Daar sta ik dan, de eerste keer dat ik iemand van de ongediertebestrijding laat komen en gelijk na binnenkomst loopt die vent weer weg. Ik overdrijf nu een beetje, hij is wel iets langer gebleven maar heel lang erg lang ook weer niet. Ik moet hem wel nageven dat hij precies op tijd was. Ze zeiden aan de telefoon dat iemand rond drie uur langs kon komen en precies om drie uur stond hij voor de deur. Gezellige witte overal aan, klembord in zijn linkerhand en een plastic koffer in de andere. Op de borstzak van zijn overal stond in geborduurde letters de naam van het bedrijf dat ik gebeld had genaaid. Het zag er allemaal heel professioneel uit en ik blijf erbij dat het verder een hele professionele bedoening was. Tenminste, de tijd dat hij binnen geweest is.
Ik liet hem binnen, nadat hij zich netjes voorgesteld had als de ongediertebestrijder die ik besteld had. Dat zijn kleding hem al verraadde liet ik maar in het midden, de goede man deed ook gewoon zijn werk en ik nam hem mee naar de plaats des onheils. De plaats waar ik het meeste last had van die irritante beestjes die sinds ik hier was komen wonen mijn huis bevolkte. Hij zette zijn koffer op de grond en keek naar de muren waar overal kleine spikkeltjes op zaten. De beestjes waar ik inmiddels een gruwelijk hekel aan gekregen had. Hij keek nog een keer en begon in zijn koffer te zoeken. Een klein boekje kwam te voorschijn. "Hmm.. ja... Dat moet ik even opzoeken, meneer.." Hij zwaaide met zijn boekje. "Entemologie" las ik op de voorkant. Een boekje over insecten, zoveel wist ik ook nog wel. Hij bladerde in zijn boek, bladerde weer terug en mompelde wat in zichzelf. "Ja.. ehm..." begon hij. "Ik moet hier iemand bijhalen!" en hij stond op. "Ja, maar..." wilde ik ertegen in werpen terwijl ik naar de muren wees die bedekt waren met zwart/bruine spikkeltjes. Hij hief zijn handen op. "Sorry, meneer! Ik moet hier echt iemand bijhalen" Hij stopte zijn boek terug in de koffer, legde zijn klembord er weer bovenop en pakte het hele boeltje onder zijn arm. Zonder op of om te kijken liep hij de deur uit met mij in zijn kielzog. Ik probeerde nog iets te zeggen, maar voor ik het wist liep hij de tuin al uit. Hij liet zelfs het tuinhekje openstaan.
En daar sta ik dan. Ik heb beestjes op mijn muren en de ongediertebestrijder loopt zonder een woord van uitleg de deur weer uit nadat hij ze gezien heeft. Ik wilde net een klacht gaan indienen bij het bedrijf dat hem gestuurd had toen mijn telefoon ging. Ik schrok van het geluid, ook omdat mijn hand net boven de hoorn hing om hem op te pakken. Een beetje beduusd pak ik op: "Hallo?" "Ja, halloo! Spreek ik met meneer De Wit?" Ik knik. "Uh-hu" zeg ik tegen de stem aan de andere kant. "U spreekt met De Koning Ongediertebestrijding. Sorry dat onze medewerker zo plotseling is weggelopen, maar u heeft een hele uitzonderlijke situatie in huis. Hij wil er graag een bioloog bijhalen en hij wilde geen tijd verliezen. Ik hoop niet dat u dit erg vind?" Ik kijk naar het schrijfblok dat ik altijd aan de muur heb hangen, voor het geval ik een notitie moet maken aan de telefoon. "Ehm... uitzonderlijke situatie? Hoe bedoelt u?" "Sorry, meneer De Wit. Dat weet ik ook niet precies. Dat zei onze medewerker net tegen mij. Ik weet niet precies wat hij bedoelde, alleen dat hij het door een deskundige wil laten onderzoeken. Vind u dat goed?" Wat moet ik hier nu weer van denken. Uitzonderlijke situatie, deskundige.. Ik vind het allemaal nogal wat, maar ik wil ook van die vervloekte beestjes af. "Ja, dat is goed. Laat hem maar een deskundige erbij halen" De stem aan de andere kant van de lijn laat een zucht van opluchting ontsnappen. "Dank u wel, meneer! Als het goed is zijn ze tegen het einde van de middag bij u. Ik ga gelijk bellen. Nogmaals dank u wel, meneer!" "Graag gedaan" wil ik nog zeggen, maar ze heeft al opgehangen.
Er rest mij niets meer dan de rest van de middag af te wachten. Ik drink nog een bak koffie, eet een koekje en kijk hoe de beestjes over de muur lopen. Ze doen eigenlijk niets, alleen lopen en zich vermenigvuldigen. Al heb ik dat laatste nooit gezien, behalve dat ze elke ochtend met meer zijn dan de dag ervoor. Buiten schijnt de zon, ik kijk hoe de zonnestralen langzaam door de tuin trekken. In gedachten laat ik de struiken meebewegen, maar ik weet dat het onzin is. Ik drink mijn koffie en wacht tot de ongediertebestrijder weer terug is.
Gelukkig hoef ik niet lang te wachten, anderhalve bak koffie (iets van twee uur) later is hij weer terug met een andere man. Eentje gekleed in een degelijke bruine broek en een trui. Gewoon een persoon zoals ik ze vaak zie op straat en in kantoorgebouwen. Een man. Hij stelt zich voor als Van Amerongen, bioloog en wil heel graag de beestjes op mijn muren zien. "Kom binnen" zeg ik en laat de beide mannen binnen. "U weet de weg nog wel, denk ik" zeg ik lachend tegen de ongediertebestrijder. Hij knikt en leidt de bioloog naar de kamer waar de meeste beestjes zitten. "Hier, Karel. Hier zitten ze. Echt fascinerend!" De bioloog knikt, kijkt mij aan en loopt de kamer binnen. Uit zijn zak trekt hij een kleine loep waarmee hij de muur van dichtbij begint te bekijken. "En?" vraag ik hem. "Fascinerend is een understatement!" roept hij enthousiast terwijl hij langzaam met zijn loep van beestje naar beestje gaat. Iets wat eigenlijk niet zo moeilijk is, gezien ze in kleine hoopjes bij elkaar op de muur zitten. Op sommige plekken gaat de muur schuil onder een klein laagje van die beestjes, maar dat is meer richting het plafond en de bioloog zit meer op schouderhoogte rond te kijken. "Ja, dit is echt fascinerend. Een goede vondst, Fons!" Hij richt zich op en kijkt mij aan. "Meneer, ik denk dat u een hele nieuwe diersoort in uw woning heeft. Nou ja... een nieuw soort insect" Hij knikt. "Ik heb nog nooit zoiets gezien! We moeten dit verder onderzoeken!"
"Wat! Onderzoeken? Ik wil van die beestjes af. Ze zitten in mijn huis! Ik heb last van ze!" De bioloog steekt zijn handen op. "Rustig, meneer. Rustig!" Hij kijkt naar de ongediertebestrijder, die blijkbaar zijn vriend is. "Fons hier heeft mij niet voor niets erbij geroepen. Een nieuw soort insect moet onderzocht worden, dat mogen we niet zomaar gaan verdelgen" Ik kijk teleurgesteld. Ik wil van die beestjes af. Ik wil gewoon in mijn huis kunnen wonen zonder dat de muren zwart zien van die dingen. Het ruisende geluid dat ze voortbrengen ben ik ook spuugzat. Dit alles zeg ik tegen die bioloog, die alleen maar meewarrig zijn hoofd kan schudden. "Gaat niet, meneer. We moeten het nu onderzoeken" Radeloos werp in mijn handen in de hemel. "Dus u bent hier nog wel een tijdje? Ik kan mijn rust wel opgeven? Ik heb hier helemaal geen tijd voor! Ik woon hier niet voor niets zo afgezonderd, ik moet schrijven" Radeloos kijk ik de beide heren aan. Ik moet schrijven. Ik wil dat ze uit mijn huis gaan. Die beestjes mogen ze meenemen naar welk onderzoekslaboratorium ook, als ze hier maar weg zijn. Ik wil rust en geen mensen, beestjes of wat dan ook in huis. De bioloog knikt. "Ik begrijp het. Ik zal zien wat ik voor u kan doen. We gaan nu terug naar de universiteit en bespreken wat we kunnen doen. Ik neem nu enkele specimen mee en we komen zo snel mogelijk bij u terug" Ik wuif zijn woorden weg. "Doe maar wat u wilt, ik heb blijkbaar toch niets meer te zeggen!"
De bioloog plukt enkele van die beestjes van de muur en stopt ze in glazen buisjes die de ongediertebestrijder vast heeft. Hij knikt als hij de buisjes van dichterbij bekijkt. "Oke, tot snel dan" en hij loopt de kamer uit naar de voordeur. De ongediertebestrijder volgt in mijn kielzog, blijkbaar erg in zijn nopjes met zijn unieke vondst. "Dus ik hoor snel van u?" vraag ik de bioloog. Hij knikt. "Heel snel, ik neem deze specimen mee naar de universiteit waar we ze verder gaan onderzoeken en waarschijnlijk zijn we morgen weer bij u terug" Ik zucht diep. "Oke" en hou de voordeur voor ze open. Gezamenlijk lopen ze de schemering in en ik sluit de deur. Ik zucht nog een keer diep. Inmiddels heb ik spijt dat ik de ongediertebestrijding gebeld heb en niet gewoon de douche of de stofzuiger op de muur gezet had, zoals ik de afgelopen weken gedaan heb. Ik loop de woonkamer in en ga televisie kijken. Zoals gewoonlijk is er niets op de buis en ik besluit vroeg naar bed te gaan. Je zal altijd zien dat die universiteitstypes voor dag en dauw op de stoep staan.
De volgende dag gaat voorbij zonder noemenswaardige gebeurtenissen. Niemand belt aan, niemand belt mij op en eigenlijk zit ik de hele dag in spanning te wachten op iets dat nooit gebeurt. De dag erop precies hetzelfde. Ik begin te vermoeden dat die beestjes op mijn muur helemaal niet zo interessant zijn. Die gedachte sterkt mij weer in mijn actie van gisterenmiddag, toen ik in een baldadige bui alles wat op de muren zat in de stofzuiger heb laten verdwijnen. Niet dat het ook maar in enige mate geholpen heeft, toen ik vanochtend opstond zaten er gewoon weer van die beestjes op de muur. Een stuk minder dan gisteren, maar als ik een paar dagen niets deed zou de hoeveelheid weer op volle sterkte zijn. Voor het eerst bekeek ik ze van dichterbij. Ik zag niets bijzonders, gewoon minuscule insecten. Zwart van voren, een bruine kont en genoeg poten om overal op te klimmen. Degene die ik bekeek rende hard weg onder mijn blik en ging bij een andere zitten. Ik lach, een geluid wat ik wel gemist heb. Die hele gebeurtenis, dat hele wachten had mij zenuwachtig gemaakt en nu even wat lachen om niets deed goed. Ik loop de keuken in en zet koffie.
De dag loopt verder op rolletjes. Ik schrijf wat, gooi het weer in de prullenbak en geloof het uiteindelijk wel. Het is beter als ik weer ga schrijven als ik een andere ongediertebestrijder heb gebeld. Morgen! Ik kijk naar buiten en zie dat de avond begint in te vallen. Tijd om even te ontspannen met koffie en televisie. Nadat ik mij voor de televisie gezeteld heb gaat de deurbel. Die vervloekte bioloog is dus toch teruggekomen! Zuchtend sta ik op uit mijn stoel, ik loop de kamer uit naar de voordeur. In de geblindeerde glas van de voordeurruit zich ik de schimmige verschijning van twee personen. Ik zucht nog dieper en trek de voordeur open. Twee nette mannen in pak staan op de stoep. Eén houdt een politiepenning omhoog. "Recherche. Bent u meneer De Wit?" vraagt hij terwijl hij zijn penning weer opruimt. Ik knik. "U staat onder arrest voor de moord op Professor van Amerongen" vervolgt hij. "Wat?" stamel ik. Geschokt kijk ik hem aan, ik ben blij dat ik de deurpost nog vast had anders was ik zeker achterover gevallen. "Wat?" zeg ik nog een keer. De andere man neemt het over. "U staat onder arrest. Voor moord!"
Ik doe mijn mond open om iets te zeggen als ik in de bosjes bij het tuinhek de schaduwen zie bewegen. In de tuin bewegen meer schaduwen. De rechercheurs zien het ook, beide kijken ze naar de schaduwen die langs het huis bewegen. Schaduwen die groter worden, onder de bosjes vandaan komen. Opeens schiet een gigantisch wezen naar voren en grijpt één van de rechercheurs bij de arm. Hij valt naar achter en het wezen springt bovenop hem. Overal zie ik klauwen, tanden, ogen. Ik loop achteruit, verder de gang in. Ik sla mijn hand voor mijn mond "Oh, mijn god...." Het wezen is pikzwart, zwarter dan de nacht. Overal klauwen, segmenten die alle kanten op bewegen. Poten die uit de meest vreemde hoeken komen. Alles beweegt, tanden die in de rechercheur zinken. Zijn arm verdwijnt in tussen tanden. Zijn schreeuw wordt gesmoord door klauwen die naar zijn tong reiken en intussen bespringen nog meer van die monsters hem. Hij is dood voordat ik mijn zin volledig uitgesproken heb. De andere rechercheur staat er als versteend bij. Hij doet niets, staat nog op precies dezelfde manier terwijl zijn maat in stukken wordt gescheurd door die wezens.
Dan komt hij in actie. Hij reikt in zijn jasje en trekt een pistool, maar voordat hij deze kan richten valt er vanaf de muur nog zo'n wezen op hem. Hij valt op de grond. En wonder boven wonder weet hij zijn pistool stevig vast te houden in zijn hand. Hij vuurt één schot. Het wezen dat bovenop hem viel veert omhoog. Een segment knalt open, pus, insectendarmen, een dikke wit/gele vloeistof springt eruit. De andere wezen reageren gelijk. Alsof ze het geoefend hebben vliegen ze in één beweging naar hun kameraad en verscheuren hem. De rechercheur laten ze ongemoeid liggen, terwijl hij probeert zijn pistool op de krioelende zwarte massa te richten. Zijn pistool weigert. Hij vloekt en probeert nogmaals te schieten, maar daar krijgt hij de kans niet meer toe. Een wezen nog groter dan degene die zijn maat en nu hun eigen soortgenoot op aan het vreten zijn schiet uit het donker naar voren. Het hoofd van de rechercheur verdwijnt tussen de tanden en van zijn romp. Het lichaam blijft nog even in dezelfde houding zitten en valt dan met een plof op de grond. Uit het donker verschijnen er nog meer van die wezen, weer dezelfde grote dan de eerste groep en beginnen het lichaam aan stukken te scheuren.
