brand gaan of iets dergelijks. Misschien moet ik het zelf allemaal vernietigen voordat ik echt verdwenen ben en nooit meer terugkom, maar ik vind dat zonde. Het is toch mijn erfenis voor de wereld, voor anderen, voor de mensen waar ik nooit iets mee gehad heb. Ik wil helemaal niet dat mijn creatieve uitspattingen verdwijnen in een kast of de vuilcontainer. Ik wil dat anderen er naar kunnen blijven kijken. Het liefste wil ik mijn tekeningen onderbrengen bij iemand die er iets mee kan. Die kan zorgen dat ze geëxposeerd worden, dat anderen er naar kunnen kijken. Misschien dat iemand het zelfs aandurft om alles te bundelen in een boek of weet ik veel wat. Ik droom intussen door, terwijl ik mij van dit soort vragen stel. Het heeft mij namelijk bloed, zweet en best veel tranen gekost om de tekeningen te maken. Al mijn foto's zijn herinneringen aan dingen die nooit geweest zijn, voorstellingen van dingen die ik gezien heb en dat kan ook niet zomaar verloren gaan. Maar wie zou het willen hebben?
Aan wie kan ik mijn creatieve uitspattingen toevertrouwen? Wie kan er iets mee? Wie kan het geheel naar een hoger plan tillen en zorgen dat mensen er nog langer van kunnen genieten? Wie, wie, wie wil mijn plaats als promotor van mijn creativiteit overnemen als ik het niet meer doe? Ik weet het niet en daar zit ik nogal mee. Het liefst zou ik nu al mijn tekening bij diegene onderbrengen. Weggeven zodat ze hun rechtmatige doel kunnen gaan vervullen. Ik heb ze gemaakt voor anderen, zodat anderen ervan kunnen genieten en als iemand dat voor elkaar kan krijgen ben ik blij. Dan kan ik met een gerust hart mijn hoofd neerleggen en weten dat het goedkomt. Maar ik zit nog met die vragen. Ik zit heel erg met van die vragen. Wie kan ik mijn creativiteit toevertrouwen als ik er niet meer ben? Ik weet het niet en dat stoort mij!
26 mei 2014
Mijn bloemenmeisje
Het enige wat je deed was mij aankijken met je grote ogen. Zag ik angst of verwachting? "Hoe moet ik je noemen?" vroeg ik aan je. Je zei niet, keek mij alleen aan. Een glinstering van woede verscheen en verdween net zo snel weer. Je gezicht verraadde niets. Je liet niets los en zei niets. Ik wist niet goed wat ik met je aanmoest. Ik had je wel van de weg geplukt en naar mijn huis gebracht, maar eenmaal hier aangekomen zat ik een beetje met je. Het type dat ik normaal gesproken mee naar huis neem was je absoluut niet. Je was jonger, fraaier en beter gevormd dan elke andere vrouw die hier binnen gestapt was. Ik dacht even dat ik het getroffen had, maar daar kwam ik snel van terug. Alleen kon ik niet meer terug. Je was hier nu en ik moest het met jou doen.
"Hoe zal ik je noemen?" vroeg ik je nog een keer. Je haalde je schouders op, beet op je onderlip en bleef mij aankijken. "Wat heb ik daar nou aan?" antwoordde ik boos. Je deinsde een beetje terug, angst flikkerde in je ogen. Dit was meer wat in de lijn van mijn verwachting lag. Alle vrouwen die hier binnen geweest waren keken bang, straalde angst uit en wilde dat ik uit hun buurt bleef. Jij was daar anders in. Je deed wat ik je vroeg, zonder vragen of zelfs te praten. Je keek alleen naar mij. Die blik van jou bleef constant gevestigd op mij en ik kon er niet in lezen wat je voelde. Slechts glimpen liet je los, een beetje angst, een beetje woede, maar niets wezenlijks. Niet waarop ik je kon vastpinnen en zeggen dat het allemaal jouw schuld was. Er was niets, alleen die blik waarmee je mij aankeek. Ik wist mij geen raad met je. Het kon nu alle kanten opgaan en ik wist nog helemaal niet hoe ik je zou noemen.
