Al maanden werd het aangekondigd, maar toen het eenmaal zover was bleek het toch een knoop in de maag te veroorzaken. Een lichte snik ontsnapte aan zijn keel. De eenzaamheid was toch zijn woning binnengedrongen toen hij heel even de deur openzette. Eigenlijk had hij het wel verwacht, maar nu het pontificaal op zijn bank had plaatsgenomen alsof het er al jaren woonde wilde hij dat het zo snel mogelijk weer vertrok. De eenzaamheid is geen vriend van hem, nooit geweest ook.
Hij probeerde te praten met de eenzaamheid, bood het een bak koffie aan maar het was standvastig. Stil in woord en gebaar. De eenzaamheid is een naar gezelschap. Nooit zegt het "boe of baa" om van andere dierengeluiden maar niet te spreken. Zelfs de koffie werd door de stilte die het uitstraalde afgeslagen. Hij nam zelf nog maar een bak koffie en verviel in herinneringen aan gisteren. Gisteren was de eenzaamheid nog niet doorgedrongen in zijn woning. Gisteren was het ook stil en zijn bank leeg van het grote niets, maar er zat geen gevoel bij. Gisteren was het gewoon beter.
De koffie smaakt hem ondanks de aanwezigheid op de bank best goed. Zwart, zoals altijd maar minder sterk dan hij het normaal dronk. Dat kwam niet door de eenzaamheid, het gebrek aan koffie was hier de oorzaak van. Eigenlijk was hij wel blij dat eenzaamheid geen koffie drinkt. Hij deelde zijn laatste koffie liever met zichzelf dan een gevoel waar hij nooit om gevraagd had. Zelfs al wist hij dat het zou komen, dat het uiteindelijk onvermijdelijk zou zijn wanneer hij de deur opendeed.
Zijn gedachten dwaalden weer af naar gisteren. Toen had hij helemaal geen koffie gedronken omdat hij gewoon geen tijd had. Hij had het veel te druk met niets doen en proberen zijn tuin te verplaatsen naar de buren. Hij vergat dat de eenzaamheid op bezoek zou komen, dat hij zijn bank moest gaan delen. Zou hij straks ook met de eenzaamheid moeten gaan slapen? Gisteren was het anders, toen viel hij vermoeid in slaap. Hij had de hele dag doorgebracht in gedachten, aan niets anders denkend dan de Noordpool en jeuk aan zijn arm. Het was een goede dag geweest. De zon had geschenen, herinnerde hij zich. De warmte viel af en toe op zijn huid, maar dat deerde hem niet. Hij had genoten van gisteren.
"Hoe zou het morgen gaan?" vroeg hij zich af. Morgen was een nieuwe dag en met de eenzaamheid op zijn bank zag hij er nu al tegenop. Zelfs de berg die hij mocht beklimmen was niet zo hoog als de dag van morgen. Misschien was het beter wanneer morgen niet meer kwam, dat de morgen altijd in de toekomst zou blijven. Hij besloot de morgen te vergeten, morgen was niet meer en kwam niet meer. Altijd zou het vandaag blijven en zou hij zich wentelen in herinneringen aan gisteren. Tenslotte had een wijs mens ooit gezegd dat het herinneren van het verleden voorkwam dat je eeuwig gedoemd zou worden deze te herhalen. Morgen had hij niet meer nodig, morgen was nog ver weg. En de eenzaamheid op de bank was een slecht gezelschap. Hij dronk zijn koffie en keek het aan. Het keek terug met eenzaamheid in de ogen.
24 juli 2010
4 juli 2010
Torren en kevers
Zachtjes viel een zonnestraal op zijn lichaam waardoor hij ontwaakte uit zijn droomloze slaap. Hij trok de dekens van zich af en stapte uit bed. Onder zijn voet klonk een vreemd, voor zijn slaperige brein onverklaarbaar gekraak. Even schonk hij er geen aandacht aan om een blik te werpen op de wekker. "8.23" stond er in groene cijfers te lezen. Giftig groene cijfers welke midden in de nacht een schijnsel op de muur gaf dat hem soms een beetje angstig maakte, maar het was de enige wekker die hij interessant genoeg vond om in zijn slaapkamer te hebben staan. Hij liet het zo, de angst was tenslotte onredelijk en met zijn ogen dicht zag hij het niet.
Van de wekker gleed zijn blik naar zijn voet. Een zachte massa met harde stukjes plakte onder zijn naakte voetzool. Hij tilde de voet op en een zwart vormeloos ding, wat hij herkende als een platgetrapte kever viel met een natte plof op de grond. Hij keek er naar. Verbaasd over de grote slaakte hij een klein kreetje. "Dat is een flinke.." zei hij tegen niemand in het bijzonder. Niemand gaf hem antwoord, er was verder niemand in de kamer. Alleen hij en de volledig tot moes getrapte kever. Hij keek onder zijn voet. Daar zat nog wat ingewandenspul van de kever aan geplakt. Wit spul dat totaal niet leek op ingewanden, maar hij wist ook helemaal niet hoe de ingewanden van een kever eruit zouden moeten zien. In ieder geval was het nu niet meer dan een hoop witte pus. Een dikke drab die het meeste leek op in melk gekookte rijst. Met een vies gezicht probeerde hij het van zijn voet te schudden, wat niet lukte. De drab bleef hardnekkig hangen in de holte onder zijn voet. Hij pakte een t-shirt van de stoel en met een nog viezer gezicht veegde hij de drab eraf.
Een wijds gebaar en het t-shirt verdween in de openstaande wasmand. Een geritsel uit de mand was het antwoord. Hij keek ernaar, nieuwsgierig en verrast. Geritsel in de wasmand was wel het laatste was hij verwachte deze ochtend. Hij stond op om naar de wasmand te lopen, maar voordat hij één stap kon zetten hoorde hij nog meer geritsel onder het bed vandaan komen. Net was het nog doodstil in zijn slaapkamer en nu klonk het alsof droge bladeren over een tuinpad waaiden. Verstijfd bleef hij staan en keek naar zijn voeten. Ze stonden hem iets te dicht bij het onbekende geritsel dat nog steeds onder het bed vandaan kwam. Uit de wasmand links van hem klonk inmiddels nog meer geluiden. Geritsel maakte plaats voor klikkende geluiden alsof kleine pootjes over het plastic kropen. "Nog meer kevers!" dacht hij bij zichzelf "Nog meer van die beesten" En voordat hij zijn gedachte goed en wel verwerkt had zag hij de eerste uit de wasmand komen.
Een gigantisch beest, zwart glimmend met klikkende pootjes die over de rand van de mand stapten. Hij zag de kaken langzaam heen en weer gaan als een hongerige tijger die in gedachten zijn prooi aan het oppeuzelen is. De volgende kever verscheen naast de eerste die steeds verder over de rand kwam. "Die gaat vallen" dacht hij terwijl hij gefascineerd naar het gigantische beest keek dat uit zijn was kwam zetten. Het geritsel achter zijn rug was hij helemaal vergeten tot hij de eerste pootjes op zijn naakte voeten voelde. Hij schrok en trok zijn voet weg waardoor er twee, drie kever door de kamer vlogen. Met een smak ramde ze tegen de muur en een ander tegen zijn kledingkast. Ze vielen op de grond waar ze even versuft bleven liggen, zich zonder problemen omdraaide en met een vaart op hem afkwamen.
De schrik sloeg hem om het hart. Hij keek naar de vloer, naar de aanstormende kevers. Naar de massa die onder zijn bed vandaan kwam zetten. De zwarte, golvende massa kevers die zijn voeten overspoelde. Hij zag hun glimmende lichamen, de glinsteringen die het pantser verspreidde door het zonlicht. Hun pootjes die onverbiddelijk over zijn voeten en op zijn benen stapte. Hij voelde hun kleine weerhaakjes in zijn vel vastpakken. Hij schudde nogmaals met zijn been en met zijn andere. Hier en daar vielen er kevers af. Sommige vielen op hun rug, anderen veerde op de poten maar binnen geen tijd rende ze weer op hem af. Hij stampte er een paar door, de smurrie op de grond vergrotend. Hij walgde van het gevoel onder zijn voeten, maar voelde zich wel goed dat hij er een paar extra dood had gemaakt.
Alleen lieten de kevers zich niet stoppen. Uit de wasmand, onder zijn bed, zelfs onder de kledingkast kwamen de grote kevers vandaan zetten. Hij gilde en stampte, stampte en stampte tot hij uitgleed over de smurrie. Dat leek het moment waarop de grote golf gewacht had. Uit alle hoeken en gaten van de kamer kwamen de zwarte monsters vandaan zetten. Hij zag een gigantische hoeveelheid onder zijn bed zitten, alsof ze lagen te wachten tot hij naar hen kwam kijken. Ze overspoelde hem als de zee die hij zich zo goed herinnerde. Zijn vader nam hem altijd mee naar de zee waar hij speelde in de golven. Hij vond het altijd het leukste om in de branding te gaan zitten en de aanrollende golven over hem heen te laten komen. Deze golf kevers deed hem daaraan denken, behalve dat het totaal niet leuk was.