Ik sta nog steeds in de deuropening. Mijn handen voor mijn mond, proberend niet gek te worden van de groteske gebeurtenissen die ik net gezien heb. Ik weet niet wat ik moet doen. Ik ben helemaal verstijfd. Er is niets wat ik kan doen. Die monsters zullen mij ook zo opvreten. Maar niets van dat alles gebeurt. De lichamen van de rechercheurs worden vakkundig aan stukken gescheurd en de losse delen meegenomen naar de schaduwen waar de wezen vandaan kwamen. In het gras naast het tuinpad blijven alleen wat bloederige stukjes liggen in een gigantische plas bloed. Ik kijk naar mijn voeten en zie een heel spoor van de kleine zwarte beestjes van mijn muren naar buiten trekken. Richting de bloederige restjes die achtergebleven zijn. Ze beginnen de resten op te ruimen! Dit wordt mij teveel. Ik smijt de voordeur dicht en druk mij tegen de muur. De stroom beestjes gaat onverminderd voort, ze lopen gewoon tussen de kieren door. Zelfs door de brievenbus zie ik ze naar buiten gaan. "What the fuck..." stamel ik voor mij uit.
Even later vind ik mijzelf terug in mijn stoel. Voor de televisie, die gelukkig uit staat. Ik denk niet dat ik het geluid van de normale wereld op dit moment had kunnen trekken. Dat had mij echt over de rand van krankzinnigheid geduwd. Ik had de meest smerig, bizarre gebeurtenis ooit gezien en ik was nog steeds bezig om niet gek te worden. Het is goed dat ik hier zat, maar wat zijn die wezens? Wat zijn die monsters die die rechercheurs vakkundig tot bloederig vlees ontleed hadden? Wat zijn dat? Wat? En waarom laten ze mij alleen?
En pas toen hoorde ik voor het eerst de stem in het ruisende geluid. "Wees maar niet bang, wij zullen je beschermen. Wij zullen je altijd beschermen. Wees maar niet bang" Ik kijk naar de muren en zie miljoenen van die zwarte beestjes zitten. Zij spreken tegen mij. Een ruisende stem die weerklinkt uit de miljoenen lichaampjes die tegen elkaar wrijven. "Wees maar niet bang.." Maar ik ben doodsbang. Doodsbang en pas nu durf ik te gaan gillen. Iets waar ik niet meer mee zal ophouden, gillen zo hard ik kan. Ik hoop alleen dat niemand mij hoort!
26 mei 2012
2 mei 2012
Uitzicht (deel II)
~ Klik hier voor deel 1 ~
Ze kon er niets aan doen, de tranen kwamen plotseling opzetten. Uit het niets en zonder verdere aankondiging. Ze huilde tot de tranen verdwenen waren, wat in haar gedachten uren duurde maar in feite niet meer dan toen minuten in beslag had genomen. Ergens vond ze het wel een opluchting, gewoon zachtjes huilen in een hotelkamer op een eiland. Alleen dat vervloekte uitzicht, die stomme vliegen die alles ontnamen. Ze ontnamen haar alle plezier, zelfs het plezier dat ze aan haar tranen kon hebben. "Klotevliegen" zei ze zachtjes tegen het raam. Een lichte zucht, een kreun, klonk als een soort van antwoord achter haar.
Ze schrok en draaide zich om. Op haar bed lag een man. Helemaal naakt op een klein broekje na dat rond zijn enkels speelde. Toen ze goed keek zag ze dat het een roodkleurig zwembroekje was dat verfrommeld rond zijn enkels zat, alsof het haastig naar beneden getrokken waren. Zijn geslachtsdeel lag fier omhoog gestoken in zijn linkerhand. "Hij heeft zich net liggen aftrekken!" Zijn sperma lag glimmend op tussen de haren die groeide op zijn buik en borst. Ze walgde van zijn aanblik. Zijn licht opbollende buik, de haren op zijn borst, zijn geslacht in zijn linkerhand dat langzaam slapper werd. Wat moest die vent hier? Hoe kwam hij binnen? Ze keek hem recht aan, met een blik die zei dat ze niet bang was terwijl ze diep van binnen doodsangsten uitsloeg. Hij had haar wel van alles kunnen aandoen en misschien was hij dat ook wel van plan. Tenslotte was hij haar kamer al binnengeslopen om zich zachtjes te gaan afrukken op haar bed. Hij glimlachte naar haar, een beetje liefelijk. Ze vertrouwde die glimlach voor geen meter, ze vertrouwde die vent voor geen meter. Zijn licht vadsige lichaam, zijn langzaam slapper wordende geslachtsdeel, die nare glimlach. Wie was die vent? Ze kon alleen maar denken hoe ze deze griezel zo snel mogelijk uit haar kamer, uit haar leven kon krijgen. Die vliegen buiten waren erg, maar deze vent was tien... nee, honderd keer erger.
"Je moet hier weg" zei hij uit het niets. Zijn stem verbaasde haar. Hij had een vriendelijke stem. Hij klonk als haar vader, zoals haar vader klonk toen ze nog klein was en de ouderdom nog geen bezit van zijn stembanden had genomen. Ze keek hem verbaasd aan. "Watte.." zei ze nog een keer. "Je moet hier weg" herhaalde hij rustig. "Je bent hier niet veilig" Nu wist ze helemaal niet meer wat ze moest doen. De zenuwen schoten door haar keel. Verbaasd keek ze hem aan, terwijl hij opstond en zijn broekje (ze zag nu dat het een zwembroek was) omhoogtrok. Nu zijn leuter weer bedekt was kon ze hem beter aankijken, al bleef het beeld van hem liggend op haar bed in haar hoofd spoken. "Waarom zou ik hier weg moeten? Ik heb helemaal geen zin om weg te gaan!" Nu hij opgestaan was zag ze dat hij een stuk kleiner dan haar was. Het scheelde zeker een halve kop en lichamelijk zag hij er uitermate slap uit. Het was gewoon een klein lelijk mannetje in een rode speedo. Niet een kerel om bang van te worden. "Wie ben jij eigenlijk en wat doe je in mijn kamer?" Hij stak zijn handen ter verdediging op. "Rustig aan, rustig aan! Je bent in gevaar. Ik meen het. Je moet hier weg." Ze keek hem verbaasd aan. Was die vent gestoord geworden? Eerst ligt hij doodleuk zich af te rukken op mijn bed en nu gaat hij vertellen dat ik in gevaar ben. Ze lachte. "Sorry, maar ik ken je niet en ik geloof je niet. Wil je nu mijn kamer verlaten? Daar is de deur."
Hij deed één stap naar de deur. "Je moet mij geloven. Ik weet ook wel dat ik vrij ongeloofwaardig ben." Hij maakt een handgebaar langs zijn lichaam. "Ik verschijn zomaar in je kamer en begin uit het niets te zeggen dat je in gevaar bent. Ik begrijp dat je mij niet gelooft, maar je moet echt meekomen." Hij keek hier heel ernstig bij, alsof hij echt meende wat hij zij. Ze zag in zijn ogen dat het geen leugen was, voor zover ze in iemands ogen kon zien dat ze aan het liegen was. Tenslotte was ze ook in dit oord terechtgekomen door iemand op haar blauwe ogen te vertrouwen. Als ze niet zo goedgelovig was zat ze überhaupt niet op deze ellendige kamer, op dit ellendige eiland, opgescheept met deze ellendige vent in haar kamer. Die vent met zijn puppy-ogen die haar steeds geloofwaardiger deden overkomen. "Op wat voor manier ben ik in gevaar dan?" Ze wilde toch meer weten voor ze doodleuk met deze halfnaakte idioot op stap ging. "Ik bedoel.. je gaat mij niet vertellen dat ik in een of andere slechte versie van The Wicker Man ben terechtgekomen?" Dit ontlokte een harde lach aan hem, die hij snel weer inslikte. "Nee" schudde hij. "Dit lijkt totaal niet op The Wicker man of een andere dwaze horrorfilm. Je was al in gevaar vanaf het eerste moment dat je voet op het eiland zette. Het is hier niet veilig voor alleenstaande dames en zeker niet dames van buitenaf. Kom nu maar mee!" En met die woorden liep hij naar de deur en deed deze voorzichtig open. "Kom" wenkte hij.
Ze liep naar hem toe. "Ssst, stil zijn. Laat niemand ons horen" fluisterde hij terwijl hij de gang op stapte. "Maar..." begon ze. "Ssssst" siste hij. "Kom..." en hij liep verder de gang in. Ze volgde hem maar, deels uit een gevoel van onrust maar inmiddels ook uit nieuwsgierigheid. Ze kon toch niets anders doen op dit vervloekte eiland en misschien leverde het nog een beetje grappig avontuur op. Daarbij was deze licht vadsige dwerg totaal geen bedreiging voor haar vrouwelijkheid en haar kracht, dus daar hoefde ze ook niet bang voor te zijn. De eerste keer dat ze hem op haar bed zag liggen met zijn geslacht in de handen en sperma in zijn borsthaar was al langzaam naar de achtergrond van haar geest getrokken. Ze keek naar zijn kleine, een beetje hangende billen in zijn speedo en grinnikte zachtjes. "Sst" siste hij weer en wenkte dat ze hem moest volgen. Hij liep verder de gang in, naar de deur van het trappenhuis. Ze volgde hem het trappenhuis in en de trap af. In alle stilte liepen ze de trappen af naar de begane grond. Buiten hoorde ze de vliegen tegen de ramen tikken en hoe verder ze beneden kwamen des te harder het klonk. Op de begane grond moesten echt veel vliegen zitten dacht ze. Ze rilde.
[wordt vervolgd]
Ze kon er niets aan doen, de tranen kwamen plotseling opzetten. Uit het niets en zonder verdere aankondiging. Ze huilde tot de tranen verdwenen waren, wat in haar gedachten uren duurde maar in feite niet meer dan toen minuten in beslag had genomen. Ergens vond ze het wel een opluchting, gewoon zachtjes huilen in een hotelkamer op een eiland. Alleen dat vervloekte uitzicht, die stomme vliegen die alles ontnamen. Ze ontnamen haar alle plezier, zelfs het plezier dat ze aan haar tranen kon hebben. "Klotevliegen" zei ze zachtjes tegen het raam. Een lichte zucht, een kreun, klonk als een soort van antwoord achter haar.
Ze schrok en draaide zich om. Op haar bed lag een man. Helemaal naakt op een klein broekje na dat rond zijn enkels speelde. Toen ze goed keek zag ze dat het een roodkleurig zwembroekje was dat verfrommeld rond zijn enkels zat, alsof het haastig naar beneden getrokken waren. Zijn geslachtsdeel lag fier omhoog gestoken in zijn linkerhand. "Hij heeft zich net liggen aftrekken!" Zijn sperma lag glimmend op tussen de haren die groeide op zijn buik en borst. Ze walgde van zijn aanblik. Zijn licht opbollende buik, de haren op zijn borst, zijn geslacht in zijn linkerhand dat langzaam slapper werd. Wat moest die vent hier? Hoe kwam hij binnen? Ze keek hem recht aan, met een blik die zei dat ze niet bang was terwijl ze diep van binnen doodsangsten uitsloeg. Hij had haar wel van alles kunnen aandoen en misschien was hij dat ook wel van plan. Tenslotte was hij haar kamer al binnengeslopen om zich zachtjes te gaan afrukken op haar bed. Hij glimlachte naar haar, een beetje liefelijk. Ze vertrouwde die glimlach voor geen meter, ze vertrouwde die vent voor geen meter. Zijn licht vadsige lichaam, zijn langzaam slapper wordende geslachtsdeel, die nare glimlach. Wie was die vent? Ze kon alleen maar denken hoe ze deze griezel zo snel mogelijk uit haar kamer, uit haar leven kon krijgen. Die vliegen buiten waren erg, maar deze vent was tien... nee, honderd keer erger.
"Je moet hier weg" zei hij uit het niets. Zijn stem verbaasde haar. Hij had een vriendelijke stem. Hij klonk als haar vader, zoals haar vader klonk toen ze nog klein was en de ouderdom nog geen bezit van zijn stembanden had genomen. Ze keek hem verbaasd aan. "Watte.." zei ze nog een keer. "Je moet hier weg" herhaalde hij rustig. "Je bent hier niet veilig" Nu wist ze helemaal niet meer wat ze moest doen. De zenuwen schoten door haar keel. Verbaasd keek ze hem aan, terwijl hij opstond en zijn broekje (ze zag nu dat het een zwembroek was) omhoogtrok. Nu zijn leuter weer bedekt was kon ze hem beter aankijken, al bleef het beeld van hem liggend op haar bed in haar hoofd spoken. "Waarom zou ik hier weg moeten? Ik heb helemaal geen zin om weg te gaan!" Nu hij opgestaan was zag ze dat hij een stuk kleiner dan haar was. Het scheelde zeker een halve kop en lichamelijk zag hij er uitermate slap uit. Het was gewoon een klein lelijk mannetje in een rode speedo. Niet een kerel om bang van te worden. "Wie ben jij eigenlijk en wat doe je in mijn kamer?" Hij stak zijn handen ter verdediging op. "Rustig aan, rustig aan! Je bent in gevaar. Ik meen het. Je moet hier weg." Ze keek hem verbaasd aan. Was die vent gestoord geworden? Eerst ligt hij doodleuk zich af te rukken op mijn bed en nu gaat hij vertellen dat ik in gevaar ben. Ze lachte. "Sorry, maar ik ken je niet en ik geloof je niet. Wil je nu mijn kamer verlaten? Daar is de deur."