Drie dagen geleden zag ik je voor het eerst. Je liep met een gigantische bos bloemen en een glimlach over straat. Je haren in een strakke paardenstaart, kleding onberispelijk alsof je net een sollicitatie had gehad. Ik heb daar een zwak voor, vrouwen die uitermate netjes gekleed zijn en als ze een kokerrok net boven de knie dragen moet ik wel kijken. Ik keek je ook lang na. Langer dan ik normaal naar een vrouw keek, maar je leek het niet te merken. Je was zo verguld met je bloemen en misschien ook het nieuws dat je daarvoor te horen had gekregen. Ik weet het niet, zelfs tot op deze dag weet ik het niet. Je hebt nooit tegen mij gesproken. Ik weet niet eens hoe je stem klinkt, al kan mij dat niet zoveel schelen. De stem van een vrouw is het meest onaantrekkelijke gedeelte. Met de stem wijst ze je terecht, vertelt ze wat anders moet en waar je moet staan. Ik heb liever dat vrouwen niets tegen mij zeggen, dat vind ik prettiger. Dan weet ik tenminste dat ik het bij het rechte eind heb, dat er niets is dat mijn gedachtegang kan stoppen. Alleen moest je mij vertellen hoe ik je moet noemen. Meer wilde ik ook niet van je horen, maar je zei niets. Toen ik het je de eerste keer vroeg en nog steeds hou je je mond. Je kijkt alleen.
Hoe anders was je drie dagen geleden. Je leek zo gelukkig, zo blij. Je huppelde bijna door de straat. En die bloemen. Wat een prachtige bos was dat. Je was echt mijn bloemenmeisje en je zorgde dat ik blijdschap in mijn hoofd voelde. Ik weet niet goed meer waarom ik je ben gaan volgen. Je was niet het type dat ik mee zou nemen. Je blijdschap maakte mij vrolijk, dat zou ik nooit kapot willen maken en toch volgde ik je. Toch had ik de intentie om je mee te nemen. Je had iets wat je anders maakte dan de andere vrouwen. Iets dat mij aantrok en afstootte. Het was sterker dan mij, het gevoel dat ik je mee moest nemen was bijna een obsessie. Al is dat misschien wat overdreven, tussen het moment dat ik je zag lopen en mijn besluit om je te gaan volgen zat nog geen vijf minuten. Maar het waren de langste vijf minuten van mijn leven, zoals ik jou zometeen de langste uren van jouw leven zal bezorgen. Denk ik, hoop ik. Maar wat was je mooi, zoals je vol geluk over straat liep met die bloemen in je armen. Je bleef naar de bos kijken en glimlachen. De wereld was een mooie plaats in jouw hoofd. Je was volmaakt gelukkig en ik liep in het kielzog van jouw geluk. Ik snoof je geur op, rook de bloemen die je vasthield en ik wist dat je straks bij mij thuis zou zitten. Dat we plezier gingen bleven, al zal jij dat vast anders zien.
Om achter je aan te lopen was heerlijk. Ik genoot van de wandeling en de weg die nam. Elke keer keek ik naar je benen. Hoe je het ene been voor het andere zette, hoe je knieën bogen in het zonlicht. Je billen die blij in je rokje bewogen. Je was een feest voor het oog en ik kon ze niet van je afhouden. Op dat moment hoopte ik dat je nooit meer zou stoppen. Ik wilde dat je voor altijd zou doorlopen, de glimlach op je gezicht en de bloemen in je armen. Ik zou voor altijd achter je aan blijven lopen en we zouden gelukkig zijn. Wij zouden samen zijn zonder dat we elkaar aanraakten of naam wisten. Je zou mijn bloemenmeisje zijn en jij niet op de hoogte van mijn bestaan. Ik droomde van de ideale wereld toen je afsloeg en richting een flatgebouw liep. Daar woonde je. Ik zag hoe je via de schuifdeuren naar binnenging en met de sleutel de binnenste openen. Je keek niet naar je post, liep in één ruk door naar lift. Daar raakte ik je een momentje kwijt. Ik kon je niet achterna lopen, de flat in. Ik had geen sleutel van de deur en ik wist ook niet waar je heen zou gaan. Daarbij wilde ik niet dat je mij te vroeg zou zien. Ik wilde jouw verrassing worden, degene die je voor het eerst zag en voor het laatst zou zien. Je was tenslotte mijn bloemenmeisje.