Hun kaken kon hij nu van dichtbij zien. Van dichtbij voelen. Hij voelde hoe ze zijn vel doorprikte, stukjes huid en vlees met zich meetrekkend. Hij voelde hoe de keverpoten over zijn lichaam gingen. Hun harde lijven over zijn buik, hoe ze hun kaken zetten in elk stukje open huid dat ze maar vonden. Hij gilde, gilde zo hard hij kon in de hoop dat iemand hem zou horen. Iemand moest hem toch horen! De kevers spoelde in zijn geopende mond, zijn gil smorend met hun harde ritselende lichamen. Hij kokhalsde, maar de kever zette door. Steeds verder werd het zijn keel in geduwd door kevers die ook zijn mond in wilde komen. Angst doorkruisde zijn brein niet eens meer, hij schakelde uit. Dit was hem teveel. De kever in zijn keel begon zijn kaken in zijn slokdarm te zetten, maar hij voelde niets meer.
Stilte heerste in zijn geest. Stilte van binnen die het ritselende geluid in de kamer overstemde. Stilte, welkom als de slaap die elke nacht weer kwam op de momenten dat hij ging liggen. De kevers begonnen in de opengelegde stukken huid naar binnen te klimmen. Ze begonnen hem van binnenuit op te eten, hun zwarte lichamen glimmende rood van het bloed en stukjes weefsel. Het deerde hem niet meer. Hij wentelde zich in stilte en duisternis toen enkele kevers zijn ogen begonnen op te eten. Hij voelde niets meer, zijn geest was weg. Hij was in stilte terwijl hij levend opgegeten werd. Zijn laatste gedachte die zijn stille geest doorkruist had was: "Of waren het torren?"
Van de wekker gleed zijn blik naar zijn voet. Een zachte massa met harde stukjes plakte onder zijn naakte voetzool. Hij tilde de voet op en een zwart vormeloos ding, wat hij herkende als een platgetrapte kever viel met een natte plof op de grond. Hij keek er naar. Verbaasd over de grote slaakte hij een klein kreetje. "Dat is een flinke.." zei hij tegen niemand in het bijzonder. Niemand gaf hem antwoord, er was verder niemand in de kamer. Alleen hij en de volledig tot moes getrapte kever. Hij keek onder zijn voet. Daar zat nog wat ingewandenspul van de kever aan geplakt. Wit spul dat totaal niet leek op ingewanden, maar hij wist ook helemaal niet hoe de ingewanden van een kever eruit zouden moeten zien. In ieder geval was het nu niet meer dan een hoop witte pus. Een dikke drab die het meeste leek op in melk gekookte rijst. Met een vies gezicht probeerde hij het van zijn voet te schudden, wat niet lukte. De drab bleef hardnekkig hangen in de holte onder zijn voet. Hij pakte een t-shirt van de stoel en met een nog viezer gezicht veegde hij de drab eraf.
Een wijds gebaar en het t-shirt verdween in de openstaande wasmand. Een geritsel uit de mand was het antwoord. Hij keek ernaar, nieuwsgierig en verrast. Geritsel in de wasmand was wel het laatste was hij verwachte deze ochtend. Hij stond op om naar de wasmand te lopen, maar voordat hij één stap kon zetten hoorde hij nog meer geritsel onder het bed vandaan komen. Net was het nog doodstil in zijn slaapkamer en nu klonk het alsof droge bladeren over een tuinpad waaiden. Verstijfd bleef hij staan en keek naar zijn voeten. Ze stonden hem iets te dicht bij het onbekende geritsel dat nog steeds onder het bed vandaan kwam. Uit de wasmand links van hem klonk inmiddels nog meer geluiden. Geritsel maakte plaats voor klikkende geluiden alsof kleine pootjes over het plastic kropen. "Nog meer kevers!" dacht hij bij zichzelf "Nog meer van die beesten" En voordat hij zijn gedachte goed en wel verwerkt had zag hij de eerste uit de wasmand komen.
Een gigantisch beest, zwart glimmend met klikkende pootjes die over de rand van de mand stapten. Hij zag de kaken langzaam heen en weer gaan als een hongerige tijger die in gedachten zijn prooi aan het oppeuzelen is. De volgende kever verscheen naast de eerste die steeds verder over de rand kwam. "Die gaat vallen" dacht hij terwijl hij gefascineerd naar het gigantische beest keek dat uit zijn was kwam zetten. Het geritsel achter zijn rug was hij helemaal vergeten tot hij de eerste pootjes op zijn naakte voeten voelde. Hij schrok en trok zijn voet weg waardoor er twee, drie kever door de kamer vlogen. Met een smak ramde ze tegen de muur en een ander tegen zijn kledingkast. Ze vielen op de grond waar ze even versuft bleven liggen, zich zonder problemen omdraaide en met een vaart op hem afkwamen.
De schrik sloeg hem om het hart. Hij keek naar de vloer, naar de aanstormende kevers. Naar de massa die onder zijn bed vandaan kwam zetten. De zwarte, golvende massa kevers die zijn voeten overspoelde. Hij zag hun glimmende lichamen, de glinsteringen die het pantser verspreidde door het zonlicht. Hun pootjes die onverbiddelijk over zijn voeten en op zijn benen stapte. Hij voelde hun kleine weerhaakjes in zijn vel vastpakken. Hij schudde nogmaals met zijn been en met zijn andere. Hier en daar vielen er kevers af. Sommige vielen op hun rug, anderen veerde op de poten maar binnen geen tijd rende ze weer op hem af. Hij stampte er een paar door, de smurrie op de grond vergrotend. Hij walgde van het gevoel onder zijn voeten, maar voelde zich wel goed dat hij er een paar extra dood had gemaakt.
Alleen lieten de kevers zich niet stoppen. Uit de wasmand, onder zijn bed, zelfs onder de kledingkast kwamen de grote kevers vandaan zetten. Hij gilde en stampte, stampte en stampte tot hij uitgleed over de smurrie. Dat leek het moment waarop de grote golf gewacht had. Uit alle hoeken en gaten van de kamer kwamen de zwarte monsters vandaan zetten. Hij zag een gigantische hoeveelheid onder zijn bed zitten, alsof ze lagen te wachten tot hij naar hen kwam kijken. Ze overspoelde hem als de zee die hij zich zo goed herinnerde. Zijn vader nam hem altijd mee naar de zee waar hij speelde in de golven. Hij vond het altijd het leukste om in de branding te gaan zitten en de aanrollende golven over hem heen te laten komen. Deze golf kevers deed hem daaraan denken, behalve dat het totaal niet leuk was.
Hun kaken kon hij nu van dichtbij zien. Van dichtbij voelen. Hij voelde hoe ze zijn vel doorprikte, stukjes huid en vlees met zich meetrekkend. Hij voelde hoe de keverpoten over zijn lichaam gingen. Hun harde lijven over zijn buik, hoe ze hun kaken zetten in elk stukje open huid dat ze maar vonden. Hij gilde, gilde zo hard hij kon in de hoop dat iemand hem zou horen. Iemand moest hem toch horen! De kevers spoelde in zijn geopende mond, zijn gil smorend met hun harde ritselende lichamen. Hij kokhalsde, maar de kever zette door. Steeds verder werd het zijn keel in geduwd door kevers die ook zijn mond in wilde komen. Angst doorkruisde zijn brein niet eens meer, hij schakelde uit. Dit was hem teveel. De kever in zijn keel begon zijn kaken in zijn slokdarm te zetten, maar hij voelde niets meer.
Stilte heerste in zijn geest. Stilte van binnen die het ritselende geluid in de kamer overstemde. Stilte, welkom als de slaap die elke nacht weer kwam op de momenten dat hij ging liggen. De kevers begonnen in de opengelegde stukken huid naar binnen te klimmen. Ze begonnen hem van binnenuit op te eten, hun zwarte lichamen glimmende rood van het bloed en stukjes weefsel. Het deerde hem niet meer. Hij wentelde zich in stilte en duisternis toen enkele kevers zijn ogen begonnen op te eten. Hij voelde niets meer, zijn geest was weg. Hij was in stilte terwijl hij levend opgegeten werd. Zijn laatste gedachte die zijn stille geest doorkruist had was: "Of waren het torren?"
12 juni 2010
De dood in mijn woning
Een huis heeft verschillende kamers. Sommige huizen hebben er maar één, maar dan blijkt het toch in te delen in verschillende ruimten die je als kamers kan opvatten. Mijn huis heeft toevallig wel muren om te dienen als afscheidingen tussen de verschillende kamers, maar het komt allemaal op hetzelfde neer. Toch is mijn huis anders dan die van jou en de rest van mijn buren. Ik heb de dood in mijn huis wonen. De dood van dieren en soms ook een plant.