Hij deed één stap naar de deur. "Je moet mij geloven. Ik weet ook wel dat ik vrij ongeloofwaardig ben." Hij maakt een handgebaar langs zijn lichaam. "Ik verschijn zomaar in je kamer en begin uit het niets te zeggen dat je in gevaar bent. Ik begrijp dat je mij niet gelooft, maar je moet echt meekomen." Hij keek hier heel ernstig bij, alsof hij echt meende wat hij zij. Ze zag in zijn ogen dat het geen leugen was, voor zover ze in iemands ogen kon zien dat ze aan het liegen was. Tenslotte was ze ook in dit oord terechtgekomen door iemand op haar blauwe ogen te vertrouwen. Als ze niet zo goedgelovig was zat ze überhaupt niet op deze ellendige kamer, op dit ellendige eiland, opgescheept met deze ellendige vent in haar kamer. Die vent met zijn puppy-ogen die haar steeds geloofwaardiger deden overkomen. "Op wat voor manier ben ik in gevaar dan?" Ze wilde toch meer weten voor ze doodleuk met deze halfnaakte idioot op stap ging. "Ik bedoel.. je gaat mij niet vertellen dat ik in een of andere slechte versie van The Wicker Man ben terechtgekomen?" Dit ontlokte een harde lach aan hem, die hij snel weer inslikte. "Nee" schudde hij. "Dit lijkt totaal niet op The Wicker man of een andere dwaze horrorfilm. Je was al in gevaar vanaf het eerste moment dat je voet op het eiland zette. Het is hier niet veilig voor alleenstaande dames en zeker niet dames van buitenaf. Kom nu maar mee!" En met die woorden liep hij naar de deur en deed deze voorzichtig open. "Kom" wenkte hij.
Ze liep naar hem toe. "Ssst, stil zijn. Laat niemand ons horen" fluisterde hij terwijl hij de gang op stapte. "Maar..." begon ze. "Ssssst" siste hij. "Kom..." en hij liep verder de gang in. Ze volgde hem maar, deels uit een gevoel van onrust maar inmiddels ook uit nieuwsgierigheid. Ze kon toch niets anders doen op dit vervloekte eiland en misschien leverde het nog een beetje grappig avontuur op. Daarbij was deze licht vadsige dwerg totaal geen bedreiging voor haar vrouwelijkheid en haar kracht, dus daar hoefde ze ook niet bang voor te zijn. De eerste keer dat ze hem op haar bed zag liggen met zijn geslacht in de handen en sperma in zijn borsthaar was al langzaam naar de achtergrond van haar geest getrokken. Ze keek naar zijn kleine, een beetje hangende billen in zijn speedo en grinnikte zachtjes. "Sst" siste hij weer en wenkte dat ze hem moest volgen. Hij liep verder de gang in, naar de deur van het trappenhuis. Ze volgde hem het trappenhuis in en de trap af. In alle stilte liepen ze de trappen af naar de begane grond. Buiten hoorde ze de vliegen tegen de ramen tikken en hoe verder ze beneden kwamen des te harder het klonk. Op de begane grond moesten echt veel vliegen zitten dacht ze. Ze rilde.
[wordt vervolgd]
1 mei 2012
Wachten
Soms vergeleek hij zichzelf met een mierenleeuw, een wezen dat hij nog nooit gezien had, maar waar hij ooit eens een plaatje van in een boek had gezien. Iemand (een prooi?) had het boek op de grond laten vallen en toen had hij er even in gebladerd. Er stonden allerlei dieren in met exotischere namen dan hij zelf kon verzinnen, als hij dat had willen doen. Bij de mierenleeuw was hij wat langer blijven hangen. De manier waarop het zijn prooi ving sprak hem wel aan, het wachten sprak hem aan. Daar herkende hij zichzelf in, maar meer ook niet. Het feit dat de mierenleeuw een valkuil maakte vond hij weer een zwaktebod. Alleen dat wachten, heerlijk. Hij hield van wachten en dat deed hij ook. Het boek was al lang geleden verdwenen. Hij wist het niet goed meer, al maakte het hem ook niet zoveel uit. Het wachten op prooi was genoeg voor hem.
Hij verzonk weer in gedachten. Honger had hij niet, honger kende hij niet. Hij verlangde ook niet naar honger, niet zoals hij naar prooi verlangde. En het was al weer een tijd geleden sinds hij zijn laatste prooi verschalkt had. Verschalkt, een mooi woord. Hij liet het door zijn geest rollen. Verschalkt. Verschalkte een prooi. De prooi verschalkt. Mooi... Wacht, voetstappen! Hij hoorde voetstappen. Het grint buiten kraakte onder iemand schoen. Of was het weer zoals de vorige keer? Dat was een teleurstelling, dacht hij iets te horen. Krakend grint, stemmen in de lucht, voetstappen, mar bleek het de wind te zijn. Regen die tegen de dakgoot sloeg, een tak die uit een boom viel. Het was niets! Maar nu hoorde hij het echt goed, de voetstappen kwamen dichterbij. Hij hoorde stemmen. Er kwam prooi aan!
"Ja, het is echt hier" De vrouw keek op haar papiertje waar het adres opgekrabbeld was. "Kom nou maar" Gelaten liep de man achter haar aan. Hij keek nogmaals omhoog naar het vervallen huis voor hem. De troosteloosheid die ervan uit ging sprak hem totaal niet aan. Hoe kon in zo'n bouwval zoiets bevatten? De verf bladderde van de raamkozijnen af, de ramen waren grotendeels ingegooid of volledig dichtgetimmerd en overal zat graffiti. Het was te onwerkelijk en hij wilde eigenlijk gewoon weg. "Misschien zitten er wel junkies.. of zwervers binnen.." "Welnee!" Gelijk dat weerwoord van haar. "Welnee! Ze zeggen dat het hier spookt of zo. Niemand durft hier te komen. Kom nou maar!" en met die woorden stapte ze de kleine trap voor de deur op. Hij bleef staan op het grint en keek hoe ze naar de deur liep en de deurknop probeerde. "Op slot" zei ze en ze draaide zich naar hem om. "Wat sta je daar nog. Kom nou. Kom, we gaan achterom." Kordaat stapte ze van de trap, het grint terug op en liep zonder om te kijken het gras op. Haar schoenen en enkels verdwenen tussen de hoge sprieten en het onkruid dat welig in de tuin woekerde. "Kom" zei ze nog een keer. Hij volgde haar, in de hoop dat de achterdeur gesloten was en ze weg konden.
Hun stemmen waren honing voor hem. Ze zouden binnen komen. Binnen om te kijken. Binnen om tot zijn prooi te dienen. Het wachten was over, hij hoefde alleen nog te wachten tot ze binnen waren zodat hij ze kon grijpen. Het hoefde niet lang meer te duren. Hij hoorde hun stemmen terwijl ze om het huis heenliepen naar de achterdeur. De deur die altijd open was, tenminste dat hoopte hij nu. Als de deur niet open was zouden ze niet binnenkomen. Dan zou het wachten weer beginnen. Het lange wachten waar hij best mee kon leven, maar als prooi zich aandiende wilde hij niet meer wachten. Laat ze binnenkomen. Kom maar, kom maar. Laat mij niet langer wachten.
De achtertuin was nog erger overwoekerd dan de voorkant. Op de een of andere manier was dit altijd zo, alsof de blikken die op de voortuin vielen het gras en onkruid kort hielden. Het maakte de man en vrouw niet uit. Ze liepen dwars door het gras naar de achterdeur. "Ik denk dat deze wel open is. Volgens mij staat het zelfs op een kier." Hij knikte, de deur stond inderdaad op een kier. "Ik denk echt dat er mensen, junkies binnen zitten. Het lijkt mij sterk dat zo'n huis helemaal verlaten is." Ze lachte. "Kom nou maar, bangerik" en trok de achterdeur open. Het kraakte niet eens. Ze liep het huis binnen en hij volgde haar. Ze stapten een compleet gesloopte keuken binnen. Hij kon nog zien waar het aanrecht had gezeten, koperen buizen verbogen uit de muur. Op de grond een oud zeil, vol gaten en viezigheid. "Weet je zeker dat het hier is?" vroeg hij haar. Ze keek weer op het briefje. Een beetje aarzelend antwoordde ze. "Ja... ik denk het. Dit is het adres dat we opgekregen hebben. Hier moet het zijn." Ze stapte verder de keuken in en keek in de gang. Leegte, een houten vloer en de afgesloten voordeur. Ze zag het slot zitten, de metalen balk waarmee de voordeur afgezet was en de planken die tegen de ramen gespijkerd waren. "Kom, we laten we toch even kijken. Nu we hier toch zijn." Hij hoorde de aarzeling weer in haar stem, ze was niet meer zeker van zichzelf. "Oke, we gaan kijken."
Ze kwamen kijken! De prooi kwam steeds dichterbij. Het wachten zou beloond gaan worden. Hij voelde de opwinding van de naderende prooi weer. Eindelijk was het wachten weer voorbij, zodat het daarna weer opnieuw kon gebeuren. Kom maar, prooi. Kom maar dichterbij. Hij luisterde en hoorde hun voetstappen steeds dichterbij komen. De vrouw zegt dat ze niet snapt dat hier niemand woont. Ze vind het best een mooie ruimte. Diep van binnen moet hij hierom lachen. Hij zou het niet erg vinden als er iemand komt wonen, dan hoefde het wachten niet zo lang te duren. Dan hoefde hij alleen te wachten tot ze weer terugkwamen en had hij altijd prooi. Maar dat waren mooie dromen, niet iets dat snel zal gebeuren. Nu had hij weer prooi en ze kwamen dichterbij. Steeds dichterbij. Kom maar, kom maar hier.
En daar waren ze. De man eerst. Hij greep zijn been, kroop over zijn been en versterkte zijn grip. Hij schreeuwde, hard, hoog als een vrouw. De man viel en hij greep zijn arm. Hij kroop over het lichaam, over het andere been en smoorde de schreeuw in zijn greep. Hij genoot. Dit was waar hij op wachtte. Dit was waar hij het allemaal voor deed. De vrouw gilde en gilde. Hij deed een greep naar haar voet, maar ze was te ver weg. Ze was net buiten zijn bereik, maar het maakte hem niet uit. Hij had de man te pakken. Langzaam kroop hij onder zijn kleren, over zijn huid en in zijn mond. In elk gat dat hij kon vinden. Hij kroop verder en dieper. De angst van de man ging over in een doodstrijd en langzaam verliet het leven het lichaam van de man. Dat maakte hem niet ui. Hij had wat hij wilde, al was het jammer dat hij de vrouw niet te pakken kon krijgen. Ze stond nog steeds in de deuropening te gillen. Te schreeuwen. Hij negeerde haar maar en begon de man naar binnen te trekken. Langzaam werd de bult die hij vormde kleiner en kleiner. Zelfs het bloed dat hij veroorzaakt had trok hij mee naar binnen. Hij had zijn prooi en hij genoot ervan. Eindelijk.
Uren later zat ze snikkend op het politiebureau. Iemand had haar volledig verwilderd en onsamenhangend schreeuwend van straat geplukt. Ze bleef maar roepen dat iemand haar man had vermoord. Dat hij verdween voor haar ogen, recht de vloer in. De agent keek haar aan. "Weer zo'n gek" dacht hij. "Vertel nog een keer wat er gebeurt is, mevrouwtje.." Hij gaf een kleenex aan haar. "Waarom moet ik het nog een keer vertellen!" gilde ze. "Ga gewoon kijken, ga dan kijken. Martin verdween gewoon in de vloer. De vloer greep hem en hij werd er helemaal door overspoelt!" Ze keek verwildert om zich heen, alsof de vloer in het bureau ook omhoog kwam. "Ga dan kijken!" "Rustig maar, mevrouwtje. Mijn collega's zijn al gaan kijken." sprak hij bemoedigend. "Ze zullen zo terug zijn en dan willen we uw verhaal nogmaals horen.." Ze keek hem aan alsof hij haar man zelf vermoord had.
In het huis genoot hij van zijn prooi. Hij hoorde de stemmen en voetstappen boven zich wel, maar hij had al een prooi. Hij was niet aan het wachten. De tijd van wachten was nog niet aangebroken. Snel, wacht maar af. Snel zou hij weer gaan wachten en dan mochten ze terugkomen. Nu was hij tevreden met zijn prooi. Hij zou later weer gaan wachten. Dat kon hij goed, wachten..
8 april 2012
Autobiografisch
De volgende dag vonden we hem terug in zijn appartement. Het was een gigantische troep in die ruimte, alle kastjes stonden open. De inhoud her en der verspreid over de grond, stoelen omgegooid en overal papieren. Het was duidelijk dat hier een inbraak en bijbehorende vechtpartij had plaatsgevonden. Hij lag zelf in zijn keuken en het enig wat nog op zijn plaats lag was zijn afwas. Een gigantische berg ongewassen borden, bestek en pannen. Het stonk er een beetje, niet naar de grote plas bloed waarin hij lag maar naar afval en ongewassen etenswaren. Het geur van bloed kwam pas later binnen.
Ik keek hem aan, niet het lichaam op de grond maar de andere persoon waarmee ik het appartement binnengekomen was. "Jep, dat is hem" Ik knikte en keek weer naar het lichaam. Nu pas zag ik dat er een grote cirkel van geknipte nagels om hem heen gegooid was. Het bloed was aan een kant door de cirkel gelopen en een gedeelte was over zijn borst gestrooid. "Waarom zouden ze die nagels over hem heen gegooid hebben?" Hij haalde zijn schouders op. "Geen idee, soms kwam er iemand bij hem langs om de nagels te laten knippen. Vond ie leuk, nagels knippen." Ik bukte licht, een nagelschaartje was diep tussen zijn ribben gestoken. Bijna tot de oogjes van het schaartje, dat moest veel kracht of geluk gekost hebben. Bizar. Hij zag waar ik naar keek. "Tja... eigenlijk kende ik hem niet zo goed. Hij woonde gewoon onder mij, een onderbuurman. Het was een beetje een eenzaam figuur. Volgens mij wel aardig, had nooit last van hem. Al kon hij een beetje drammerig zijn, maar ach.." Ik stond weer op en haalde mijn schouders op. "Kom we gaan bij jou de politie bellen. Volgens mij lijkt mij dat het beste wat we nu kunnen doen." Hij knikte.
"Heb je dat echt meegemaakt?!" vroeg ze lachend. Ik knikte instemmend. "Het is serieus gebeurt, enkele weken geleden" We bevonden ons in mijn huis, zij was weer op bezoek gekomen zoals ze de laatste week vaker deed. Normaal gesproken liet ik geen mensen bij mij langskomen, maar ik heb geen last van haar. Ze is welkom en ze kan goed luisteren naar mijn verhalen over mijn leven. Bij haar weet ik tenminste dat ze deze op de juiste manier ziet en niet denkt dat ik een of andere gek ben. "Maar hij was duidelijk vermoord?" Ik knikte weer. "Ja, heel duidelijk. Dat was eigenlijk bij binnenkomst al duidelijk." "En heb je er verder nog iets over gehoord?" Ik lachte. "Nee, alleen de politie heeft ons heel veel vragen gesteld nadat we gebeld hadden en daarna hoorde we er niets meer over!" Ik liep naar de keuken om koffie te pakken. "Zullen we het ergens anders over hebben, dit verhaal heeft zichzelf al verteld en zo belangrijk was het ook weer niet" Het werd mij weer eens angstvallig duidelijk dat ik moest afwassen. Ik kon geen kopje meer vinden, maar ik had niet het idee dat ze het erg zou vinden om uit een vies kopje te drinken. Zolang ze de keuken niet inkwam zou ze het toch niet weten. En wat niet weet, wat niet deert!