Vlak voor de deur bleef ik staan. Ik keek door de ramen hoe je in de lift verdween en de deuren achter je dichtgleden. De hele tijd hoopte ik dat je mij niet zou zien, maar je lette niet eens op. Je had meer oog voor de bos bloemen dan voor de wereld om je heen. Voor mij een gelukje. Ik wilde niet dat je mij nu al zou zien, dat zou de verrassing verpesten. Alleen moest ik er nog achterkomen waar je precies woonde. Ik liep terug naar waar we vandaan gekomen waren en bleef een kleine honderd meter verder staat. Daar kon ik achter een boom en wat struiken schuilen, terwijl ik de voorkant van de flat goed in de gaten kon houden. Het duurde niet lang voordat je de deur naar de galerij openduwde en met je bos bloemen naar je voordeur liep. De tweede verdieping telde ik en je liep naar de derde voordeur. Nu zou het niet moeilijk meer worden om je adres te achterhalen. Daarmee zou ik ook makkelijk je naam kunnen achterhalen, maar ik wilde dat jij mij die zelf ging vertellen. Of een andere naam, hoe jij maar door mij genoemd wilde worden. Ik bleef nog een half uur daar staan. Kijkend naar je voordeur en het raam ernaast. Toen je het licht aandeed besloot ik naar mijn eigen huis te gaan. Nu ik wist waar je woonde zou ik je de komende dagen in de gaten gaan houden. Ik moest toch weten wat je precies deed en met wie je allemaal omging.
Dat dit allemaal niet gebeurde kon ik toen nog niet weten. Wist ik veel dat je drie dagen later praktisch bij mij voor de deur voorbij kwam hardlopen. Ik schrok mij dood. Ik dacht dat je mij gezien had en besloten had om mij te gaan volgen, maar je was gewoon aan het hardlopen. In mijn buurt! Even moest ik nog een keer kijken. Was jij het wel? Had ik het wel goed gezien? Je was het echt. Je liep hard door het bosgebied waar mijn woning aan grensde en ik wist dat dit een kans was die maar één keer langskwam. Ik pakte mijn benodigdheden en ging achter je aan. Om precies te zijn ging ik niet echt achter je aan, maar nam ik een andere weg door het bos om je verderop de pas af te kunnen snijden. Heel moeilijk was dat niet. Ik rende over een wildpad naar het pad waarop jij hardliep en als ik het goed bedacht had zouden we tegelijkertijd uitkomen bij de open plek. Ik was zelfs iets vroeger en zag je de bocht omkomen. Je schrok niet toen je mij zag. Je keek alleen, daarna keek je naar het mes in mijn handen. Ik zei dat je moest meekomen en niet gillen. Je deed precies wat ik zei. Ik draaide je om, bond je handen met tyraps vast en bracht je naar mijn huis. Niemand zag ons en geen moment gilde je om hulp. Je zei helemaal niets. Je keek mij alleen aan, verder niets.
Binnengekomen duwde ik je op de bank, waarna ik begon te denken wat ik met je zou gaan doen. Jij deed niets. Je keek alleen, zoals je nu nog steeds kijkt. Als ik de kamer waarin ik je opgesloten heb weer binnenkom lopen kijk je mij alleen aan. Dat doe je al vanaf het moment dat je op mijn bank zat tot het moment waarop we nu hier tegenover elkaar zitten. Wat zal ik met je doen? Je bent duidelijk niet bang van mij. Misschien een klein beetje, maar je bent niet bang om dood te gaan. Je kijkt mij aan alsof je het niet erg vind. Alsof ik niet eng ben en dat verward mij. Ik ben jou niet gewend. Andere vrouwen huilen, smeken, doen bijna alles zodat ik ze geen pijn doe. Maar jij niet. Jij kijkt alleen naar mij. Je zegt niets. Je smeekt niet en tot op heden heb ik je niet aangeraakt. Ik weet niet wat ik met je aanmoet. Zou jij een vrouw zijn die vrijwillig seks met mij wil hebben? Ik durf het je niet te vragen. Kan het mij ook niet voorstellen. Sinds 1998 is er geen vrouw meer geweest die mij zag staan, laat staan dat ze met mij naar bed zouden willen. Ik was geen interessante partij voor vrouwen, nog steeds niet. Ik geloof er niet meer in en toch zit je hier op mijn bank. Je kijkt naar mij en bent niet bang. Zou het kunnen dat ik zelfs een beetje lust in je ogen zie? Dat je zegt dat je mijn lichaam wilt? Ik weet het niet. De gedachte vind ik raar, zelfs een beetje verontrustend. Ik moet dit soort dingen niet denken en toch zit je in mijn huis. Toch denk ik het.