In elke kamer die ik heb heeft een klein beestje het leven gelaten. De wil om te leven is geperst uit de dieren die ik elke dag op de grond vind. In mijn slaapkamer liggen verspreidt over de vloer dode motten weg te waaien in de wind die ik creëer als ik langsloop. Ik kijk dan hoe ze bewegen zonder dat hun vleugels slaan, zonder dat hun opgevouwen pootjes heen en weer schoppen in de lucht. Het fascineert mij om te zien, maar nooit erg lang.
In mijn toilet heeft een pissebed de pijp aan maarten gegeven om in een zijligging naast de pot te kunnen liggen. Wat ik hiermee aan moet ben ik nog niet achter. Ergens heeft het zo weinig zin om in deze houding dood te zijn, al kan ik het pissebed ook weer niet kwalijk nemen. Iets verderop ligt namelijk een kleine vlieg dood te zijn alsof het een lieve lust is. Alleen vermoed ik dat de laatste vermoord is door de spin die op de muur leefde, maar dat was ook weer een tijdje geleden dat ik hem gezien heb. Wel zit er een spin in de lamp, maar die is al zo lang dood dat ik mij niet een anders kan herinneren. Volgens mij was die spin al dood toen ik hier kwam wonen en weigert hij te vertrekken uit de lamp.
Op de tafel in mijn woonkamer liggen in willekeurige volgorde enkele bromvliegen in alle stilte. Vorig jaar vond ik ze doodgeslagen tegen het raam zonder dat ik er ook maar één hand naar uitgestoken heb. Ik vond het daarom weer zonde om ze weg te gooien en heb ze een openbare begrafenis gegeven op mijn tafel. Daar liggen ze nog altijd in alle rust waar iedereen ze kan zien. Ik denk niet dat dode vliegen rotten en als ze het wel doen is het in alle stilte. Een wesp heeft zich ernaast gelegd. Stilletjes als een muis die ik niet in huis heb of ze moeten zich dood houden in de muren. Al kan ik mij dat laatste weer niet voorstellen met alle katten die in de buurt wonen. Geen muis zou het hier overleven, zoals de meeste planten ook snel doodgaan.
De wesp heb ik per ongeluk onthoofd nadat hij allang levenloos op tafel lag. Met een kop koffie en een broodje in de hand viel zijn lichaam weg van het denkende gedeelte. Ik voelde mij een beetje schuldig. Zo'n mooi diertje opeens zonder hoofd, maar ik kon er niets aan doen. Het was een ongeluk. De langpootmug op de hoek zag het allemaal gebeuren, al zagen zijn ogen niet echt wat. Ook daar was het leven uit hem geknepen, dit keer wel door mijn hand omdat ik het geen prettige beesten vind om in leven te houden.
Ik heb ook nog een kamer waar ik mijn was ophang. Daar vind ik altijd de meeste dieren dood op de grond. Vliegen, motten, spinnen en zelfs hele andere dieren. Ik kan er geen beschrijving aan geven omdat ik ze zonder pardon uit mijn huis verwijder. Meestal zet ik het raam open en gooi ze in de tuin van mijn buurman. Hij merkt een dier meer of minder toch niet op. Dat is de zegen van nooit thuis zijn en blinder dan een rioolrat. Waarom ik de dieren daar niet laat liggen weet ik eigenlijk niet, maar ze horen er niet. Ik wil geen dood op de plaats waar mijn was zich ter drogen legt. Daar mag alleen het water verdwijnen uit nat wasgoed en niet het leven uit willekeurige dieren. Er zijn regels waar iedereen zich aan moet houden.
In mijn keuken is het rustig. Daar vind ik alleen dode bladeren. Bladeren die door de wind en het geopende raam naar binnen waaien. Meestal in de herfst als ze vallen, zoals het eigenlijk ook hoort. Een van die bladeren heeft er eens jaren gelegen voordat ik hem wist te vinden. Het was een zielig hoopje verdroogde rommel geworden. Iets wat zich niet eens normaal liet oppakken zonder helemaal te verbrokkelen. Ik heb het moeten verwijderen met de stofzuiger, zoals ik eigenlijk alle dode dieren uit mijn huis verwijder. Op die manier verwijder ik ze niet echt, maar bewaar ze nog jaren in de stofzuigerzak. Bij alle huidschilfers en ander troep die ik op de grond heb zien liggen. Morgen moet ik weer stofzuigen voordat ik struikel over een dode vlieg of mot. Of misschien ligt er wel een langpootmug stof te verzamelen op een plek die ik niet wil. Dat kan niet, dat mag niet. Er zijn regels, ook voor de dood in mijn woning.
In elke kamer die ik heb heeft een klein beestje het leven gelaten. De wil om te leven is geperst uit de dieren die ik elke dag op de grond vind. In mijn slaapkamer liggen verspreidt over de vloer dode motten weg te waaien in de wind die ik creëer als ik langsloop. Ik kijk dan hoe ze bewegen zonder dat hun vleugels slaan, zonder dat hun opgevouwen pootjes heen en weer schoppen in de lucht. Het fascineert mij om te zien, maar nooit erg lang.
In mijn toilet heeft een pissebed de pijp aan maarten gegeven om in een zijligging naast de pot te kunnen liggen. Wat ik hiermee aan moet ben ik nog niet achter. Ergens heeft het zo weinig zin om in deze houding dood te zijn, al kan ik het pissebed ook weer niet kwalijk nemen. Iets verderop ligt namelijk een kleine vlieg dood te zijn alsof het een lieve lust is. Alleen vermoed ik dat de laatste vermoord is door de spin die op de muur leefde, maar dat was ook weer een tijdje geleden dat ik hem gezien heb. Wel zit er een spin in de lamp, maar die is al zo lang dood dat ik mij niet een anders kan herinneren. Volgens mij was die spin al dood toen ik hier kwam wonen en weigert hij te vertrekken uit de lamp.
Op de tafel in mijn woonkamer liggen in willekeurige volgorde enkele bromvliegen in alle stilte. Vorig jaar vond ik ze doodgeslagen tegen het raam zonder dat ik er ook maar één hand naar uitgestoken heb. Ik vond het daarom weer zonde om ze weg te gooien en heb ze een openbare begrafenis gegeven op mijn tafel. Daar liggen ze nog altijd in alle rust waar iedereen ze kan zien. Ik denk niet dat dode vliegen rotten en als ze het wel doen is het in alle stilte. Een wesp heeft zich ernaast gelegd. Stilletjes als een muis die ik niet in huis heb of ze moeten zich dood houden in de muren. Al kan ik mij dat laatste weer niet voorstellen met alle katten die in de buurt wonen. Geen muis zou het hier overleven, zoals de meeste planten ook snel doodgaan.
De wesp heb ik per ongeluk onthoofd nadat hij allang levenloos op tafel lag. Met een kop koffie en een broodje in de hand viel zijn lichaam weg van het denkende gedeelte. Ik voelde mij een beetje schuldig. Zo'n mooi diertje opeens zonder hoofd, maar ik kon er niets aan doen. Het was een ongeluk. De langpootmug op de hoek zag het allemaal gebeuren, al zagen zijn ogen niet echt wat. Ook daar was het leven uit hem geknepen, dit keer wel door mijn hand omdat ik het geen prettige beesten vind om in leven te houden.
Ik heb ook nog een kamer waar ik mijn was ophang. Daar vind ik altijd de meeste dieren dood op de grond. Vliegen, motten, spinnen en zelfs hele andere dieren. Ik kan er geen beschrijving aan geven omdat ik ze zonder pardon uit mijn huis verwijder. Meestal zet ik het raam open en gooi ze in de tuin van mijn buurman. Hij merkt een dier meer of minder toch niet op. Dat is de zegen van nooit thuis zijn en blinder dan een rioolrat. Waarom ik de dieren daar niet laat liggen weet ik eigenlijk niet, maar ze horen er niet. Ik wil geen dood op de plaats waar mijn was zich ter drogen legt. Daar mag alleen het water verdwijnen uit nat wasgoed en niet het leven uit willekeurige dieren. Er zijn regels waar iedereen zich aan moet houden.
In mijn keuken is het rustig. Daar vind ik alleen dode bladeren. Bladeren die door de wind en het geopende raam naar binnen waaien. Meestal in de herfst als ze vallen, zoals het eigenlijk ook hoort. Een van die bladeren heeft er eens jaren gelegen voordat ik hem wist te vinden. Het was een zielig hoopje verdroogde rommel geworden. Iets wat zich niet eens normaal liet oppakken zonder helemaal te verbrokkelen. Ik heb het moeten verwijderen met de stofzuiger, zoals ik eigenlijk alle dode dieren uit mijn huis verwijder. Op die manier verwijder ik ze niet echt, maar bewaar ze nog jaren in de stofzuigerzak. Bij alle huidschilfers en ander troep die ik op de grond heb zien liggen. Morgen moet ik weer stofzuigen voordat ik struikel over een dode vlieg of mot. Of misschien ligt er wel een langpootmug stof te verzamelen op een plek die ik niet wil. Dat kan niet, dat mag niet. Er zijn regels, ook voor de dood in mijn woning.