Ze stond voor het raam naar de vogels te kijken. "Ik moet gaan" zei ze toen ik haar kopje wilde geven. "Nu al? Je bent er net.." Nu was het haar beurt om te knikken. "Ja, ik moet echt gaan. Het is beter zo, ik kan je niet meer langskomen." Ik was geschokt, wat is dit nu. Eerst wint ze mijn vertrouwen om binnen te komen, hoort mijn halve levensverhalen uit... En nu zegt ze doodleuk dat ze niet meer langs kan komen? Ik voelde mij verraden, misschien zelfs vernederd. Ik wilde dat ik haar niets verteld had, dat ik in haar koffie gespuugd had en terwijl ik dat dacht voegde ik de daad bij het woord. Een flinke fluim verdween in haar koffie, wat ik aan haar gaf. Ze trok een vies gezicht. "Waarom deed je dat?!" Ik haalde mijn schouders op. "Daar is het gat van de deur." en ik wees naar de deur waar ik net door binnengekomen was. "Ik neem aan dat je de weg nog wel kent" Ze trok een teleurgesteld gezicht, zette haar kopje neer en begon naar de deur te lopen. "Ik begrijp het wel..." "Nee, je begrijpt het niet!" viel ik haar in de reden. "Je begrijpt er helemaal niets van en ik heb geen zin om het uit te gaan leggen. Ga maar gewoon weg." Ze liet haar schouders hangen en liep de deur uit. Enkele ogenblikken later hoorde ik de voordeur dichtslaan.
Ik keek uit het raam, zag haar naar de auto lopen en langzaam wegrijden. Ze deed nog een poging tot zwaaien, maar ik reageerde niet. Ik bleef kijken tot haar auto tussen de bomen verdwenen was en ik weer alleen was. Tijd om af te wassen, dat is hard nodig.
Ik keek hem aan, niet het lichaam op de grond maar de andere persoon waarmee ik het appartement binnengekomen was. "Jep, dat is hem" Ik knikte en keek weer naar het lichaam. Nu pas zag ik dat er een grote cirkel van geknipte nagels om hem heen gegooid was. Het bloed was aan een kant door de cirkel gelopen en een gedeelte was over zijn borst gestrooid. "Waarom zouden ze die nagels over hem heen gegooid hebben?" Hij haalde zijn schouders op. "Geen idee, soms kwam er iemand bij hem langs om de nagels te laten knippen. Vond ie leuk, nagels knippen." Ik bukte licht, een nagelschaartje was diep tussen zijn ribben gestoken. Bijna tot de oogjes van het schaartje, dat moest veel kracht of geluk gekost hebben. Bizar. Hij zag waar ik naar keek. "Tja... eigenlijk kende ik hem niet zo goed. Hij woonde gewoon onder mij, een onderbuurman. Het was een beetje een eenzaam figuur. Volgens mij wel aardig, had nooit last van hem. Al kon hij een beetje drammerig zijn, maar ach.." Ik stond weer op en haalde mijn schouders op. "Kom we gaan bij jou de politie bellen. Volgens mij lijkt mij dat het beste wat we nu kunnen doen." Hij knikte.
"Heb je dat echt meegemaakt?!" vroeg ze lachend. Ik knikte instemmend. "Het is serieus gebeurt, enkele weken geleden" We bevonden ons in mijn huis, zij was weer op bezoek gekomen zoals ze de laatste week vaker deed. Normaal gesproken liet ik geen mensen bij mij langskomen, maar ik heb geen last van haar. Ze is welkom en ze kan goed luisteren naar mijn verhalen over mijn leven. Bij haar weet ik tenminste dat ze deze op de juiste manier ziet en niet denkt dat ik een of andere gek ben. "Maar hij was duidelijk vermoord?" Ik knikte weer. "Ja, heel duidelijk. Dat was eigenlijk bij binnenkomst al duidelijk." "En heb je er verder nog iets over gehoord?" Ik lachte. "Nee, alleen de politie heeft ons heel veel vragen gesteld nadat we gebeld hadden en daarna hoorde we er niets meer over!" Ik liep naar de keuken om koffie te pakken. "Zullen we het ergens anders over hebben, dit verhaal heeft zichzelf al verteld en zo belangrijk was het ook weer niet" Het werd mij weer eens angstvallig duidelijk dat ik moest afwassen. Ik kon geen kopje meer vinden, maar ik had niet het idee dat ze het erg zou vinden om uit een vies kopje te drinken. Zolang ze de keuken niet inkwam zou ze het toch niet weten. En wat niet weet, wat niet deert!
Ze stond voor het raam naar de vogels te kijken. "Ik moet gaan" zei ze toen ik haar kopje wilde geven. "Nu al? Je bent er net.." Nu was het haar beurt om te knikken. "Ja, ik moet echt gaan. Het is beter zo, ik kan je niet meer langskomen." Ik was geschokt, wat is dit nu. Eerst wint ze mijn vertrouwen om binnen te komen, hoort mijn halve levensverhalen uit... En nu zegt ze doodleuk dat ze niet meer langs kan komen? Ik voelde mij verraden, misschien zelfs vernederd. Ik wilde dat ik haar niets verteld had, dat ik in haar koffie gespuugd had en terwijl ik dat dacht voegde ik de daad bij het woord. Een flinke fluim verdween in haar koffie, wat ik aan haar gaf. Ze trok een vies gezicht. "Waarom deed je dat?!" Ik haalde mijn schouders op. "Daar is het gat van de deur." en ik wees naar de deur waar ik net door binnengekomen was. "Ik neem aan dat je de weg nog wel kent" Ze trok een teleurgesteld gezicht, zette haar kopje neer en begon naar de deur te lopen. "Ik begrijp het wel..." "Nee, je begrijpt het niet!" viel ik haar in de reden. "Je begrijpt er helemaal niets van en ik heb geen zin om het uit te gaan leggen. Ga maar gewoon weg." Ze liet haar schouders hangen en liep de deur uit. Enkele ogenblikken later hoorde ik de voordeur dichtslaan.
Ik keek uit het raam, zag haar naar de auto lopen en langzaam wegrijden. Ze deed nog een poging tot zwaaien, maar ik reageerde niet. Ik bleef kijken tot haar auto tussen de bomen verdwenen was en ik weer alleen was. Tijd om af te wassen, dat is hard nodig.
6 april 2012
Twee personen
Vanavond slaap ik in twee bedden, omdat mijn twee lichamen niet meer in één bed passen. Gisteren werd ik wakker met een lichaam waar het been van miste en vanochtend bleek bij de andere de maag verdwenen. Ik doe net of ik het niet mis, maar ik wil niet zeggen dat ik het makkelijk vind.
Elke ochtend strompel ik naar de ontbijttafel, ondersteund door mijn andere kant en voel ik de honger alleen knagen aan de zijde waar ik niet ben. Ik eet dan wel een boterham (soms twee) maar er blijft altijd een gat achter. Het eten smaakt mij niet meer. En hoeveel chocopasta ik er ook opsmeer, hoeveel hagelslag en suiker ik ook naar binnen werk, de smaak is verdwenen. Ik voel niets meer sinds mijn been verdwenen is en ik proef niets meer sinds ik geen maag meer heb.
De dokter zegt dat er niets met mij aan de hand is. Dat mijn beide benen nog perfect werken en dat ik zonder maag niet eens zou kunnen leven, maar wat weet hij nou. Hij ziet niet eens dat ik mijzelf moet ondersteunen als ik van een stoel naar de tafel wil lopen. Wanneer ik uit bed stap, eerst aan de linkerkant en daarna aan de rechterkant, is hij er niet om dit te zien. Hij kijkt niet op als ik zeg dat ik twee personen ben. Zijn geschriften, boeken en kleine blocnote vind hij interessanter. Elk woord dat ik tegen hem zeg wordt gewogen en zorgvuldig opgeschreven in die kleine boekjes van hem. Dan knikt hij instemmend en humt wat voor zicht uit. Soms kijkt hij mij over zijn bril aan en knikt instemmend met zijn hoofd. Op deze moment moet ik praten. Ik voel mij verplicht te praten, want hij moet in zijn boekjes schrijven. Ik weet zeker dat hij zonder mij zich zou vervelen, misschien zou hij zelfs zonder werk komen te zitten. Hij schrijft wat ik zeg en dat kan hij dan met zijn boeken bespreken. Niet echt natuurlijk, boeken praten niet terug. Maar in zijn boeken staan wel dezelfde woorden die ik ook uitspreek. Dat weet ik, ik heb ooit één van zijn boeken gestolen en gelezen.
In dat boek kwam ik een woord tegen dat ik niet kende, waar ik nog nooit van gehoord had. Maar de dokter vast wel, de dokter is best een slimme man en woorden die hij niet kent zoekt hij op in zijn woordenboeken. Hij heeft voor elk woord in de boeken wel een woordenboek, elk woord heeft zijn beschrijving omdat elk woord wel iets betekend. Maar dat was allemaal vroeger, toen had ik nog twee benen en een maag die niet ergens rondslingerde. Volgens mij bestond ik ook nog maar uit één lichaam, maar dat weet ik niet meer zeker. Ik ben tegenwoordig van veel dingen niet meer zeker. De dokter zegt dat het door mijn gebrekkige eetlust komt. Of beter gezegd, dat het komt doordat ik zo weinig eet. Hij vind dat ik meer moet eten en dan zeg ik hem dat ik geen maag meer heb. Dat ik zonder mijn maag gewoon geen honger heb. Mijn andere lichaam eet wel genoeg, maar daar weigert hij naar te kijken. Dat heeft ook gewoon twee benen en dingen die nog werken. Al is dat helemaal niet waar, ik heb twee benen en geen maag. Mijn andere lichaam mist een been en kan niets met hout doen.
Ik vind het niet erg om twee lichamen te hebben, alleen ben ik sinds kort doodsbang meer lichaamsdelen kwijt te raken. Daarom ga ik slapen in twee bedden, dan denken ze dat ik twee personen ben. Misschien laten ze mij dan wel met rust en pakken ze de volgende om iets van te stelen. Ik ken al iemand die geen tanden meer heeft, maar dat is niet zo bijzonder. Het was een kwestie van hard slaan en veel geluk hebben. Wat ik van de dokter ook niet meer mag..
Elke ochtend strompel ik naar de ontbijttafel, ondersteund door mijn andere kant en voel ik de honger alleen knagen aan de zijde waar ik niet ben. Ik eet dan wel een boterham (soms twee) maar er blijft altijd een gat achter. Het eten smaakt mij niet meer. En hoeveel chocopasta ik er ook opsmeer, hoeveel hagelslag en suiker ik ook naar binnen werk, de smaak is verdwenen. Ik voel niets meer sinds mijn been verdwenen is en ik proef niets meer sinds ik geen maag meer heb.
De dokter zegt dat er niets met mij aan de hand is. Dat mijn beide benen nog perfect werken en dat ik zonder maag niet eens zou kunnen leven, maar wat weet hij nou. Hij ziet niet eens dat ik mijzelf moet ondersteunen als ik van een stoel naar de tafel wil lopen. Wanneer ik uit bed stap, eerst aan de linkerkant en daarna aan de rechterkant, is hij er niet om dit te zien. Hij kijkt niet op als ik zeg dat ik twee personen ben. Zijn geschriften, boeken en kleine blocnote vind hij interessanter. Elk woord dat ik tegen hem zeg wordt gewogen en zorgvuldig opgeschreven in die kleine boekjes van hem. Dan knikt hij instemmend en humt wat voor zicht uit. Soms kijkt hij mij over zijn bril aan en knikt instemmend met zijn hoofd. Op deze moment moet ik praten. Ik voel mij verplicht te praten, want hij moet in zijn boekjes schrijven. Ik weet zeker dat hij zonder mij zich zou vervelen, misschien zou hij zelfs zonder werk komen te zitten. Hij schrijft wat ik zeg en dat kan hij dan met zijn boeken bespreken. Niet echt natuurlijk, boeken praten niet terug. Maar in zijn boeken staan wel dezelfde woorden die ik ook uitspreek. Dat weet ik, ik heb ooit één van zijn boeken gestolen en gelezen.
In dat boek kwam ik een woord tegen dat ik niet kende, waar ik nog nooit van gehoord had. Maar de dokter vast wel, de dokter is best een slimme man en woorden die hij niet kent zoekt hij op in zijn woordenboeken. Hij heeft voor elk woord in de boeken wel een woordenboek, elk woord heeft zijn beschrijving omdat elk woord wel iets betekend. Maar dat was allemaal vroeger, toen had ik nog twee benen en een maag die niet ergens rondslingerde. Volgens mij bestond ik ook nog maar uit één lichaam, maar dat weet ik niet meer zeker. Ik ben tegenwoordig van veel dingen niet meer zeker. De dokter zegt dat het door mijn gebrekkige eetlust komt. Of beter gezegd, dat het komt doordat ik zo weinig eet. Hij vind dat ik meer moet eten en dan zeg ik hem dat ik geen maag meer heb. Dat ik zonder mijn maag gewoon geen honger heb. Mijn andere lichaam eet wel genoeg, maar daar weigert hij naar te kijken. Dat heeft ook gewoon twee benen en dingen die nog werken. Al is dat helemaal niet waar, ik heb twee benen en geen maag. Mijn andere lichaam mist een been en kan niets met hout doen.
Ik vind het niet erg om twee lichamen te hebben, alleen ben ik sinds kort doodsbang meer lichaamsdelen kwijt te raken. Daarom ga ik slapen in twee bedden, dan denken ze dat ik twee personen ben. Misschien laten ze mij dan wel met rust en pakken ze de volgende om iets van te stelen. Ik ken al iemand die geen tanden meer heeft, maar dat is niet zo bijzonder. Het was een kwestie van hard slaan en veel geluk hebben. Wat ik van de dokter ook niet meer mag..