Ik heb een besluit genomen. Ik kan je niet houden. Je starende blik is niet goed voor mij. Je brengt mij teveel in verwarring en ik heb juist mijn scherpe geest nodig om de wereld in de gaten te kunnen houden. Je weet lang niet wat er allemaal schuilt in de schaduwen en achter de bomenrij. Veel van die dingen wil je nooit zien, nooit in je leven. Als je denkt dat ik erg ben, heb je die dingen nog nooit meegemaakt. Ik moet daar scherp op blijven. Ik kan jouw verwarrende blik niet gebruiken. Je moet gaan. Ik kan niet anders dan het mes diep in je te steken, maar wees gerust. Ik zal het snel doen, pijnloos. Ik steek het precies tussen je ribben. Zoals nu en druk door. Niet schreeuwen, het duurt maar even. Even doet het pijn, maar daarna is het weg. Niet schreeuwen. Goed zo. Ik zal je nooit vergeten, mijn bloemenmeisje. Je was de enige die mij zag zoals ik ben. Dank je wel daarvoor. In mijn gedachte zullen we wel samen zijn, ik beloof het je.
"Hoe zal ik je noemen?" vroeg ik je nog een keer. Je haalde je schouders op, beet op je onderlip en bleef mij aankijken. "Wat heb ik daar nou aan?" antwoordde ik boos. Je deinsde een beetje terug, angst flikkerde in je ogen. Dit was meer wat in de lijn van mijn verwachting lag. Alle vrouwen die hier binnen geweest waren keken bang, straalde angst uit en wilde dat ik uit hun buurt bleef. Jij was daar anders in. Je deed wat ik je vroeg, zonder vragen of zelfs te praten. Je keek alleen naar mij. Die blik van jou bleef constant gevestigd op mij en ik kon er niet in lezen wat je voelde. Slechts glimpen liet je los, een beetje angst, een beetje woede, maar niets wezenlijks. Niet waarop ik je kon vastpinnen en zeggen dat het allemaal jouw schuld was. Er was niets, alleen die blik waarmee je mij aankeek. Ik wist mij geen raad met je. Het kon nu alle kanten opgaan en ik wist nog helemaal niet hoe ik je zou noemen.
Drie dagen geleden zag ik je voor het eerst. Je liep met een gigantische bos bloemen en een glimlach over straat. Je haren in een strakke paardenstaart, kleding onberispelijk alsof je net een sollicitatie had gehad. Ik heb daar een zwak voor, vrouwen die uitermate netjes gekleed zijn en als ze een kokerrok net boven de knie dragen moet ik wel kijken. Ik keek je ook lang na. Langer dan ik normaal naar een vrouw keek, maar je leek het niet te merken. Je was zo verguld met je bloemen en misschien ook het nieuws dat je daarvoor te horen had gekregen. Ik weet het niet, zelfs tot op deze dag weet ik het niet. Je hebt nooit tegen mij gesproken. Ik weet niet eens hoe je stem klinkt, al kan mij dat niet zoveel schelen. De stem van een vrouw is het meest onaantrekkelijke gedeelte. Met de stem wijst ze je terecht, vertelt ze wat anders moet en waar je moet staan. Ik heb liever dat vrouwen niets tegen mij zeggen, dat vind ik prettiger. Dan weet ik tenminste dat ik het bij het rechte eind heb, dat er niets is dat mijn gedachtegang kan stoppen. Alleen moest je mij vertellen hoe ik je moet noemen. Meer wilde ik ook niet van je horen, maar je zei niets. Toen ik het je de eerste keer vroeg en nog steeds hou je je mond. Je kijkt alleen.