7 juni 2010
Studie-ontwijkend gedrag
Dagen geleden voelde ik mij niet zo lekker en dat gevoel is sindsdien niet meer weggegaan. Jammer genoeg is het geen verkoudheid of een andere ziekte die mij probeert te vellen door koorts-rillingen en ellendige gevoelens van algemene brakheid. Ik krijg weer eens mijn hoofd niet op de juiste weg die ik wil volgen en mijn gedachten weigeren weer mee te werken aan de ideeën die ik over ze wil hebben.
Zelfs de vissen die inmiddels op mijn linkerarm beginnen te ontstaan weten mij niet beter te laten voelen dan ik normaal al ben. Ik wil het absoluut, maar het hoofd weigert verder mee te werken. Soms vind ik mijzelf terug in een klein hoekje van hetzelfde hoofd, verstopt onder een kleurig dekentje luisterend naar muziek somberder dan ik mij al überhaupt voel. Op dit moment lijkt de naargeestige muziek die ik aan het neerladen ben de enig oplossing te zijn tegen de ideeën om daadwerkelijk van de Golden Gate-brug te springen als ik ooit in San Francisco kom.
Voor wie het nog niet weet, ik heb ergens ooit beweerd dat ik van die brug zal springen als ik in die stad terecht zal komen. Dat idee las ik weer ergens anders op hetzelfde internet, waardoor het geen origineel maar wel een goed idee is. Niet dat ik het ooit zal doen, maar op dit moment zie ik het wel als een aanlokkelijk idee om ook daadwerkelijk uit te gaan voeren. Wat aan de andere kant ook weer raar is omdat ik totaal geen reden heb om van die stomme brug af te springen. Ik kan toch wel zwemmen, al zal de klap op het water mij de lust om de schoolslag te maken naar de kant flink ontnemen. Dit terzijde overigens, ik zal voorlopig San Francisco niet gaan bezoeken noch heb ik daar enige intentie toe. Ik voel mij alleen niet goed. Mijn hoofd doet raar en ik wil niet meer in dat hoekje zitten met die gekleurde deken over mij heen.
Toch zit ik daar en laad ik muziek neer die somberder is dan het donkerste hoekje van mijn kleurige deken en wil ik er naar luisteren. Ik wil luisteren naar de stem van die vrouw en haar cassetterecorder. Het goedkope orgeltje gevuld met natuurgeluiden maken mij vrolijk. Zo vrolijk dat ik tranen in mijn ogen krijg, maar ik kan er niet naar luisteren omdat ik het nog niet neergeladen heb en het nog langer gaat duren.
Misschien morgen... Misschien is het morgen allemaal op mijn computer gezet en kan ik heerlijk in stilte de kleurige deken van mijn hoofd trekken om te luisteren. Eindelijk kan ik dan luisteren naar de geluiden die ik in mijn hoofd denk te horen terwijl ik mij verschuil voor de wereld en denk aan springen van de Golden Gate-brug. Ik wil toch nog steeds springen van de Golden Gate-brug. Niet omdat ik het leven niet mooi vind of omdat ik het geluk van de wereld niet gevonden heb, maar juist omdat ik de wereld mooi vind en ik alle geluk in de wereld in handen heb. Ik kan er niet mee omgaan. Het is mij teveel en toch ook te weinig. Ik sta op een pad die ik altijd wilde gaan, maar de eerste stap wil ik niet zetten. Durf ik niet te zetten, waardoor ik hulp moet gaan vragen.
Alleen vraag maar eens hulp als je met een dekentje vol kleuren over jezelf heen getrokken in een hoekje van je hoofd aan het schuilen bent. Dan kan je beter luisteren naar de muziek die ik nu aan het neerladen ben. Om te huilen zo mooi en huilen wil ik nu doen. Grote dikke tranen over mijn wangen laten stromen, lange snikken diep vanuit mijn binnenste omhoog laten stijgen tot ik vermoeid neerval in je armen. Dat is mijn lot op dit moment en daarom wil ik weer schuilen onder mijn kleurige dekentje. Ik staar nu maar naar plaatjes van de Golden Gate-brug, waarna ik denk aan het harde water dat eronder door stroomt. Het verlossende water. Water dat in één klap het leven uit je zuigt. Water dat ik wil omhelzen terwijl de muziek in mijn oren speelt. Zal ik mijn dekentje mee mogen nemen naar San Francisco? Ik wil het je vragen, maar dat durf ik niet.
Ik moet verder gaan.
Zelfs de vissen die inmiddels op mijn linkerarm beginnen te ontstaan weten mij niet beter te laten voelen dan ik normaal al ben. Ik wil het absoluut, maar het hoofd weigert verder mee te werken. Soms vind ik mijzelf terug in een klein hoekje van hetzelfde hoofd, verstopt onder een kleurig dekentje luisterend naar muziek somberder dan ik mij al überhaupt voel. Op dit moment lijkt de naargeestige muziek die ik aan het neerladen ben de enig oplossing te zijn tegen de ideeën om daadwerkelijk van de Golden Gate-brug te springen als ik ooit in San Francisco kom.
Voor wie het nog niet weet, ik heb ergens ooit beweerd dat ik van die brug zal springen als ik in die stad terecht zal komen. Dat idee las ik weer ergens anders op hetzelfde internet, waardoor het geen origineel maar wel een goed idee is. Niet dat ik het ooit zal doen, maar op dit moment zie ik het wel als een aanlokkelijk idee om ook daadwerkelijk uit te gaan voeren. Wat aan de andere kant ook weer raar is omdat ik totaal geen reden heb om van die stomme brug af te springen. Ik kan toch wel zwemmen, al zal de klap op het water mij de lust om de schoolslag te maken naar de kant flink ontnemen. Dit terzijde overigens, ik zal voorlopig San Francisco niet gaan bezoeken noch heb ik daar enige intentie toe. Ik voel mij alleen niet goed. Mijn hoofd doet raar en ik wil niet meer in dat hoekje zitten met die gekleurde deken over mij heen.
Toch zit ik daar en laad ik muziek neer die somberder is dan het donkerste hoekje van mijn kleurige deken en wil ik er naar luisteren. Ik wil luisteren naar de stem van die vrouw en haar cassetterecorder. Het goedkope orgeltje gevuld met natuurgeluiden maken mij vrolijk. Zo vrolijk dat ik tranen in mijn ogen krijg, maar ik kan er niet naar luisteren omdat ik het nog niet neergeladen heb en het nog langer gaat duren.
Misschien morgen... Misschien is het morgen allemaal op mijn computer gezet en kan ik heerlijk in stilte de kleurige deken van mijn hoofd trekken om te luisteren. Eindelijk kan ik dan luisteren naar de geluiden die ik in mijn hoofd denk te horen terwijl ik mij verschuil voor de wereld en denk aan springen van de Golden Gate-brug. Ik wil toch nog steeds springen van de Golden Gate-brug. Niet omdat ik het leven niet mooi vind of omdat ik het geluk van de wereld niet gevonden heb, maar juist omdat ik de wereld mooi vind en ik alle geluk in de wereld in handen heb. Ik kan er niet mee omgaan. Het is mij teveel en toch ook te weinig. Ik sta op een pad die ik altijd wilde gaan, maar de eerste stap wil ik niet zetten. Durf ik niet te zetten, waardoor ik hulp moet gaan vragen.
Alleen vraag maar eens hulp als je met een dekentje vol kleuren over jezelf heen getrokken in een hoekje van je hoofd aan het schuilen bent. Dan kan je beter luisteren naar de muziek die ik nu aan het neerladen ben. Om te huilen zo mooi en huilen wil ik nu doen. Grote dikke tranen over mijn wangen laten stromen, lange snikken diep vanuit mijn binnenste omhoog laten stijgen tot ik vermoeid neerval in je armen. Dat is mijn lot op dit moment en daarom wil ik weer schuilen onder mijn kleurige dekentje. Ik staar nu maar naar plaatjes van de Golden Gate-brug, waarna ik denk aan het harde water dat eronder door stroomt. Het verlossende water. Water dat in één klap het leven uit je zuigt. Water dat ik wil omhelzen terwijl de muziek in mijn oren speelt. Zal ik mijn dekentje mee mogen nemen naar San Francisco? Ik wil het je vragen, maar dat durf ik niet.
Ik moet verder gaan.
4 juni 2010
In de armen van een groene fee
Nog geen enkele uren geleden wilde ik het liefste in de zachte armen van de groene fee liggen. Gewoon omdat ik behoefte had aan haar stevige armen om mij heen die mij rustig zouden begeleiden naar de vlakte van stilte en rust. Eindelijk zouden de stemmen in mijn hoofd verstommen tot een zacht ruis op de achtergrond en konden mijn zintuigen weer op volle toeren draaien. Misschien wist ik wel weer de grote hoogten van het enge niets om ons heen te bereiken en de vlakte die ik gecreëerd had zien.