19 februari 2012
Zwarte vogels
"Weet je nog die zwarte vogels waar ik je gisteren over vertelde?" Ik knikt, dat wist ik nog wel. "Die bestaan allemaal in jouw hoofd. De zwarte vogels, de bomen, de hele santenkraam waar ik je over verteld heb." Ik keek hem aan, ongelovig. "Dat lieg je!" antwoordde ik. Hij schudde zijn hoofd. "Nee, dat lieg ik niet." Hij vouwde zijn handen open. "Kijk, alles wat ik jou gisteren vertelde is een leugen. Niets is echt gebeurt, niets is echt waar. Alles is een idee in jouw hoofd, een gedachte die je ooit gehad heb en nog steeds zwerft in de kronkels van je geest."
Met deze woorden legde hij één hand op mijn been. Ter geruststelling? Ik vond het in ieder geval niet fijn. Zijn woorden staken mij en die hand op mijn been gaf mij een onbehagelijk gevoel, zoals altijd wanneer iemand mij onverhoeds aanraakt. Toch haalde ik zijn hand niet weg. Dat zou onbeleefd zijn en ik wilde niet onbeleefd zijn. Niet nu... Niet nu hij mij deze dingen ging uitleggen. "Maar hoe..?" Hij lachte om mijn vraag. "Hahaha. Hoe! Dat moet je helemaal jezelf afvragen!" En hij begon onbedaarlijk te lachen. Ik had ergens het gevoel dat hij mij uitlachte, maar oké.. zijn hand was wel verdwenen van mijn been. Hij lachte zo hard dat hij om de zoveel tijd zijn hand op zijn eigen knie sloeg. "Hoe vraagt hij!" grinnikte hij verder. "Hoe!" Tranen bungelden over zijn wangen, die hij achteloos met de achterkant van zijn hand wegveegde. Ik keek hem aan, zo leuk was het ook weer niet. "Ik ben serieus. Lach mij niet uit!" Het begon mij een beetje tegen te staan, ik begon zelfs kwaad te worden. Eindelijk, een keer. Ik werd nooit kwaad op hem, terwijl hij vaker het bloed onder mijn nagels vandaan haalde.
Hij veegde de lach van zijn gezicht, de laatste sporen van zijn tranen nam hij in één beweging mee. "Sorry, je hebt gelijk. Voor jou is het uitermate serieus." zei hij met een meesmuilende blik in zijn ogen. "Godver, je steekt gewoon de draak met mij!" Ik keek hem nu echt kwaad aan. Hij stak verwerend zijn handen op. "Nee, nee, sorry! Het spijt mij echt. Ik had je niet moeten uitlachen, maar als je op mijn stoel zit is je reactie gewoon erg grappig. Sorry.. Ik zal het niet meer doen." Ik keek hem aan, het leek erop dat hij het serieus meende. Ik dacht oprechte spijt in zijn ogen te kunnen lezen, maar ik kon het ook mis hebben. Erg goed in mensen lezen was ik nooit geweest, maar ik gaf hem het voordeel van de twijfel. "Oké, vertel verder. De zwarte vogels heb ik zelf verzonnen, daar was je." Hij knikte. "Klopt, ze zijn allemaal in jouw geest begonnen. Eigenlijk is alles in jouw geest begonnen. Zelfs dit gesprek." Nu keek ik hem helemaal vreemd aan. "Wat bedoel je?" "Ik snap niet wat je bedoeld. Ik ben hier met jou, dit gesprek voeren wij nu. Ik heb nooit eerder over dit gesprek nagedacht, behalve dat we in het verleden veel vaker een gesprek hadden waar ik naderhand over nadacht." Weer die bevestigende hoofdbewegingen die in mijn richting werden geworpen. "Klopt, klopt.." En daarmee liet hij een stilte vallen.
Ik keek naar zijn handen. Zijn sierlijk lange vingers die op zijn knie en dijbeen lagen. Ze lagen stil, net als de woorden die we net uitgesproken hadden. "Ik begrijp het niet.." mompelde ik tegen hem. Hij keek mij aan, vouwde zijn handen in elkaar en ging achterover in de stoel zitten. Zo bleef hij zitten en mij aankijken. Zijn blik dwaalde over mijn gezicht. Ik zag zijn blauw-grijze ogen kleine schokkerige bewegingen maken terwijl ze over de oppervlakte van mijn gezicht trokken. "Waarom zeg je niets meer?" vroeg ik. Als antwoord haalde hij alleen zijn schouders op. Waarom zou hij ook antwoord geven. Hij had al gezegd dat dit hele gesprek in mijn hoofd had plaatsgevonden en als ik niet eerder iets bedacht had kon hij ook nooit een tekst hebben. Ik had zijn woorden niet eerder bedacht, zonder woorden kon hij niets zeggen. En als hij niets kon zeggen kon hij mij ook geen uitleg geven. Ik zat in een patstelling. Wat moest ik nu? Hem vertellen wat hij moest zeggen, dat ik begreep dat hij geen woorden had omdat ik ze niet bedacht had? Of gewoon blijven zitten tot hij uit zichzelf weer begon te praten? Het werd mij allemaal te veel, vermoeidheid nam mijn lichaam over en ik zakte weg in mijn zetel.
Daar zaten we, twee mannen. Elk een eigen zetel, al had hij slechts een stoel. Handen op de benen, achterover leunend en wachten tot de een begint te praten. Ik besloot te beginnen. "Die zwarte vogels van gisteren..." Hij knikte. "Ja, daar had ik je over verteld." "Inderdaad, daar had jij mij over verteld. Maar ik begrijp het niet.." Hij ging weer rechtop zitten. "Dat begrijp ik, ik was ook een beetje harteloos om je zomaar uit het niets te vertellen dat de zwarte vogels alleen in jouw hoofd bestaan. Ik had het een beetje makkelijker, zachter, moeten inkleden. Het zal wel koud op je dak gevallen zijn." Ik knikte, het was heel erg koud op mijn dak gevallen. Ik was er nog steeds ondersteboven van. Plotseling klonk er achter hem het geluid van een kookwekker. De rinkelende toon ging snerpend door de kamer en ik schrok er even van. Hij keek op zijn horloge. "Goh, ons uur is alweer op! Ik vertel je volgende keer meer. Maar maak even een afspraak aan de desk." Hij stond op en stak zijn hand uit. Ik stond ook op en gaf hem een hand. "Tot de volgende keer.." Beduusd liep ik de kamer uit en wierp nog een allerlaatste blik op het raam in zijn kamer. Een kraai zat op de vensterbank. Zijn ene kraaloog glinsterde in het zonlicht en keek mij recht aan. "Dag, dokter.." en ik trok de deur van zijn kamer dicht. Volgende keer zorg ik dat je meer woorden hebt, volgende keer vertel je het vast wel.
Met deze woorden legde hij één hand op mijn been. Ter geruststelling? Ik vond het in ieder geval niet fijn. Zijn woorden staken mij en die hand op mijn been gaf mij een onbehagelijk gevoel, zoals altijd wanneer iemand mij onverhoeds aanraakt. Toch haalde ik zijn hand niet weg. Dat zou onbeleefd zijn en ik wilde niet onbeleefd zijn. Niet nu... Niet nu hij mij deze dingen ging uitleggen. "Maar hoe..?" Hij lachte om mijn vraag. "Hahaha. Hoe! Dat moet je helemaal jezelf afvragen!" En hij begon onbedaarlijk te lachen. Ik had ergens het gevoel dat hij mij uitlachte, maar oké.. zijn hand was wel verdwenen van mijn been. Hij lachte zo hard dat hij om de zoveel tijd zijn hand op zijn eigen knie sloeg. "Hoe vraagt hij!" grinnikte hij verder. "Hoe!" Tranen bungelden over zijn wangen, die hij achteloos met de achterkant van zijn hand wegveegde. Ik keek hem aan, zo leuk was het ook weer niet. "Ik ben serieus. Lach mij niet uit!" Het begon mij een beetje tegen te staan, ik begon zelfs kwaad te worden. Eindelijk, een keer. Ik werd nooit kwaad op hem, terwijl hij vaker het bloed onder mijn nagels vandaan haalde.
Hij veegde de lach van zijn gezicht, de laatste sporen van zijn tranen nam hij in één beweging mee. "Sorry, je hebt gelijk. Voor jou is het uitermate serieus." zei hij met een meesmuilende blik in zijn ogen. "Godver, je steekt gewoon de draak met mij!" Ik keek hem nu echt kwaad aan. Hij stak verwerend zijn handen op. "Nee, nee, sorry! Het spijt mij echt. Ik had je niet moeten uitlachen, maar als je op mijn stoel zit is je reactie gewoon erg grappig. Sorry.. Ik zal het niet meer doen." Ik keek hem aan, het leek erop dat hij het serieus meende. Ik dacht oprechte spijt in zijn ogen te kunnen lezen, maar ik kon het ook mis hebben. Erg goed in mensen lezen was ik nooit geweest, maar ik gaf hem het voordeel van de twijfel. "Oké, vertel verder. De zwarte vogels heb ik zelf verzonnen, daar was je." Hij knikte. "Klopt, ze zijn allemaal in jouw geest begonnen. Eigenlijk is alles in jouw geest begonnen. Zelfs dit gesprek." Nu keek ik hem helemaal vreemd aan. "Wat bedoel je?" "Ik snap niet wat je bedoeld. Ik ben hier met jou, dit gesprek voeren wij nu. Ik heb nooit eerder over dit gesprek nagedacht, behalve dat we in het verleden veel vaker een gesprek hadden waar ik naderhand over nadacht." Weer die bevestigende hoofdbewegingen die in mijn richting werden geworpen. "Klopt, klopt.." En daarmee liet hij een stilte vallen.
Ik keek naar zijn handen. Zijn sierlijk lange vingers die op zijn knie en dijbeen lagen. Ze lagen stil, net als de woorden die we net uitgesproken hadden. "Ik begrijp het niet.." mompelde ik tegen hem. Hij keek mij aan, vouwde zijn handen in elkaar en ging achterover in de stoel zitten. Zo bleef hij zitten en mij aankijken. Zijn blik dwaalde over mijn gezicht. Ik zag zijn blauw-grijze ogen kleine schokkerige bewegingen maken terwijl ze over de oppervlakte van mijn gezicht trokken. "Waarom zeg je niets meer?" vroeg ik. Als antwoord haalde hij alleen zijn schouders op. Waarom zou hij ook antwoord geven. Hij had al gezegd dat dit hele gesprek in mijn hoofd had plaatsgevonden en als ik niet eerder iets bedacht had kon hij ook nooit een tekst hebben. Ik had zijn woorden niet eerder bedacht, zonder woorden kon hij niets zeggen. En als hij niets kon zeggen kon hij mij ook geen uitleg geven. Ik zat in een patstelling. Wat moest ik nu? Hem vertellen wat hij moest zeggen, dat ik begreep dat hij geen woorden had omdat ik ze niet bedacht had? Of gewoon blijven zitten tot hij uit zichzelf weer begon te praten? Het werd mij allemaal te veel, vermoeidheid nam mijn lichaam over en ik zakte weg in mijn zetel.
Daar zaten we, twee mannen. Elk een eigen zetel, al had hij slechts een stoel. Handen op de benen, achterover leunend en wachten tot de een begint te praten. Ik besloot te beginnen. "Die zwarte vogels van gisteren..." Hij knikte. "Ja, daar had ik je over verteld." "Inderdaad, daar had jij mij over verteld. Maar ik begrijp het niet.." Hij ging weer rechtop zitten. "Dat begrijp ik, ik was ook een beetje harteloos om je zomaar uit het niets te vertellen dat de zwarte vogels alleen in jouw hoofd bestaan. Ik had het een beetje makkelijker, zachter, moeten inkleden. Het zal wel koud op je dak gevallen zijn." Ik knikte, het was heel erg koud op mijn dak gevallen. Ik was er nog steeds ondersteboven van. Plotseling klonk er achter hem het geluid van een kookwekker. De rinkelende toon ging snerpend door de kamer en ik schrok er even van. Hij keek op zijn horloge. "Goh, ons uur is alweer op! Ik vertel je volgende keer meer. Maar maak even een afspraak aan de desk." Hij stond op en stak zijn hand uit. Ik stond ook op en gaf hem een hand. "Tot de volgende keer.." Beduusd liep ik de kamer uit en wierp nog een allerlaatste blik op het raam in zijn kamer. Een kraai zat op de vensterbank. Zijn ene kraaloog glinsterde in het zonlicht en keek mij recht aan. "Dag, dokter.." en ik trok de deur van zijn kamer dicht. Volgende keer zorg ik dat je meer woorden hebt, volgende keer vertel je het vast wel.
28 januari 2012
Uitzicht
Inmiddels was ze al drie dagen op het eiland. De eerste dag was alles nog spannend, nieuw en keek ze uit naar alles wat ze ging beleven. Toen wist ze nog niets van het eiland, maar dat duurde niet lang. Zoals iedereen kwam ze met de boot aan in die kleine haven. Schattige, bijna pittoreske huisjes stonden langs de kant van de kade waarmee ze de verwachting van een dorps, maar mooi uiterlijk leken in te vullen. Nu op de derde dag was het pittoreske en schattige wel volledig verdwenen. Er was niets schattig aan de huisjes langs de kade en ze begon te verlangen naar het moment dat ze weer terug naar de boot mocht.
Drie dagen geleden had ze de tekenen eigenlijk al moeten opmerken. De vliegen waren op de boot ook al aanwezig, maar iedereen zei tegen haar dat ze snel zouden verdwijnen. Dat ze alleen hier op de boot, op het meer last van vliegen hadden. Op het eiland zou ze heerlijk tot rust kunnen komen. Iedereen verzekerde het haar, zelfs de vliegen leken dit te bevestigen. Toen ze de eerste huisjes in de verst zag liggen trokken ze zich terug naar het wateroppervlakte waar ze vanaf gekomen waren. Niemand vond het ook vreemd dat het water bedekt was met die grote, zwarte vliegen en dat zorgde dat zij er verder niet over na hoefde te denken. Ze nam gewoon aan dat iedereen gelijk had en die huisjes waren vanuit de verte ook gewoon ontzettend schattig. Misschien zouden ze nu ook nog steeds heel schattig zijn vanuit de verte, al dacht ze niet dat ze ooit kon vergeten wat ze nu wist. Dit hele eiland had zijn glans verloren, al bestond die glans alleen maar in een folder van het reisbureau.