Hoe anders was je drie dagen geleden. Je leek zo gelukkig, zo blij. Je huppelde bijna door de straat. En die bloemen. Wat een prachtige bos was dat. Je was echt mijn bloemenmeisje en je zorgde dat ik blijdschap in mijn hoofd voelde. Ik weet niet goed meer waarom ik je ben gaan volgen. Je was niet het type dat ik mee zou nemen. Je blijdschap maakte mij vrolijk, dat zou ik nooit kapot willen maken en toch volgde ik je. Toch had ik de intentie om je mee te nemen. Je had iets wat je anders maakte dan de andere vrouwen. Iets dat mij aantrok en afstootte. Het was sterker dan mij, het gevoel dat ik je mee moest nemen was bijna een obsessie. Al is dat misschien wat overdreven, tussen het moment dat ik je zag lopen en mijn besluit om je te gaan volgen zat nog geen vijf minuten. Maar het waren de langste vijf minuten van mijn leven, zoals ik jou zometeen de langste uren van jouw leven zal bezorgen. Denk ik, hoop ik. Maar wat was je mooi, zoals je vol geluk over straat liep met die bloemen in je armen. Je bleef naar de bos kijken en glimlachen. De wereld was een mooie plaats in jouw hoofd. Je was volmaakt gelukkig en ik liep in het kielzog van jouw geluk. Ik snoof je geur op, rook de bloemen die je vasthield en ik wist dat je straks bij mij thuis zou zitten. Dat we plezier gingen bleven, al zal jij dat vast anders zien.
Om achter je aan te lopen was heerlijk. Ik genoot van de wandeling en de weg die nam. Elke keer keek ik naar je benen. Hoe je het ene been voor het andere zette, hoe je knieën bogen in het zonlicht. Je billen die blij in je rokje bewogen. Je was een feest voor het oog en ik kon ze niet van je afhouden. Op dat moment hoopte ik dat je nooit meer zou stoppen. Ik wilde dat je voor altijd zou doorlopen, de glimlach op je gezicht en de bloemen in je armen. Ik zou voor altijd achter je aan blijven lopen en we zouden gelukkig zijn. Wij zouden samen zijn zonder dat we elkaar aanraakten of naam wisten. Je zou mijn bloemenmeisje zijn en jij niet op de hoogte van mijn bestaan. Ik droomde van de ideale wereld toen je afsloeg en richting een flatgebouw liep. Daar woonde je. Ik zag hoe je via de schuifdeuren naar binnenging en met de sleutel de binnenste openen. Je keek niet naar je post, liep in één ruk door naar lift. Daar raakte ik je een momentje kwijt. Ik kon je niet achterna lopen, de flat in. Ik had geen sleutel van de deur en ik wist ook niet waar je heen zou gaan. Daarbij wilde ik niet dat je mij te vroeg zou zien. Ik wilde jouw verrassing worden, degene die je voor het eerst zag en voor het laatst zou zien. Je was tenslotte mijn bloemenmeisje.
Vlak voor de deur bleef ik staan. Ik keek door de ramen hoe je in de lift verdween en de deuren achter je dichtgleden. De hele tijd hoopte ik dat je mij niet zou zien, maar je lette niet eens op. Je had meer oog voor de bos bloemen dan voor de wereld om je heen. Voor mij een gelukje. Ik wilde niet dat je mij nu al zou zien, dat zou de verrassing verpesten. Alleen moest ik er nog achterkomen waar je precies woonde. Ik liep terug naar waar we vandaan gekomen waren en bleef een kleine honderd meter verder staat. Daar kon ik achter een boom en wat struiken schuilen, terwijl ik de voorkant van de flat goed in de gaten kon houden. Het duurde niet lang voordat je de deur naar de galerij openduwde en met je bos bloemen naar je voordeur liep. De tweede verdieping telde ik en je liep naar de derde voordeur. Nu zou het niet moeilijk meer worden om je adres te achterhalen. Daarmee zou ik ook makkelijk je naam kunnen achterhalen, maar ik wilde dat jij mij die zelf ging vertellen. Of een andere naam, hoe jij maar door mij genoemd wilde worden. Ik bleef nog een half uur daar staan. Kijkend naar je voordeur en het raam ernaast. Toen je het licht aandeed besloot ik naar mijn eigen huis te gaan. Nu ik wist waar je woonde zou ik je de komende dagen in de gaten gaan houden. Ik moest toch weten wat je precies deed en met wie je allemaal omging.