Dat wilde ik enkele uren geleden en toch ook weer niet. Ik wilde helemaal niet wegzinken in de zachte, maar dwingende armen van deze fee. Ik wilde helder blijven terwijl de rust in mijn hoofd wederkeerde naar mijn kussen. Naar de kussens die ik in mijn nek had gelegd omdat ik mijn hoofd niet meer wilde optillen. Toch was er een verlangen naar de armen van mijn lieve groene fee. Gewoon eventjes tegen haar boterzachte boezem aanliggen terwijl ze met haar doorrookte stem lieve woorden in mijn oor fluisterde. Woorden die mijn bewustzijn langzaam zouden veranderen, mijn geest op andere gedachten zouden brengen en mij uiteindelijk lieten slapen in een droomloos geheel. Dat was mijn gevoel, mijn wens, mijn diepste verlangen wat ik uiteindelijk uitsprak tegen mijzelf en de ander.
Ik wilde helemaal niet meer. Ik ben de groene fee momenteel niet gunstig gezind aangezien zij mij langzaam ziek probeert te maken. Elke keer als ik in haar armen lag wist ik te ontwaken met hoofdpijn en dat kan ik morgen niet gebruiken. Morgen wil ik de vissen eindelijk op mijn huid laten zwemmen. Een lang gekoesterde wens gaat eindelijk in vervulling, wat met zoveel spanning gepaard ging dat ik ergens verlangde naar vroeger. Naar de dagen dat de groene fee dagelijks op bezoek leek te komen, zelfs op de dagen dat ze helemaal niet thuis was. Ik dacht terug aan het verlangen en de zachte, tedere aanraking die zij mij gaf. Maar ook aan de ellende van het opstaan de volgende dag. Ik wist dat ik haar moest buitensluiten, dat zij vandaag geen deel moest uitmaken van mijn leven. Als ik de vissen wil laten zwemmen zal ik de dromen volledige toegang tot mijn geest moeten geven.
Iets wat ik nu ga doen. Ik ga slapen om morgenochtend de afspraak met de vissen compleet te maken. Daar moet ik naar uitkijken, niet naar de mooie maar gevaarlijke armen van mijn oude, vertrouwde groene fee. Ik neem vandaag afscheid van haar door haar niet binnen te laten. Ze hoort bij een verleden waar ik niet meer ben, alleen af en toe zal ik in haar armen kruipen om de vlakte van rust te betreden. De vlakte die hier altijd is en zal blijven. Ik groet je, groene fee. Bedankt voor alles, maar morgen komen de vissen. Morgen komen de vissen om voor altijd bij mij te zijn.
Dat wilde ik enkele uren geleden en toch ook weer niet. Ik wilde helemaal niet wegzinken in de zachte, maar dwingende armen van deze fee. Ik wilde helder blijven terwijl de rust in mijn hoofd wederkeerde naar mijn kussen. Naar de kussens die ik in mijn nek had gelegd omdat ik mijn hoofd niet meer wilde optillen. Toch was er een verlangen naar de armen van mijn lieve groene fee. Gewoon eventjes tegen haar boterzachte boezem aanliggen terwijl ze met haar doorrookte stem lieve woorden in mijn oor fluisterde. Woorden die mijn bewustzijn langzaam zouden veranderen, mijn geest op andere gedachten zouden brengen en mij uiteindelijk lieten slapen in een droomloos geheel. Dat was mijn gevoel, mijn wens, mijn diepste verlangen wat ik uiteindelijk uitsprak tegen mijzelf en de ander.
Ik wilde helemaal niet meer. Ik ben de groene fee momenteel niet gunstig gezind aangezien zij mij langzaam ziek probeert te maken. Elke keer als ik in haar armen lag wist ik te ontwaken met hoofdpijn en dat kan ik morgen niet gebruiken. Morgen wil ik de vissen eindelijk op mijn huid laten zwemmen. Een lang gekoesterde wens gaat eindelijk in vervulling, wat met zoveel spanning gepaard ging dat ik ergens verlangde naar vroeger. Naar de dagen dat de groene fee dagelijks op bezoek leek te komen, zelfs op de dagen dat ze helemaal niet thuis was. Ik dacht terug aan het verlangen en de zachte, tedere aanraking die zij mij gaf. Maar ook aan de ellende van het opstaan de volgende dag. Ik wist dat ik haar moest buitensluiten, dat zij vandaag geen deel moest uitmaken van mijn leven. Als ik de vissen wil laten zwemmen zal ik de dromen volledige toegang tot mijn geest moeten geven.
Iets wat ik nu ga doen. Ik ga slapen om morgenochtend de afspraak met de vissen compleet te maken. Daar moet ik naar uitkijken, niet naar de mooie maar gevaarlijke armen van mijn oude, vertrouwde groene fee. Ik neem vandaag afscheid van haar door haar niet binnen te laten. Ze hoort bij een verleden waar ik niet meer ben, alleen af en toe zal ik in haar armen kruipen om de vlakte van rust te betreden. De vlakte die hier altijd is en zal blijven. Ik groet je, groene fee. Bedankt voor alles, maar morgen komen de vissen. Morgen komen de vissen om voor altijd bij mij te zijn.
21 mei 2010
Voer voor de wolven
Helemaal precies weet ik het niet meer, aangezien mijn herinneringen de laatste tijd een beetje vaag zijn, maar enkele dagen geleden wist ik een paar kinderen uit de buurt te strikken om met mij mee te gaan. Ze vertrouwde mij volkomen, tenslotte ben ik de vader van één van hun vriendjes en gaaf ik ze wel eens een snoepje. Meestal als ik in een goede bui ben of gewoon vind dat die kinderen vlak voor het eten best nog even mogen snoepen. Ze zijn tenslotte niet mijn kinderen, mijn kinderen krijgen vlak voor het eten echt geen snoepgoed meer. Dat verpest hun eetlust en ook hun tanden (maar dat zeggen alleen mensen die bij de tandarts zitten)
In ieder geval liepen die kinderen gedwee met mij mee zonder ook maar één moment zichzelf af te vragen waar we heen zouden gaan. Ik leidde ze rustig door de buurt terwijl ik vertelde over dingen die kinderen interessant vinden. Vooral verhalen over bloederige veldslagen, schone jonkvrouwen die gered moesten worden en hele dikke draken die niet konden vliegen vonden ze boeiend. Hiermee hield ik hun aandacht vast tot we op de plaats aankwamen waar ik ze wilde hebben. Mijn oude buurt namelijk, de plaats waar ik opgegroeid was en waar ik mijn kindertijd verdeed met spelen in de dichte bossen achter mijn huis.
Ik wees tussen de bomen en vertelde ze dat daar een verlaten hut stond. Ook vertelde ik ze dat er vroeger, toen ik klein was een oude man woonde die ergens bij zijn huis een schat had begraven. Gewoon een kist met geld of iets dergelijks, maar het was in ieder geval nog nooit gevonden en misschien lag die kist er nog wel... Hun ogen begonnen te glimmen, in hun kleine fantasieën zag ik de muntstukken al te voorschijn komen en ze zichzelf rijk rekenen. De kleine hebberige parasieten die ze waren.. Ze wilde dat ik hen naar de hut begeleidde, tenslotte was ik degene die wist waar de oude man gewoond had. Ze wilde alles van de man weten. Hoe oud hij was geworden, waarom hij daar woonde en vooral hoe groot de schat was. Ik zei dat ik dat niet wist, ik kwam nooit bij de man in de buurt. Hij was nogal chagrijnig en totaal niet gesteld op kinderen. Ik speelde alleen in de bossen als hij weg was. Boodschappen doen of iets dergelijk en zelfs dan kwamen we niet in de buurt van zijn huis. Maar goed, ik wilde ze er wel heenbrengen.
Uiteindelijk zou geen van de kinderen ooit nog de bomenrij verlaten. De bomen waar ze tussendoor stapten zouden de laatste zijn die ze ooit nog te zien kregen. Ergens in het bos heb ik ze achtergelaten, vastgebonden aan een boom. Als voer voor de wolven die daar rondzwerven. Al weet ik niet of de wolven echt zijn of dat ze alleen in mijn geest bestaan, maar de kinderen in het bos denken wel dat ze echt zijn. Na een paar dagen ga ik terug om te kijken naar hun uitgekloven lichamen. Ik hoop dat ze half uit elkaar gerukt aan de boom hangen. Misschien zijn hun ogen wel uitgepikt door kraaien terwijl ze nog leefden. Misschien begonnen de wolven wel te knagen aan hun benen terwijl ze het uitgilden van de pijn! Ik hoop het, ik hoop het van harte. Mijn fantasie slaat op hol als ik denk aan de kinderen die nu al dagen in het bos staan. Vastgebonden aan bomen en niets anders kunnen doen dan wachten tot de wolven komen. Ik geniet bij de gedachte.