Ze liep naar het raam van haar hotelkamer en keek naar de haven in de verte. De huisjes stonden nog steeds naast de kade, het water zag zwart (van vliegen?) en de zon brandde onverbiddelijk op de hele omgeving. Niemand leek op straat te zijn, maar drie dagen geleden zag ze ook bijna niemand op straat toen ze aankwam. Bij nader inzien had dat ook verdacht moeten zijn, zo'n idyllisch eiland en niemand op straat om ervan te genieten. Dat er naast haar totaal geen toeristen op de boot waren, alleen een handjevol bemanning kwam haar nu pas als extra teken dat er iets mis was voor. Die bemanning zag er ook niet erg fris uit, bedacht ze zich nu. Maar ja, dat was allemaal achteraf de losse draadjes aan elkaar verbinden. Daar had ze nu niets meer aan, nu was ze op dit eiland en zat ze vast tot de boot weer kwam om haar op te halen. Ze keek weer naar buiten, al zag ze inmiddels niets meer van het uitzicht dat ze op de haven had. Het raam was weer bezaait met de dikke, zwarte vliegen die het eiland leken te bezitten. Hun grote zwarte lichaampjes zwermden over het raam waardoor ze de wereld buiten nog met vlagen kon zien. Het begon dus weer avond te worden, 's avonds waren de vliegen het ergste.
's Avonds mocht ze zelfs niet meer naar buiten gaan van de hoteleigenaar. Hij was de eerste die eerlijk tegen haar was. Zeker nadat hij de reden van haar komst, toerist, had gehoord. Hij kon niet geloven dat iemand het eiland waar hij woonde aanprees als idyllisch en gevuld met ongerept natuurschoon. Al moest hij wel toegeven dat het natuurschoon op het eiland inderdaad ongerept was, geen mens hield het lang uit op het eiland. Tenminste niet zolang je vier stenen muren om je heen had staan, in de buitenlucht zouden de vliegen je levend opvreten. "Niet letterlijk!" gooide hij er nog met een grimas achteraan, maar inmiddels geloofde ze best dat die zwermen mensen volledig opvraten. Niet dat ze het proefondervindelijk wilde ondergaan, de grote plak vliegen op haar hotelkamer-raam weerhielden haar van elk plan om naar buiten te gaan. Zelfs op de eerste dag was ze binnen gebleven toen ze ontdekte dat die vliegen in de avond massaal naar het eiland kwamen. Daar was ze de hoteleigenaar nog steeds dankbaar voor, dat hij het eerlijk verteld had en haar op het hart had gedrukt om voor drieën in het hotel te zijn. Hij was helemaal niet blij met haar komst, wat vreemd was aangezien ze de enige betalende bezoeker leek te zijn.
Buiten begon de schemering in te vallen. De zon zou nu half achter de horizon verdwenen zijn, misschien iets verder. De lucht was waarschijnlijk prachtig rood of fel-oranje gekleurd met vlammende wolken rond de zonneschijf, maar dat kon ze allemaal niet zien. Ze kon niet zien hoe in de huisjes, de pittoreske huisjes langs de kade voorzichtig de eerste lichten ontstoken werden. Hoe het weerschijnsel van de verlichte ramen op het meer eruit zouden zien of zelfs de laatste zonnestralen op het meer. Dat moest ze allemaal missen door haar uitzicht op de dikke, vette zwarte vliegen. Zij ontnamen niet alleen haar plezier op een leuke vakantie, maar zelfs haar uitzicht. Vermoeid, terwijl de avond net begonnen was, plofte ze neer in haar stoel en sloeg haar handen voor het gezicht. Zachtjes begon ze te huilen...
(wordt vervolgd)
Drie dagen geleden had ze de tekenen eigenlijk al moeten opmerken. De vliegen waren op de boot ook al aanwezig, maar iedereen zei tegen haar dat ze snel zouden verdwijnen. Dat ze alleen hier op de boot, op het meer last van vliegen hadden. Op het eiland zou ze heerlijk tot rust kunnen komen. Iedereen verzekerde het haar, zelfs de vliegen leken dit te bevestigen. Toen ze de eerste huisjes in de verst zag liggen trokken ze zich terug naar het wateroppervlakte waar ze vanaf gekomen waren. Niemand vond het ook vreemd dat het water bedekt was met die grote, zwarte vliegen en dat zorgde dat zij er verder niet over na hoefde te denken. Ze nam gewoon aan dat iedereen gelijk had en die huisjes waren vanuit de verte ook gewoon ontzettend schattig. Misschien zouden ze nu ook nog steeds heel schattig zijn vanuit de verte, al dacht ze niet dat ze ooit kon vergeten wat ze nu wist. Dit hele eiland had zijn glans verloren, al bestond die glans alleen maar in een folder van het reisbureau.
Ze liep naar het raam van haar hotelkamer en keek naar de haven in de verte. De huisjes stonden nog steeds naast de kade, het water zag zwart (van vliegen?) en de zon brandde onverbiddelijk op de hele omgeving. Niemand leek op straat te zijn, maar drie dagen geleden zag ze ook bijna niemand op straat toen ze aankwam. Bij nader inzien had dat ook verdacht moeten zijn, zo'n idyllisch eiland en niemand op straat om ervan te genieten. Dat er naast haar totaal geen toeristen op de boot waren, alleen een handjevol bemanning kwam haar nu pas als extra teken dat er iets mis was voor. Die bemanning zag er ook niet erg fris uit, bedacht ze zich nu. Maar ja, dat was allemaal achteraf de losse draadjes aan elkaar verbinden. Daar had ze nu niets meer aan, nu was ze op dit eiland en zat ze vast tot de boot weer kwam om haar op te halen. Ze keek weer naar buiten, al zag ze inmiddels niets meer van het uitzicht dat ze op de haven had. Het raam was weer bezaait met de dikke, zwarte vliegen die het eiland leken te bezitten. Hun grote zwarte lichaampjes zwermden over het raam waardoor ze de wereld buiten nog met vlagen kon zien. Het begon dus weer avond te worden, 's avonds waren de vliegen het ergste.
's Avonds mocht ze zelfs niet meer naar buiten gaan van de hoteleigenaar. Hij was de eerste die eerlijk tegen haar was. Zeker nadat hij de reden van haar komst, toerist, had gehoord. Hij kon niet geloven dat iemand het eiland waar hij woonde aanprees als idyllisch en gevuld met ongerept natuurschoon. Al moest hij wel toegeven dat het natuurschoon op het eiland inderdaad ongerept was, geen mens hield het lang uit op het eiland. Tenminste niet zolang je vier stenen muren om je heen had staan, in de buitenlucht zouden de vliegen je levend opvreten. "Niet letterlijk!" gooide hij er nog met een grimas achteraan, maar inmiddels geloofde ze best dat die zwermen mensen volledig opvraten. Niet dat ze het proefondervindelijk wilde ondergaan, de grote plak vliegen op haar hotelkamer-raam weerhielden haar van elk plan om naar buiten te gaan. Zelfs op de eerste dag was ze binnen gebleven toen ze ontdekte dat die vliegen in de avond massaal naar het eiland kwamen. Daar was ze de hoteleigenaar nog steeds dankbaar voor, dat hij het eerlijk verteld had en haar op het hart had gedrukt om voor drieën in het hotel te zijn. Hij was helemaal niet blij met haar komst, wat vreemd was aangezien ze de enige betalende bezoeker leek te zijn.
Buiten begon de schemering in te vallen. De zon zou nu half achter de horizon verdwenen zijn, misschien iets verder. De lucht was waarschijnlijk prachtig rood of fel-oranje gekleurd met vlammende wolken rond de zonneschijf, maar dat kon ze allemaal niet zien. Ze kon niet zien hoe in de huisjes, de pittoreske huisjes langs de kade voorzichtig de eerste lichten ontstoken werden. Hoe het weerschijnsel van de verlichte ramen op het meer eruit zouden zien of zelfs de laatste zonnestralen op het meer. Dat moest ze allemaal missen door haar uitzicht op de dikke, vette zwarte vliegen. Zij ontnamen niet alleen haar plezier op een leuke vakantie, maar zelfs haar uitzicht. Vermoeid, terwijl de avond net begonnen was, plofte ze neer in haar stoel en sloeg haar handen voor het gezicht. Zachtjes begon ze te huilen...
(wordt vervolgd)
14 december 2011
Niet alles geloven
Zoals elke ochtend deed ze de gordijnen open, eerst de linker en dan de rechter. Ze keek naar buiten, gewoon om te zien wat voor weer het was en omdat ze het altijd prettig vond om even de wereld te beschouwen zonder dat ze buiten geweest was. Het beloofde een zonnige dag te worden. De zon was al een beetje te zien achter het dak van de overburen, de lucht was grotendeels onbewolkt en een eenzame fietser trapte door de straat heen. "Ja, het gaat een mooie dag worden" dacht ze bij zichzelf.
Ze keek de fietser in de straat na en wierp een korte blik op hun tuin onder het raam. En plots zag ze hem daar staan, aan de rand van hun tuin. Een beetje verscholen achter de struik die bij de buren op de hoek van de tuin stond. Een man met een lange zwarte jas en een zwarte hoed op zijn hoofd. Ze voelde zijn blik op het slaapkamerraam rusten waarachter zij stond. Wat moest die vent daar? "Robert, kom eens kijken!" riep ze naar haar man in de badkamer. "Wat is er?" klonk vanachter de deur. "Wacht, een momentje. Even mijn gezicht afwassen.." Een beetje geïrriteerd, misschien wel licht paniekerig gooide ze er een "kom nu eens kijken!" uit. Haar man stormde gelijk de badkamer uit, plukken scheerschuim hingen nog aan zijn gezicht. Met de handdoek in zijn hand veegde hij de laatste resten weg. "Wat is er?!" Hij liep naar haar toe. "Kijk naar buiten, daar bij het hek van de buren. Bij die grote struik!" Ze wees naar buiten. Robert keek naar buiten. "Ik zie niet. Gewoon onze tuin en de tuin van de buren. Wat is er aan de hand?" Hij keek haar bezorgd aan. "Je klonk bijna in paniek!"
Ze keek weer naar buiten. De man in het zwart was verdwenen. De straat was verlaten, alleen de auto's van de buren geparkeerd langs de stoep. Ze keek de hele straat af, naar beide kanten, maar er liep ook niemand. "Zou hij achter de struik zitten?" vroeg ze zichzelf nog even af, maar wist dat dit ook onzin was. Zo groot was die struik ook weer niet en een grote vent in een zwarte jas zou ze echt wel zien. "Ik dacht dat ik een vent naar ons huis zag staren. Volgens mij ben ik nog niet helemaal wakker. Droom ik nog.." Robert lachte en gaf haar een kus op haar voorhoofd. "Ja, dat zal het zijn. Kom, we gaan ontbijten. Ik moet zo weer gaan werken." "Ja.." zei ze opgelucht. "Laten we dat gaan doen" en ze liepen gezamenlijk de trap af voor het ontbijt. De man in het zwart verdween langzaam naar een plekje diep in haar achterhoofd. Niet veel later zette ze haar man de deur uit, omdat hij dreigde te laat op haar werk te komen. Ontbijten met Robert was altijd erg gezellig, met z'n flauwe grappen en heerlijke boterhammen maar hij vergat altijd de tijd. Gelukkig had hij haar, kon ze hem op tijd de deur uitzetten.
Ze ruimde de ontbijtspullen op en dacht na over de rest van haar dag. Vandaag hoefde ze zelf niet te werken, dus ze kon lekker aanrommelen. Misschien eventjes naar de stad om wat te gaan windowshoppen.. Ze had op zich niets nodig, maar je weet nooit. Op de dagen dat ze gewoon voor niets naar de stad ging vond ze vaak iets leuks en verder had ze toch niets te doen. Behalve de afwas, waar ze gelijk maar aan begon. Was dat maar gedaan en had ze de rest van de dag haar handen vrij. Veel was het niet, slechts de ontbijtbordjes en de spullen van gisterenavond. Daar was ze zo mee klaar en terwijl ze het water in de gootsteen liet lopen keek ze weer naar buiten. En daar stond hij weer! Nu rechtstreeks voor haar keukenraam, op de stoep voor het gazon. Dezelfde zwarte jas, dezelfde zwarte hoed en nu kon ze zien dat hij rechtstreeks naar haar keek. Al kon ze zijn gezicht niet zien, die ging schuil onder de schaduw die de rand van zijn hoed trok. "Wat te F..." dacht ze en ondanks dat ze eigenlijk bang was vond ze dat ze die kerel best kon confronteren met zijn gedrag. Ze hield er niet van als onbekenden haar in de gaten houden. Maar ja, wie wel? Ze deed de kraan uit en liep naar de voordeur.
Kwaad, met een ruk, deed ze de voordeur open. Ze stormde naar buiten en wilde die kerel gelijk aanspreken. Onder het mom "wat moet je hier" maar er was helemaal niemand. Geen kerel, alleen dezelfde straat die ze altijd zag. De buurman van twee huizen verder kwam net naar buiten lopen, hij zwaaide. Even wist ze niet wat ze moest doen en zwaaide verstrooid terug. Ze keek de straat uit, niemand. Er liep ook niemand. "Ik kan toch niet meer dromen?" vroeg ze aan zichzelf af en liep weer naar binnen. Nu liet de man in het zwart haar niet meer los. Ze bleef eraan denken en de afwas liet ze maar staan voor vanavond. Eerst dit probleem oplossen. Wie was die vent en waarom observeerde hij haar? En nog belangrijker hoe kon hij zo snel verdwijnen als hij deed? Vragen waar ze het antwoord ook niet op wist. Ze besloot haar vriendin te bellen, misschien wist zei raad en anderzijds wilde ze ook liever niet meer alleen zijn. Ze voelde zich niet prettig.
Terwijl ze belde keek ze een beetje angstig uit het raam. Niemand te zien, alleen de straat die ze elke dag zag. Een auto reed voorbij en even later nog één. Haar vriendin nam niet op. "Verdomme!" vloekte ze zachtjes. Ze wilde niet thuisblijven, nu even niet. Ongedurig ging ze op de bank zitten en ze zat nog niet of de telefoon ging. Ze schrok, keek naar buiten (waar niets bijzonders te zien was) en nam op. "Hallo.." "Hooi, met Elsbeth! Ik zag dat je gebeld had!" Haar vriendin, opgelucht haalde ze adem. "Ja, sorry.." ging Elsbeth verder "ik was in de keuken en hoorde de telefoon te laat" "Ach, dat geeft toch niet" antwoordde ze terug. "Het was ook niet zo belangrijk, ik vroeg mij alleen af of je zin had om ergens koffie te gaan drinken. Ik heb geen zin om thuis te zijn.." "Ja, dat vind ik nu een goed plan!" hoorde ze aan de andere kant van de lijn. "Zal ik je over een uurtje oppikken? Kunnen we even ergens gaan roddelen over onze mannen!" Ze lachte: "Ja, dat is goed. Zie ik je over een uurtje." Ze hing op, een uurtje niets doen. Ze ging weer op de bank zitten en keek uit het raam. Nog steeds de normale straat, geen kerel met een zwarte jas en hoed. Enkele auto's en fietsers kwamen voorbij terwijl het uur verstreek.