Dat dit allemaal niet gebeurde kon ik toen nog niet weten. Wist ik veel dat je drie dagen later praktisch bij mij voor de deur voorbij kwam hardlopen. Ik schrok mij dood. Ik dacht dat je mij gezien had en besloten had om mij te gaan volgen, maar je was gewoon aan het hardlopen. In mijn buurt! Even moest ik nog een keer kijken. Was jij het wel? Had ik het wel goed gezien? Je was het echt. Je liep hard door het bosgebied waar mijn woning aan grensde en ik wist dat dit een kans was die maar één keer langskwam. Ik pakte mijn benodigdheden en ging achter je aan. Om precies te zijn ging ik niet echt achter je aan, maar nam ik een andere weg door het bos om je verderop de pas af te kunnen snijden. Heel moeilijk was dat niet. Ik rende over een wildpad naar het pad waarop jij hardliep en als ik het goed bedacht had zouden we tegelijkertijd uitkomen bij de open plek. Ik was zelfs iets vroeger en zag je de bocht omkomen. Je schrok niet toen je mij zag. Je keek alleen, daarna keek je naar het mes in mijn handen. Ik zei dat je moest meekomen en niet gillen. Je deed precies wat ik zei. Ik draaide je om, bond je handen met tyraps vast en bracht je naar mijn huis. Niemand zag ons en geen moment gilde je om hulp. Je zei helemaal niets. Je keek mij alleen aan, verder niets.
Binnengekomen duwde ik je op de bank, waarna ik begon te denken wat ik met je zou gaan doen. Jij deed niets. Je keek alleen, zoals je nu nog steeds kijkt. Als ik de kamer waarin ik je opgesloten heb weer binnenkom lopen kijk je mij alleen aan. Dat doe je al vanaf het moment dat je op mijn bank zat tot het moment waarop we nu hier tegenover elkaar zitten. Wat zal ik met je doen? Je bent duidelijk niet bang van mij. Misschien een klein beetje, maar je bent niet bang om dood te gaan. Je kijkt mij aan alsof je het niet erg vind. Alsof ik niet eng ben en dat verward mij. Ik ben jou niet gewend. Andere vrouwen huilen, smeken, doen bijna alles zodat ik ze geen pijn doe. Maar jij niet. Jij kijkt alleen naar mij. Je zegt niets. Je smeekt niet en tot op heden heb ik je niet aangeraakt. Ik weet niet wat ik met je aanmoet. Zou jij een vrouw zijn die vrijwillig seks met mij wil hebben? Ik durf het je niet te vragen. Kan het mij ook niet voorstellen. Sinds 1998 is er geen vrouw meer geweest die mij zag staan, laat staan dat ze met mij naar bed zouden willen. Ik was geen interessante partij voor vrouwen, nog steeds niet. Ik geloof er niet meer in en toch zit je hier op mijn bank. Je kijkt naar mij en bent niet bang. Zou het kunnen dat ik zelfs een beetje lust in je ogen zie? Dat je zegt dat je mijn lichaam wilt? Ik weet het niet. De gedachte vind ik raar, zelfs een beetje verontrustend. Ik moet dit soort dingen niet denken en toch zit je in mijn huis. Toch denk ik het.
Ik heb een besluit genomen. Ik kan je niet houden. Je starende blik is niet goed voor mij. Je brengt mij teveel in verwarring en ik heb juist mijn scherpe geest nodig om de wereld in de gaten te kunnen houden. Je weet lang niet wat er allemaal schuilt in de schaduwen en achter de bomenrij. Veel van die dingen wil je nooit zien, nooit in je leven. Als je denkt dat ik erg ben, heb je die dingen nog nooit meegemaakt. Ik moet daar scherp op blijven. Ik kan jouw verwarrende blik niet gebruiken. Je moet gaan. Ik kan niet anders dan het mes diep in je te steken, maar wees gerust. Ik zal het snel doen, pijnloos. Ik steek het precies tussen je ribben. Zoals nu en druk door. Niet schreeuwen, het duurt maar even. Even doet het pijn, maar daarna is het weg. Niet schreeuwen. Goed zo. Ik zal je nooit vergeten, mijn bloemenmeisje. Je was de enige die mij zag zoals ik ben. Dank je wel daarvoor. In mijn gedachte zullen we wel samen zijn, ik beloof het je.
Abonneren op:
Posts (Atom)