Omdat ik mij niet kon bedwingen, mijn nieuwsgierigheid was te groot ben ik al wezen kijken. Eén kind leefde nog, hij stond krijsend en gillend naar mij te kijken. Doodsbang als hij was. Zijn vriendjes hadden inmiddels het leven al gelaten, alleen waren ze nog niet opgevreten door wolven. Wel waren wat ogen uitgepikt door vogels. Ik hoop kraaien, want kraaien vind ik mooie beesten. De zwarte glans van hun veren weerkaatst zo mooi als de zon schijnt, hun ogen priemen in de wereld. Ik hou van kraaien, zoals ik van de dode kinderen met hun uitgepikte ogen hou. Het laatste kind heb ik eenzaam achtergelaten. Het schreeuwde niet meer toen ik het verliet, slechts een ongelukkig snikken ontsnapte aan zijn keel maar zelfs dat hoorde ik niet meer.
Vandaag vroeg iemand aan mij of ik haar kind gezien had. Ik schudde van niet, mijn herinneringen zijn vaag. Ik weet het niet goed meer. Ergens denk ik dat ik het bos gedroomd heb. Dat ik het allemaal gedroomd heb en alleen de wolven echt zijn. Ik hoop maar dat de wolven genoeg te eten hebben, anders komen ze voor mij.
In ieder geval liepen die kinderen gedwee met mij mee zonder ook maar één moment zichzelf af te vragen waar we heen zouden gaan. Ik leidde ze rustig door de buurt terwijl ik vertelde over dingen die kinderen interessant vinden. Vooral verhalen over bloederige veldslagen, schone jonkvrouwen die gered moesten worden en hele dikke draken die niet konden vliegen vonden ze boeiend. Hiermee hield ik hun aandacht vast tot we op de plaats aankwamen waar ik ze wilde hebben. Mijn oude buurt namelijk, de plaats waar ik opgegroeid was en waar ik mijn kindertijd verdeed met spelen in de dichte bossen achter mijn huis.
Ik wees tussen de bomen en vertelde ze dat daar een verlaten hut stond. Ook vertelde ik ze dat er vroeger, toen ik klein was een oude man woonde die ergens bij zijn huis een schat had begraven. Gewoon een kist met geld of iets dergelijks, maar het was in ieder geval nog nooit gevonden en misschien lag die kist er nog wel... Hun ogen begonnen te glimmen, in hun kleine fantasieën zag ik de muntstukken al te voorschijn komen en ze zichzelf rijk rekenen. De kleine hebberige parasieten die ze waren.. Ze wilde dat ik hen naar de hut begeleidde, tenslotte was ik degene die wist waar de oude man gewoond had. Ze wilde alles van de man weten. Hoe oud hij was geworden, waarom hij daar woonde en vooral hoe groot de schat was. Ik zei dat ik dat niet wist, ik kwam nooit bij de man in de buurt. Hij was nogal chagrijnig en totaal niet gesteld op kinderen. Ik speelde alleen in de bossen als hij weg was. Boodschappen doen of iets dergelijk en zelfs dan kwamen we niet in de buurt van zijn huis. Maar goed, ik wilde ze er wel heenbrengen.
Uiteindelijk zou geen van de kinderen ooit nog de bomenrij verlaten. De bomen waar ze tussendoor stapten zouden de laatste zijn die ze ooit nog te zien kregen. Ergens in het bos heb ik ze achtergelaten, vastgebonden aan een boom. Als voer voor de wolven die daar rondzwerven. Al weet ik niet of de wolven echt zijn of dat ze alleen in mijn geest bestaan, maar de kinderen in het bos denken wel dat ze echt zijn. Na een paar dagen ga ik terug om te kijken naar hun uitgekloven lichamen. Ik hoop dat ze half uit elkaar gerukt aan de boom hangen. Misschien zijn hun ogen wel uitgepikt door kraaien terwijl ze nog leefden. Misschien begonnen de wolven wel te knagen aan hun benen terwijl ze het uitgilden van de pijn! Ik hoop het, ik hoop het van harte. Mijn fantasie slaat op hol als ik denk aan de kinderen die nu al dagen in het bos staan. Vastgebonden aan bomen en niets anders kunnen doen dan wachten tot de wolven komen. Ik geniet bij de gedachte.
Omdat ik mij niet kon bedwingen, mijn nieuwsgierigheid was te groot ben ik al wezen kijken. Eén kind leefde nog, hij stond krijsend en gillend naar mij te kijken. Doodsbang als hij was. Zijn vriendjes hadden inmiddels het leven al gelaten, alleen waren ze nog niet opgevreten door wolven. Wel waren wat ogen uitgepikt door vogels. Ik hoop kraaien, want kraaien vind ik mooie beesten. De zwarte glans van hun veren weerkaatst zo mooi als de zon schijnt, hun ogen priemen in de wereld. Ik hou van kraaien, zoals ik van de dode kinderen met hun uitgepikte ogen hou. Het laatste kind heb ik eenzaam achtergelaten. Het schreeuwde niet meer toen ik het verliet, slechts een ongelukkig snikken ontsnapte aan zijn keel maar zelfs dat hoorde ik niet meer.
Vandaag vroeg iemand aan mij of ik haar kind gezien had. Ik schudde van niet, mijn herinneringen zijn vaag. Ik weet het niet goed meer. Ergens denk ik dat ik het bos gedroomd heb. Dat ik het allemaal gedroomd heb en alleen de wolven echt zijn. Ik hoop maar dat de wolven genoeg te eten hebben, anders komen ze voor mij.
26 maart 2010
Dichter op de huid zitten
Het is vrij normaal dat je aan mensen die je ontmoet vraagt hoe het met ze gaat. Dat doe je überhaupt met iedereen die je die dag voor het eerst spreekt, tenminste als je een belangstelling voor die persoon hebt... Alleen geeft eigenlijk zelden iemand een eerlijk antwoord. Altijd zeg je dat het "wel goed gaat" of als je in een extreem positieve bui ben zeg je dat het gewoon "uitstekend" gaat. Dat hoort ook, je gaat niet vertellen dat je eigenlijk in een put zit. Dat zwarte gedachten door je hoofd spoken en je het liefste met een dekentje over je hoofd in een hoek gaat zitten. Dat gaat niemand wat aan namelijk en als er wel personen zijn die het wat aangaat vertel je het ook liever niet. Niemand wil horen dat je in een depressie zit of jezelf gewoon even zwaar klote voelt. Dat hoort niet, dat verpest een ander zijn dag.
Dat is ook de reden dat ik aan niemand vertel dat ik weer met duisternis in mijn hoofd rondloop. Vooral niet omdat ik niet alleen duisternis in mijn hoofd heb, maar ook een grote mate van zonlicht en blijdschap. Ik kan niemand uitleggen dat ik ontzettend blij ben, maar vanochtend met heel veel moeite uit bed kon komen. Dat ik liever mijn hoofd verstop onder de dekens in de hoofd langzaam gesmoord te raken onder het linnen dan de wereld in te gaan, maar dat ik aan de andere kant ook van de daken wil schreeuwen dat ik gelukkig ben. Ik ben ook gelukkig, maar toch voel ik mij uitermate somber. Ik voel tegenstrijdigheden in mijn lichaam en daardoor ben ik mij (eindelijk) bewust van mijn emoties.
Ik voel nu dingen die ik niet snap, niet wil snappen maar toch zal moeten gaan snappen. De laatste tijd heb ik dingen gedaan, verteld aan iemand die ik nog nooit aan iemand verteld heb. Persoonlijke dingen, angsten en stukken uit mijn verleden. Sommige dingen zijn al bekend, bij mij, bij anderen en bij jou maar er waren ook nieuwe zaken bij. Zaken die alleen ik wist, zaken die zelfs ik niet wist en die ik jou ook niet verteld heb. De openheid brengt gevoel met zich mee. Emoties die ik nu kan aanraken, bevatten en vooral in alle hevigheid kan voelen. Ik voel mijn verleden op mij drukken zonder dat het mij bezwaard, alleen het idee drukt als een last op mij. Alleen het idee maakt mij lusteloos en depressief. Ik wil deze emoties niet meer, het liefst zou ik helemaal niets meer voelen maar dat heeft zo'n verregaande consequentie dat ik er niet eens aan wil denken.
De gelukkige depressie zal ik moeten doormaken. Ik sta hier met mijn hart open en bloot voor de wereld. Het liefste zou ik onmiddellijk weer dichtklappen, poppetje gezien en kastje weer dicht maar ik weet waar dat naar toe zal leiden. Ik weet dat ik dan nergens zal komen, nooit. Ik moet doorzetten. Ik moet voelen en doorgaan. Dan maar depressief als ik ook het geluk kan voelen. Volgens mij ben ik de eerste die depressief van geluk geworden is. Van geluk en alle emoties die de laatste tijd naar boven lijken te komen. Emoties die ik best snap, al weiger ik ze nog steeds om echt te voelen.... maar ik heb geen keus. Ik moet voelen, ik moet voelen! Ze zitten mij steeds dichter op de huid.