Zoals gewoonlijk gingen ze naar de La Place in het centrum. Daar hadden ze de lekkerste appeltaart vond haar vriendin en op zich was ze het hier wel mee eens. Ze hadden een tafeltje aan het raam gekozen en keken naar buiten, naar de binnentuin onder hen. "Toch altijd mooi, die tuin" zei Elsbeth. Ze knikte terwijl ze een hap van haar taart nam. Haar vriendin wilde ook een hap nemen, maar zag dat ze een theelepeltje in plaats van vorkje gepakt had. Ze lachte en stak het stukje servies in de lucht. "Zo terug, even een vorkje pakken!" "Is goed, dan geniet ik even verder in stilte" en ze lachte naar haar vriendin. Ze keek hoe Elsbeth wegliep naar de bestekbak en draaide haar hoofd om de binnentuin weer te bekijken. Om even van de bloeiende planten te genieten. Ze schrok zich dood, daar stond die vent met zijn zwarte jas en hoed weer. Midden in de tuin, tussen de planten en struiken. En ze wist dat hij omhoog keek, naar haar keek. Ze rukte haar blik los van hem en keek naar haar vriendin die inmiddels terug kwam lopen. "Elsbeth..." begon ze en ze wees naar het raam. Elsbeth keek haar aan. "Wat is er? Je ziet helemaal wit, alsof je een geest gezien hebt." Ze schudde van nee. "Kijk even naar buiten, zie jij daar een vent in de tuin staan!" Elsbeth keek naar buiten: "ik zie niets.... maar dat kan ook helemaal niet, die tuin is afgesloten. Alleen bereikbaar voor het personeel." "Of zag je iemand van het personeel, een lekker vent?" zei Elsbeth plagerig. "Nee, nee, een vent in een lange zwarte jas" antwoordde ze. Haar vriendin keek haar aan en schudde nee.
Nadat ze het hele verhaal aan haar vriendin had verteld, wat twee bakken koffie koste om te vertellen voelde ze zich wat meer gerustgesteld. Haar vriendin dacht ook dat ze droomde, volgens haar kon je gewoon dingen zien terwijl je wakker was. En sliep ze de laatste tijd niet erg slecht! Iets wat ze had beaamd, ze sliep al enkele weken erg slecht. Volgens haar vriendin had ze gewoon last van waakdromen en moest ze even naar de dokter. Na de belofte dit te gaan doen liet haar vriendin haar achter in de La Place, ze moest nog even boodschappen doen had ze gezegd. Wat ook waar was, ze moest inderdaad nog boodschappen doen. Het eten wat ze gisteren in gedachten had voor vandaag had ze nu geen zin meer in. En daarbij zou boodschappen doen haar weer wat rust geven, gewoon iets basaal doen als boodschappen. Ze stond op, bracht het dienblad met de kopjes en schoteltjes naar de opruimband en liep naar buiten. De geluiden van de straat omringde haar, winkelend publiek liep langs haar heen en ze voegde zich in de massa. "Ja, het was gewoon een droom. Er is niets" sprak ze zichzelf toe en ze liep de winkelstraat verder in.
Even stopte ze bij haar favoriete kledingwinkel en keek in de etalage. Er hing niets leuks, een jurkje wat ze al eerder had gepast en afgekeurd had vanwege een lelijke pasvorm. Daarnaast een broek die haar smaak niet was en dingen ze nog te duur vond. Leuk voor de uitverkoop, maar niet om de volle prijs voor te betalen. Ze wilde verder lopen toen ze in de weerspiegeling weer die vent in het zwart zag. Zwarte jas, zwarte hoed en hij keek weer haar richting op. Hij stond aan de overkant van de straat. Met een bonzend hart draaide ze zich om, hij stond nu wel heel erg dichtbij. Ze moest hem nu makkelijk kunnen aanspreken, maar ze zag niemand toen ze zich omgedraaid had. Helemaal niemand, alleen het normale winkelende publiek. Wat voor een woensdagochtend natuurlijk nog niet echt veel was. Ze keek weer in de winkelruit, niets bijzonders. Precies dezelfde straat. "Ik droom, een hallucinatie..." sprak ze zichzelf streng toe: "als ik thuis ben gelijk de dokter bellen!" Ze had gelijk nergens meer zin in, ook niet in boodschappen doen maar aangezien ze dit nu eenmaal voorgenomen had liep ze gelijk door naar de supermarkt. In de etalageruiten keek ze niet meer.
In de supermarkt zag ze hem weer staan, bij de vleesafdeling. Enkel stond hij nu met zijn rug naar haar toe en ze stormde op hem af. Kwaad greep ze hem bij de schouder. "Wat moet je van mij!" schreeuwde ze hem toe, terwijl ze hem met een ruk omdraaide. Een oudere man staarde haar verschrikt aan. "Mevrouw! Wat doet u? Wat wilt u?" Hij viel bijna door haar bruuske gebaar. "Ik ken u helemaal niet!" Ze schrok en zag nu dat hij helemaal geen zwarte jas aanhad, alleen een lange bruine regenjas. Hij had niet eens een hoed. Wat was door haar heengegaan? "Neem mij niet kwalijk, meneer.." verontschuldigde ze zich. "Ja, dat is je geraaien ook" antwoordde de man kwaad en keerde terug naar het vlees dat hij aan het uitzoeken was. Ze liep weg, dit was echt niet goed. Ze kon beter naar huis gaan en de dokter gaan bellen.
En net voordat ze de winkel uitliep zag ze hem weer door het glas van de deuren heen. Hij stond overduidelijk in zijn lange zwarte jas en hoed op zijn hoofd haar aan te kijken vanaf de overkant van de straat. Nu had ze hem, nu zou ze weten wat hij van haar moest. Ze zou hem nu niet meer uit het oog verliezen en stormde naar buiten. De deuren gleden voor haar open en de man was nu duidelijk zichtbaar. Dit was haar kans en stormde op hem af zonder op of om te kijken. Achter haar hoorde ze iemand schreeuwen dat ze moest oppassen, maar ze lette niet op. Ze had alleen nog oog voor de man in het zwart. Naast haar hoorde ze luid piepende remmen, geluid van een motor en toen voelde ze haar benen onder zich wegslaan. Haar hoofd klapte op de voorruit, welke onder haar versplinterde. Haar arm schoot onder haar weg en tegen het dak van de auto. Ze voelde haar benen tegen de motorkap klappen, eroverheen schuiven en toen werd het zwart voor haar ogen. In de duisternis voelde ze haar lichaam keihard tegen de straat knallen en bleef liggen.
Ze wist niet hoe lang ze daar gelegen had toen ze haar ogen opende. Mensen stonden om haar heen en ze kon ze niet bewegen. Ze hoorde opgewonden stemmen. "Zo erg!" "Zag je haar gaan, ze stak zo maar over" "Ik kon er niets aan doen" Mensen stonden om haar heen, onrustig. "Is er al een ambulance gebeld?" Ze probeerde iets te zeggen, maar slechts een licht gereutel kwam over haar lippen. Ze keek naar de mensen om haar heen, vele keken geschrokken naar haar gehavende lichaam. Naar het bloed dat uit haar hoofd stroomde. Een enkeling keek of er al een ambulance of een dokter kwam en daarna weer snel naar haar. Uit het niets opende de groep mensen zich. "Een dokter.." ging door haar hoofd, maar de man in de zwarte jas kwam naar voren. Hij ging naast haar staan, ging door zijn knieën en stak zijn hand uit. Eindelijk kon ze zijn gezicht zien. Wit als perkament en ondanks zijn toch jeugdige uiterlijk zag hij eruit alsof hij ouder was dan de wereld om hen heen. Zijn ogen leeg, peilloze dieptes die alles zagen maar niets registreerden. Ze keek naar zijn uitgestoken hand. Met een zachte stem prak hij haar toe. "Ga je mee?" zei hij.
Ze keek de fietser in de straat na en wierp een korte blik op hun tuin onder het raam. En plots zag ze hem daar staan, aan de rand van hun tuin. Een beetje verscholen achter de struik die bij de buren op de hoek van de tuin stond. Een man met een lange zwarte jas en een zwarte hoed op zijn hoofd. Ze voelde zijn blik op het slaapkamerraam rusten waarachter zij stond. Wat moest die vent daar? "Robert, kom eens kijken!" riep ze naar haar man in de badkamer. "Wat is er?" klonk vanachter de deur. "Wacht, een momentje. Even mijn gezicht afwassen.." Een beetje geïrriteerd, misschien wel licht paniekerig gooide ze er een "kom nu eens kijken!" uit. Haar man stormde gelijk de badkamer uit, plukken scheerschuim hingen nog aan zijn gezicht. Met de handdoek in zijn hand veegde hij de laatste resten weg. "Wat is er?!" Hij liep naar haar toe. "Kijk naar buiten, daar bij het hek van de buren. Bij die grote struik!" Ze wees naar buiten. Robert keek naar buiten. "Ik zie niet. Gewoon onze tuin en de tuin van de buren. Wat is er aan de hand?" Hij keek haar bezorgd aan. "Je klonk bijna in paniek!"
Ze keek weer naar buiten. De man in het zwart was verdwenen. De straat was verlaten, alleen de auto's van de buren geparkeerd langs de stoep. Ze keek de hele straat af, naar beide kanten, maar er liep ook niemand. "Zou hij achter de struik zitten?" vroeg ze zichzelf nog even af, maar wist dat dit ook onzin was. Zo groot was die struik ook weer niet en een grote vent in een zwarte jas zou ze echt wel zien. "Ik dacht dat ik een vent naar ons huis zag staren. Volgens mij ben ik nog niet helemaal wakker. Droom ik nog.." Robert lachte en gaf haar een kus op haar voorhoofd. "Ja, dat zal het zijn. Kom, we gaan ontbijten. Ik moet zo weer gaan werken." "Ja.." zei ze opgelucht. "Laten we dat gaan doen" en ze liepen gezamenlijk de trap af voor het ontbijt. De man in het zwart verdween langzaam naar een plekje diep in haar achterhoofd. Niet veel later zette ze haar man de deur uit, omdat hij dreigde te laat op haar werk te komen. Ontbijten met Robert was altijd erg gezellig, met z'n flauwe grappen en heerlijke boterhammen maar hij vergat altijd de tijd. Gelukkig had hij haar, kon ze hem op tijd de deur uitzetten.
Ze ruimde de ontbijtspullen op en dacht na over de rest van haar dag. Vandaag hoefde ze zelf niet te werken, dus ze kon lekker aanrommelen. Misschien eventjes naar de stad om wat te gaan windowshoppen.. Ze had op zich niets nodig, maar je weet nooit. Op de dagen dat ze gewoon voor niets naar de stad ging vond ze vaak iets leuks en verder had ze toch niets te doen. Behalve de afwas, waar ze gelijk maar aan begon. Was dat maar gedaan en had ze de rest van de dag haar handen vrij. Veel was het niet, slechts de ontbijtbordjes en de spullen van gisterenavond. Daar was ze zo mee klaar en terwijl ze het water in de gootsteen liet lopen keek ze weer naar buiten. En daar stond hij weer! Nu rechtstreeks voor haar keukenraam, op de stoep voor het gazon. Dezelfde zwarte jas, dezelfde zwarte hoed en nu kon ze zien dat hij rechtstreeks naar haar keek. Al kon ze zijn gezicht niet zien, die ging schuil onder de schaduw die de rand van zijn hoed trok. "Wat te F..." dacht ze en ondanks dat ze eigenlijk bang was vond ze dat ze die kerel best kon confronteren met zijn gedrag. Ze hield er niet van als onbekenden haar in de gaten houden. Maar ja, wie wel? Ze deed de kraan uit en liep naar de voordeur.
Kwaad, met een ruk, deed ze de voordeur open. Ze stormde naar buiten en wilde die kerel gelijk aanspreken. Onder het mom "wat moet je hier" maar er was helemaal niemand. Geen kerel, alleen dezelfde straat die ze altijd zag. De buurman van twee huizen verder kwam net naar buiten lopen, hij zwaaide. Even wist ze niet wat ze moest doen en zwaaide verstrooid terug. Ze keek de straat uit, niemand. Er liep ook niemand. "Ik kan toch niet meer dromen?" vroeg ze aan zichzelf af en liep weer naar binnen. Nu liet de man in het zwart haar niet meer los. Ze bleef eraan denken en de afwas liet ze maar staan voor vanavond. Eerst dit probleem oplossen. Wie was die vent en waarom observeerde hij haar? En nog belangrijker hoe kon hij zo snel verdwijnen als hij deed? Vragen waar ze het antwoord ook niet op wist. Ze besloot haar vriendin te bellen, misschien wist zei raad en anderzijds wilde ze ook liever niet meer alleen zijn. Ze voelde zich niet prettig.
Terwijl ze belde keek ze een beetje angstig uit het raam. Niemand te zien, alleen de straat die ze elke dag zag. Een auto reed voorbij en even later nog één. Haar vriendin nam niet op. "Verdomme!" vloekte ze zachtjes. Ze wilde niet thuisblijven, nu even niet. Ongedurig ging ze op de bank zitten en ze zat nog niet of de telefoon ging. Ze schrok, keek naar buiten (waar niets bijzonders te zien was) en nam op. "Hallo.." "Hooi, met Elsbeth! Ik zag dat je gebeld had!" Haar vriendin, opgelucht haalde ze adem. "Ja, sorry.." ging Elsbeth verder "ik was in de keuken en hoorde de telefoon te laat" "Ach, dat geeft toch niet" antwoordde ze terug. "Het was ook niet zo belangrijk, ik vroeg mij alleen af of je zin had om ergens koffie te gaan drinken. Ik heb geen zin om thuis te zijn.." "Ja, dat vind ik nu een goed plan!" hoorde ze aan de andere kant van de lijn. "Zal ik je over een uurtje oppikken? Kunnen we even ergens gaan roddelen over onze mannen!" Ze lachte: "Ja, dat is goed. Zie ik je over een uurtje." Ze hing op, een uurtje niets doen. Ze ging weer op de bank zitten en keek uit het raam. Nog steeds de normale straat, geen kerel met een zwarte jas en hoed. Enkele auto's en fietsers kwamen voorbij terwijl het uur verstreek.