Dat is ook de reden dat ik aan niemand vertel dat ik weer met duisternis in mijn hoofd rondloop. Vooral niet omdat ik niet alleen duisternis in mijn hoofd heb, maar ook een grote mate van zonlicht en blijdschap. Ik kan niemand uitleggen dat ik ontzettend blij ben, maar vanochtend met heel veel moeite uit bed kon komen. Dat ik liever mijn hoofd verstop onder de dekens in de hoofd langzaam gesmoord te raken onder het linnen dan de wereld in te gaan, maar dat ik aan de andere kant ook van de daken wil schreeuwen dat ik gelukkig ben. Ik ben ook gelukkig, maar toch voel ik mij uitermate somber. Ik voel tegenstrijdigheden in mijn lichaam en daardoor ben ik mij (eindelijk) bewust van mijn emoties.
Ik voel nu dingen die ik niet snap, niet wil snappen maar toch zal moeten gaan snappen. De laatste tijd heb ik dingen gedaan, verteld aan iemand die ik nog nooit aan iemand verteld heb. Persoonlijke dingen, angsten en stukken uit mijn verleden. Sommige dingen zijn al bekend, bij mij, bij anderen en bij jou maar er waren ook nieuwe zaken bij. Zaken die alleen ik wist, zaken die zelfs ik niet wist en die ik jou ook niet verteld heb. De openheid brengt gevoel met zich mee. Emoties die ik nu kan aanraken, bevatten en vooral in alle hevigheid kan voelen. Ik voel mijn verleden op mij drukken zonder dat het mij bezwaard, alleen het idee drukt als een last op mij. Alleen het idee maakt mij lusteloos en depressief. Ik wil deze emoties niet meer, het liefst zou ik helemaal niets meer voelen maar dat heeft zo'n verregaande consequentie dat ik er niet eens aan wil denken.
De gelukkige depressie zal ik moeten doormaken. Ik sta hier met mijn hart open en bloot voor de wereld. Het liefste zou ik onmiddellijk weer dichtklappen, poppetje gezien en kastje weer dicht maar ik weet waar dat naar toe zal leiden. Ik weet dat ik dan nergens zal komen, nooit. Ik moet doorzetten. Ik moet voelen en doorgaan. Dan maar depressief als ik ook het geluk kan voelen. Volgens mij ben ik de eerste die depressief van geluk geworden is. Van geluk en alle emoties die de laatste tijd naar boven lijken te komen. Emoties die ik best snap, al weiger ik ze nog steeds om echt te voelen.... maar ik heb geen keus. Ik moet voelen, ik moet voelen! Ze zitten mij steeds dichter op de huid.
28 februari 2010
De zee en veranderingen
De wind blaast door mijn haren als ik uitkijk over de uitgestrekte zee voor mij. Ik voel mij raar, leeg en gevuld tegelijkertijd. Ergens ben ik helemaal alleen terwijl ik de liefde voel. De golven slaan over mijn voeten, mijn broekspijpen raken doorweekt. Ik kijk uit over de zee terwijl mijn hart in mijn keel klopt.
Het onbekende is aan mijn deur gekomen en heeft mij een weg gewezen die ik nog niet eerder kende. Ik ben bang, maar omhels het met beide armen. De verandering is vreemd, moeilijk en zeer beangstigend en toch heb ik het idee dat ik de goede weg ingeslagen ben. De zee spreekt tegen mij, woorden die mij innerlijke werkingen zo diep raken dat ik er geen raad mee weet. Ik luister naar de woorden, hoor ze en laat ze tot mij doordringen. Mijn ziel is geraakt en dat beangstigd mij op meer manier dan ik voor mogelijk wist te houden.
De zee is groot, uitgestrekt en kan mij zonder enig probleem compleet opslokken. Toch stap ik erin, schijnbaar onbevreesd en manmoedig maar van binnen is het een ander verhaal. De tweestrijd in mijzelf is losgebarsten. De depressie vecht tegen de manische gevoelens die door mijn lichaam gieren. Ik kijk mijn ogen dicht voor het licht, maar de felle kleuren achter mijn oogleden weten mij ook niet gerust te stellen. Zelfs zij zijn in twee personen gespleten.
Ik zie de golven op mij afkomen, geroepen door mijn eigen stem. Alles wat ik doe roep ik over mijzelf af. De angst en vreugde die ik voel zijn door mijn eigen toedoen en ik vind het heerlijk. Ik geniet van de angst, maar vervloek deze ook. Mijn raadgever is het niet meer, nooit geweest maar het was toch een soort vriend. Eentje die niet lijkt weg te gaan en je daarom accepteert in je leven. Maar die vriend heeft zich laten vervangen door iets anders. iets wat ik niet kan begrijpen en wat mij in verwarring achterlaat.
Toch blijf ik hier staan om langzaam stapje voor stapje naar voren te lopen. De verwarring is mijn eigen toedoen, de dualiteit van mijn gevoel neem ik voor lief. Ik begrijp mijzelf niet meer, maar dat deden anderen ook al niet. Ik hoor de woorden van de zee nog een keer en weet dat ik de weg gerust kan bewandelen. Uiteindelijk zal ik weer in een bos terecht komen, een woud van bomen waarin ik mij veilig kan wanen. Al weet ik best dat de bossen van de wereld gevuld zijn met roofdieren en gevaar, maar dat zijn bekende gevaren. Dat zijn angsten die ik weet te troosten met andere angsten. Hier aan de zee moet ik mij openstellen voor de indrukken. Ik stel mij open, mijn muren geslecht door de golven welke ik over mijzelf afroep.
Spreek je woorden, spreek je waarheid. Ik zal naar je luisteren, altijd. Ik zal voor je open staan zoals de zee voor mij openstaat. Zonder schroom zal ik de weg bewandelen en de veranderingen met plezier en angst tegemoet treden. Ik ben bang, maar het weerhoudt mij niet meer!
Het onbekende is aan mijn deur gekomen en heeft mij een weg gewezen die ik nog niet eerder kende. Ik ben bang, maar omhels het met beide armen. De verandering is vreemd, moeilijk en zeer beangstigend en toch heb ik het idee dat ik de goede weg ingeslagen ben. De zee spreekt tegen mij, woorden die mij innerlijke werkingen zo diep raken dat ik er geen raad mee weet. Ik luister naar de woorden, hoor ze en laat ze tot mij doordringen. Mijn ziel is geraakt en dat beangstigd mij op meer manier dan ik voor mogelijk wist te houden.
De zee is groot, uitgestrekt en kan mij zonder enig probleem compleet opslokken. Toch stap ik erin, schijnbaar onbevreesd en manmoedig maar van binnen is het een ander verhaal. De tweestrijd in mijzelf is losgebarsten. De depressie vecht tegen de manische gevoelens die door mijn lichaam gieren. Ik kijk mijn ogen dicht voor het licht, maar de felle kleuren achter mijn oogleden weten mij ook niet gerust te stellen. Zelfs zij zijn in twee personen gespleten.
Ik zie de golven op mij afkomen, geroepen door mijn eigen stem. Alles wat ik doe roep ik over mijzelf af. De angst en vreugde die ik voel zijn door mijn eigen toedoen en ik vind het heerlijk. Ik geniet van de angst, maar vervloek deze ook. Mijn raadgever is het niet meer, nooit geweest maar het was toch een soort vriend. Eentje die niet lijkt weg te gaan en je daarom accepteert in je leven. Maar die vriend heeft zich laten vervangen door iets anders. iets wat ik niet kan begrijpen en wat mij in verwarring achterlaat.
Toch blijf ik hier staan om langzaam stapje voor stapje naar voren te lopen. De verwarring is mijn eigen toedoen, de dualiteit van mijn gevoel neem ik voor lief. Ik begrijp mijzelf niet meer, maar dat deden anderen ook al niet. Ik hoor de woorden van de zee nog een keer en weet dat ik de weg gerust kan bewandelen. Uiteindelijk zal ik weer in een bos terecht komen, een woud van bomen waarin ik mij veilig kan wanen. Al weet ik best dat de bossen van de wereld gevuld zijn met roofdieren en gevaar, maar dat zijn bekende gevaren. Dat zijn angsten die ik weet te troosten met andere angsten. Hier aan de zee moet ik mij openstellen voor de indrukken. Ik stel mij open, mijn muren geslecht door de golven welke ik over mijzelf afroep.
Spreek je woorden, spreek je waarheid. Ik zal naar je luisteren, altijd. Ik zal voor je open staan zoals de zee voor mij openstaat. Zonder schroom zal ik de weg bewandelen en de veranderingen met plezier en angst tegemoet treden. Ik ben bang, maar het weerhoudt mij niet meer!
21 februari 2010
Een boek om te lezen
Het is niet vaak dat iemand de kans krijgt om zijn favoriete boek te bespreken. Nu krijg ik de kans waarschijnlijk nooit de kans, zodat er maar één ding opzit en deze kans gewoon te nemen. Nu neem ik überhaupt graag dingen, naast kansen omdat het een mogelijkheid tot geven oplevert. Bij deze ga ik ook wat geven. Ik ga jullie een stukje geven uit mijn favoriete boek aller tijden. Tot op de dag van vandaag ben ik blij dat ik het boek in mijn handen gedrukt kreeg met de woorden "dit moet je lezen!" waarna er aan toegevoegd werd "..dan weet je gelijk waar Current 93 en Nurse with Wound het vroeger over hadden..." Woorden die de lading meer dan dekte, maar nog steeds de genialiteit van het boek bleef onbelicht. Hoe kan het ook anders, sommige zaken zijn met geen pen te beschrijven. Sommige zaken moet je gewoon beleven, gewoon lezen.
Dit is zo'n boek. Je moet het gewoon lezen en jezelf onderdompelen in de berg misantropische teksten welke het boek rijk is. Om die reden zal ik een heel klein stukje ter jullie vermaak hier neerschrijven. Beter dan dit kan niemand schrijven, beter dan dit zal het nooit worden behalve wanneer je de rest ook gaat lezen. Ik begin gewoon ergens, zonder inleiding of aanleiding.
Op een zekere dag, toen ik moe was van het steile pad van de aardse reis af te lopen en, wankelend als een beschonkene, verder door de duistere katakomben van het leven, sloeg ik langzaam mijn levensmoede ogen, die met grote blauwe kringen waren omrand, op naar het firmament en ik waagde het, zo jong als ik was, de mysteries van de hemel binnen te dringen! Toen ik niet vond wat ik zocht, lichtte ik mijn ontstelde oogleden hoger en hoger op, tot ik een troon bemerkte, die van menselijke uitwerpselen en goud was gemaakt, en daarop troonde met een idiote trots, in een doodskleed van ziekenhuislakens, hij die zichzelf betitelt als de Schepper!
In zijn hand hield hij de vergane romp van een dood mens en bracht die afwisselend van zijn ogen naar zijn neus naar zijn mond, en was hij er eenmaal mee bij zijn mond, dan begrijpt u wel wat hij ermee deed. Zijn voeten waren in een enorme poel kokend bloed gedompeld, aan de oppervlakte waarvan plotseling, als lintwormen uit de inhoud van een kamerpot, twee of drie voorzichtige hoofden bovenkwamen, en onmiddellijk weer pijlsnel wegdoken: een goedgemikte trap op het neusbeen was de bekende beloning voor dit verzet tegen de regels, ontstaan uit de behoefte in een andere omgeving te ademen: want tenslotte waren die mensen geen vissen!
Hoogstens amfibieën, die dicht onder de oppervlakte in dit smerige vocht zwommen... totdat de Schepper niets meer in zijn handen had, en, met de twee voorste klauwen van zijn voet, een andere duiker, als in een tang, bij de nek greep, en hem omhoog tilde, uit de roodachtige modder, een heerlijke saus! Met deze deed hij net als met de vorige. Hij verslond eerst het hoofd, de benen en de armen, en tenslotte de romp tot er niets meer over bleef; want ook de beenderen peuzelde hij op. En zo ging hij door, gedurende de verdere uren van zijn eeuwigheid. Af en toe riep hij uit: "Ik heb jullie geschapen, dus heb ik het recht met jullie te doen wat ik wil. Jullie hebben mij niets gedaan, dat zal ik niet tegenspreken. Ik laat jullie lijden, omdat ik daar plezier in heb."
En hij zette zijn wrede maaltijd voort, waarbij hij zijn onderkaak bewoog. O lezer, loopt bij deze laatste bijzonderheid u niet het water in de mond? Dat eet niet iedereen, zulke lekkere verse hersenen, die pas een kwartier geleden zijn opgevist uit de visvijver.
Comte de Lautrémont - De zangen van Maldoror (excerpt)
Het boek is gevuld met nog veel prachtigere teksten. Het spreekt van een ontzettende minachting, misschien zelfs verachting van de mensheid in archische woorden welke niet iedereen kan waarderen. Nu moet ik er wel bij vertellen dat het boek "De zangen van Maldoror" al in 1869 uitgegeven werd. Al durfde de uitgever in die tijd niet echt ruchtbaarheid aan het boek te geven en werd het pas uit de vergetelheid getrokken toen het ontdekt werd door de grote Surrealisten zoals op de achterzijde te lezen is. Van de schrijver Comte de Lautrémont is nog minder bekend dan van het enige boek dat hij geschreven heeft.
Voor mij maakt het allemaal niet uit. Het is gewoon een prachtig boek om te lezen. Absoluut geen gemakkelijk boek, maar eenmaal gegrepen door de tekst laat deze je nooit meer los. De zangen van Maldoror is en blijft het mooiste boek ooit geschreven en iedereen die wenst hier tegenin te gaan moet het eerst maar gaan lezen. Ik daag je hierbij uit!
Dit is zo'n boek. Je moet het gewoon lezen en jezelf onderdompelen in de berg misantropische teksten welke het boek rijk is. Om die reden zal ik een heel klein stukje ter jullie vermaak hier neerschrijven. Beter dan dit kan niemand schrijven, beter dan dit zal het nooit worden behalve wanneer je de rest ook gaat lezen. Ik begin gewoon ergens, zonder inleiding of aanleiding.
Op een zekere dag, toen ik moe was van het steile pad van de aardse reis af te lopen en, wankelend als een beschonkene, verder door de duistere katakomben van het leven, sloeg ik langzaam mijn levensmoede ogen, die met grote blauwe kringen waren omrand, op naar het firmament en ik waagde het, zo jong als ik was, de mysteries van de hemel binnen te dringen! Toen ik niet vond wat ik zocht, lichtte ik mijn ontstelde oogleden hoger en hoger op, tot ik een troon bemerkte, die van menselijke uitwerpselen en goud was gemaakt, en daarop troonde met een idiote trots, in een doodskleed van ziekenhuislakens, hij die zichzelf betitelt als de Schepper!
In zijn hand hield hij de vergane romp van een dood mens en bracht die afwisselend van zijn ogen naar zijn neus naar zijn mond, en was hij er eenmaal mee bij zijn mond, dan begrijpt u wel wat hij ermee deed. Zijn voeten waren in een enorme poel kokend bloed gedompeld, aan de oppervlakte waarvan plotseling, als lintwormen uit de inhoud van een kamerpot, twee of drie voorzichtige hoofden bovenkwamen, en onmiddellijk weer pijlsnel wegdoken: een goedgemikte trap op het neusbeen was de bekende beloning voor dit verzet tegen de regels, ontstaan uit de behoefte in een andere omgeving te ademen: want tenslotte waren die mensen geen vissen!
Hoogstens amfibieën, die dicht onder de oppervlakte in dit smerige vocht zwommen... totdat de Schepper niets meer in zijn handen had, en, met de twee voorste klauwen van zijn voet, een andere duiker, als in een tang, bij de nek greep, en hem omhoog tilde, uit de roodachtige modder, een heerlijke saus! Met deze deed hij net als met de vorige. Hij verslond eerst het hoofd, de benen en de armen, en tenslotte de romp tot er niets meer over bleef; want ook de beenderen peuzelde hij op. En zo ging hij door, gedurende de verdere uren van zijn eeuwigheid. Af en toe riep hij uit: "Ik heb jullie geschapen, dus heb ik het recht met jullie te doen wat ik wil. Jullie hebben mij niets gedaan, dat zal ik niet tegenspreken. Ik laat jullie lijden, omdat ik daar plezier in heb."
En hij zette zijn wrede maaltijd voort, waarbij hij zijn onderkaak bewoog. O lezer, loopt bij deze laatste bijzonderheid u niet het water in de mond? Dat eet niet iedereen, zulke lekkere verse hersenen, die pas een kwartier geleden zijn opgevist uit de visvijver.
Comte de Lautrémont - De zangen van Maldoror (excerpt)
Het boek is gevuld met nog veel prachtigere teksten. Het spreekt van een ontzettende minachting, misschien zelfs verachting van de mensheid in archische woorden welke niet iedereen kan waarderen. Nu moet ik er wel bij vertellen dat het boek "De zangen van Maldoror" al in 1869 uitgegeven werd. Al durfde de uitgever in die tijd niet echt ruchtbaarheid aan het boek te geven en werd het pas uit de vergetelheid getrokken toen het ontdekt werd door de grote Surrealisten zoals op de achterzijde te lezen is. Van de schrijver Comte de Lautrémont is nog minder bekend dan van het enige boek dat hij geschreven heeft.
Voor mij maakt het allemaal niet uit. Het is gewoon een prachtig boek om te lezen. Absoluut geen gemakkelijk boek, maar eenmaal gegrepen door de tekst laat deze je nooit meer los. De zangen van Maldoror is en blijft het mooiste boek ooit geschreven en iedereen die wenst hier tegenin te gaan moet het eerst maar gaan lezen. Ik daag je hierbij uit!
Abonneren op:
Posts (Atom)