Zoals gewoonlijk gingen ze naar de La Place in het centrum. Daar hadden ze de lekkerste appeltaart vond haar vriendin en op zich was ze het hier wel mee eens. Ze hadden een tafeltje aan het raam gekozen en keken naar buiten, naar de binnentuin onder hen. "Toch altijd mooi, die tuin" zei Elsbeth. Ze knikte terwijl ze een hap van haar taart nam. Haar vriendin wilde ook een hap nemen, maar zag dat ze een theelepeltje in plaats van vorkje gepakt had. Ze lachte en stak het stukje servies in de lucht. "Zo terug, even een vorkje pakken!" "Is goed, dan geniet ik even verder in stilte" en ze lachte naar haar vriendin. Ze keek hoe Elsbeth wegliep naar de bestekbak en draaide haar hoofd om de binnentuin weer te bekijken. Om even van de bloeiende planten te genieten. Ze schrok zich dood, daar stond die vent met zijn zwarte jas en hoed weer. Midden in de tuin, tussen de planten en struiken. En ze wist dat hij omhoog keek, naar haar keek. Ze rukte haar blik los van hem en keek naar haar vriendin die inmiddels terug kwam lopen. "Elsbeth..." begon ze en ze wees naar het raam. Elsbeth keek haar aan. "Wat is er? Je ziet helemaal wit, alsof je een geest gezien hebt." Ze schudde van nee. "Kijk even naar buiten, zie jij daar een vent in de tuin staan!" Elsbeth keek naar buiten: "ik zie niets.... maar dat kan ook helemaal niet, die tuin is afgesloten. Alleen bereikbaar voor het personeel." "Of zag je iemand van het personeel, een lekker vent?" zei Elsbeth plagerig. "Nee, nee, een vent in een lange zwarte jas" antwoordde ze. Haar vriendin keek haar aan en schudde nee.
Nadat ze het hele verhaal aan haar vriendin had verteld, wat twee bakken koffie koste om te vertellen voelde ze zich wat meer gerustgesteld. Haar vriendin dacht ook dat ze droomde, volgens haar kon je gewoon dingen zien terwijl je wakker was. En sliep ze de laatste tijd niet erg slecht! Iets wat ze had beaamd, ze sliep al enkele weken erg slecht. Volgens haar vriendin had ze gewoon last van waakdromen en moest ze even naar de dokter. Na de belofte dit te gaan doen liet haar vriendin haar achter in de La Place, ze moest nog even boodschappen doen had ze gezegd. Wat ook waar was, ze moest inderdaad nog boodschappen doen. Het eten wat ze gisteren in gedachten had voor vandaag had ze nu geen zin meer in. En daarbij zou boodschappen doen haar weer wat rust geven, gewoon iets basaal doen als boodschappen. Ze stond op, bracht het dienblad met de kopjes en schoteltjes naar de opruimband en liep naar buiten. De geluiden van de straat omringde haar, winkelend publiek liep langs haar heen en ze voegde zich in de massa. "Ja, het was gewoon een droom. Er is niets" sprak ze zichzelf toe en ze liep de winkelstraat verder in.
Even stopte ze bij haar favoriete kledingwinkel en keek in de etalage. Er hing niets leuks, een jurkje wat ze al eerder had gepast en afgekeurd had vanwege een lelijke pasvorm. Daarnaast een broek die haar smaak niet was en dingen ze nog te duur vond. Leuk voor de uitverkoop, maar niet om de volle prijs voor te betalen. Ze wilde verder lopen toen ze in de weerspiegeling weer die vent in het zwart zag. Zwarte jas, zwarte hoed en hij keek weer haar richting op. Hij stond aan de overkant van de straat. Met een bonzend hart draaide ze zich om, hij stond nu wel heel erg dichtbij. Ze moest hem nu makkelijk kunnen aanspreken, maar ze zag niemand toen ze zich omgedraaid had. Helemaal niemand, alleen het normale winkelende publiek. Wat voor een woensdagochtend natuurlijk nog niet echt veel was. Ze keek weer in de winkelruit, niets bijzonders. Precies dezelfde straat. "Ik droom, een hallucinatie..." sprak ze zichzelf streng toe: "als ik thuis ben gelijk de dokter bellen!" Ze had gelijk nergens meer zin in, ook niet in boodschappen doen maar aangezien ze dit nu eenmaal voorgenomen had liep ze gelijk door naar de supermarkt. In de etalageruiten keek ze niet meer.
In de supermarkt zag ze hem weer staan, bij de vleesafdeling. Enkel stond hij nu met zijn rug naar haar toe en ze stormde op hem af. Kwaad greep ze hem bij de schouder. "Wat moet je van mij!" schreeuwde ze hem toe, terwijl ze hem met een ruk omdraaide. Een oudere man staarde haar verschrikt aan. "Mevrouw! Wat doet u? Wat wilt u?" Hij viel bijna door haar bruuske gebaar. "Ik ken u helemaal niet!" Ze schrok en zag nu dat hij helemaal geen zwarte jas aanhad, alleen een lange bruine regenjas. Hij had niet eens een hoed. Wat was door haar heengegaan? "Neem mij niet kwalijk, meneer.." verontschuldigde ze zich. "Ja, dat is je geraaien ook" antwoordde de man kwaad en keerde terug naar het vlees dat hij aan het uitzoeken was. Ze liep weg, dit was echt niet goed. Ze kon beter naar huis gaan en de dokter gaan bellen.
En net voordat ze de winkel uitliep zag ze hem weer door het glas van de deuren heen. Hij stond overduidelijk in zijn lange zwarte jas en hoed op zijn hoofd haar aan te kijken vanaf de overkant van de straat. Nu had ze hem, nu zou ze weten wat hij van haar moest. Ze zou hem nu niet meer uit het oog verliezen en stormde naar buiten. De deuren gleden voor haar open en de man was nu duidelijk zichtbaar. Dit was haar kans en stormde op hem af zonder op of om te kijken. Achter haar hoorde ze iemand schreeuwen dat ze moest oppassen, maar ze lette niet op. Ze had alleen nog oog voor de man in het zwart. Naast haar hoorde ze luid piepende remmen, geluid van een motor en toen voelde ze haar benen onder zich wegslaan. Haar hoofd klapte op de voorruit, welke onder haar versplinterde. Haar arm schoot onder haar weg en tegen het dak van de auto. Ze voelde haar benen tegen de motorkap klappen, eroverheen schuiven en toen werd het zwart voor haar ogen. In de duisternis voelde ze haar lichaam keihard tegen de straat knallen en bleef liggen.
Ze wist niet hoe lang ze daar gelegen had toen ze haar ogen opende. Mensen stonden om haar heen en ze kon ze niet bewegen. Ze hoorde opgewonden stemmen. "Zo erg!" "Zag je haar gaan, ze stak zo maar over" "Ik kon er niets aan doen" Mensen stonden om haar heen, onrustig. "Is er al een ambulance gebeld?" Ze probeerde iets te zeggen, maar slechts een licht gereutel kwam over haar lippen. Ze keek naar de mensen om haar heen, vele keken geschrokken naar haar gehavende lichaam. Naar het bloed dat uit haar hoofd stroomde. Een enkeling keek of er al een ambulance of een dokter kwam en daarna weer snel naar haar. Uit het niets opende de groep mensen zich. "Een dokter.." ging door haar hoofd, maar de man in de zwarte jas kwam naar voren. Hij ging naast haar staan, ging door zijn knieën en stak zijn hand uit. Eindelijk kon ze zijn gezicht zien. Wit als perkament en ondanks zijn toch jeugdige uiterlijk zag hij eruit alsof hij ouder was dan de wereld om hen heen. Zijn ogen leeg, peilloze dieptes die alles zagen maar niets registreerden. Ze keek naar zijn uitgestoken hand. Met een zachte stem prak hij haar toe. "Ga je mee?" zei hij.
5 december 2011
Een houten vloer
"Kom maar binnen, we gaan beginnen!" Gedwee lopen we de ruimte binnen, meebrengen van bier en andere versnaperingen is geen probleem. Alleen eten schijnt niet op prijs gesteld te worden, maar aangezien niemand dat mee wil nemen is er ook niemand die bezwaar maakt. Een houten vloer ontsluit zich voor onze ogen, stoelen aan de linkerkant en vier microfoons met wat kleine effect-apparaten aan de rechterkant. We worden geacht plaats te nemen op de stoelen. We kiezen enkele stoelen op de tweede rij, dichtbij genoeg om alles te kunnen overzien maar toch te ver om direct geconfronteerd te worden met wat komen gaat.
Het licht is al gedimd, de microfoons staan als een los groepje weerstand te bieden aan de gang van zaken. Alsof ze willen zeggen dat ze zelfs in deze betrekkelijke duisternis hun aanwezigheid duidelijk kunnen maken. Het lukt ze verwonderlijk goed, zelfs de ouderwetse gitaar speaker op de achtergrond maakt zijn aanwezigheid uitstekend bekend. Al komt dit laatste doordat het op een verhoging is geplaatst, een extensie van de houten vloer waarop het geplaatst is. Meer mensen druppelen binnen, sommige met een bier in de hand. Anderen alleen gewapend met een jas en de zin om te beginnen. Het creëert een mooie gelegenheid om de rest van de ruimte te bekijken, maar er valt weinig te zien. De enige twee gedimde lampen op het podium laten zwarte gordijnen op de muren zien, overal waar ik kijk zijn de muren zwart. De golven van de gordijnen geven de ruimte een warme, misschien wel knusse sfeer. Alles is goed en de deur sluit om het laatste publiek binnen te laten. "Iedereen aanwezig?" klinkt er vanuit een verduisterde hoek. Niemand geeft antwoord.
De deur gaat nogmaals open, ditmaal om Keiji Haino binnen te laten. Zijn kleding reflecteert de gordijnen op de muren, ook zwart en loshangend. De zonnebril en zijn lange grijze haar maken zijn verschijning nog groter, grootst zoals de man uit Japan kan zijn. Hij neemt plaats op de grond, in kleermakerszit en klapt in zijn handen. De ceremonie, het concert is begonnen. Rustig begint hij woorden in de microfoon te spreken. In het Japans, het kan van alles zijn. Misschien scheld hij iedereen in het publiek uit, misschien verklaart hij iemand die wij niet zien de liefde. Ik weet het niet, ik spreek geen Japans. Ik versta geen Japans. Langzaam ontpopt hij zich tot zijn ware aard. Binnen tien minuten weet ik dat het materiaal waar demonen van gemaakt zijn bestaat uit geluid. Geluid dat je overspoeld, omklemt en doet grijpen naar adem. Keiji Haino is geen muzikant, Keiji Haino is een necromancer. Een hogepriester van de uitermate duistere kerk. Hij gromt, schreeuwt, manipuleert, vervormt zijn stem en zingt zoetgevooisd om iedereen in slaap te sussen. Geen zachte slaap met feërieke dromen, maar een duister avontuur waarbij je je ogen wijd opengesperd wil houden. Demonen zetten voet op de houten vloer, het geluid van hun voetstappen zet zich vast in onze lichamen. En altijd staat alleen Keiji Haino achter de microfoons, de hogepriester zonder altaar.
De golven van geluid, zijn schreeuwen, zijn stem. Alles dendert mijn gehoorgang binnen, motorfietsen die een levensgevaarlijke toer uitvoeren in ronde buizen. Geluid dat onder je huid kruipt en niet meer weg wil gaan. Het geluid neemt mij over, zegt dat ik van hem ben en alles om mij heen verdwijnt rond die man op het podium. Die man achter de vier microfoons en zijn kleine apparaten. Ik zoek naar occulte tekens op de grond (een pentagram was al genoeg) maar alleen een blank houten vloer strekt zich voor mij uit. Steeds verder en verder, terwijl de muren van geluid mij verder bedelven. Ik ben bezeten door de demonen die Keiji Haino opgeroepen heeft en laat het gebeuren. De ruimte is leeg, gevuld met de muren van geluid en de houten vloer. In het midden brult, schreeuwt, praat en gromt hij verder. En ik luister. Ik luister naar zijn stem, zijn ruis en zijn feedback. En opeens dringt het tot mij door! Hij roept geen demonen op, maar bezingt de afschrikwekkende schoonheid van de natuur. De monsterlijkheid waarmee wij de natuur behandelen en de manier waarop de natuur ingericht is. De demonen die hij oproept zijn niets meer dan de afgrijselijke gezichten van de Natuurgoden en -wezens.
Ik trek de gordijnen langs de muur om mij heen terwijl Keiji Haino mij verder meeneemt. Steeds dieper dringt het geluid mijn lichaam binnen, soms pijnlijk, soms prettig in de aanraking. Maar altijd is het vrijwillig, als de eerste stappen in een sadomasochistische relatie. Ik weet dat ik kan stoppen wanneer ik wil, maar ik wil niet stoppen. Ik wil doorgaan, doorgaan tot hij klaar is met ons allemaal. Ik dompel mijzelf nog verder onder in het geluid, de gelaagdheid die vanaf de houten vloer over mij uitgestort wordt. Het geluid is een onderdeel van mij geworden, het materiaal waar het gemaakt is blijkt mijn eigen vlees te zijn. Ik ben het geluid, zoals het geluid Keiji Haino is. Hij bespeelt iedereen met zijn stem, vanaf de houten vloer die ook zijn instrument is. De krankzinnigheid, de chaos en de vreselijke schoonheid van de natuur trekt in het geluid aan mij voor bij. Het trekt door mijn lichaam en laat striemen op mijn ziel achter. En dan is het weg, het geluid trekt zich terug naar de houten vloer. Naar de man die het allemaal produceert. Alsof hij het allemaal terugroept vanuit het publiek. Ik ben niet alleen, wij zijn met meerdere en allemaal hebben we hetzelfde meegemaakt.
Keiji Haino staat op, neemt een buiging en loopt weg. We applaudisseren, iets anders kunnen we niet doen en staan zelf ook op. We zijn iets rijker geworden, al hebben we misschien een klein beetje van onze ziel aan Keiji Haino meegegeven. Het was een louterende ervaring, misschien zelfs volledig religieus. We vertrekken met een gevoel van loutering en gewapend met een gehoorbeschadiging terug de buitenwereld in.
Japanse Noise zal voor mij nooit meer hetzelfde zijn, voor mij zal zelfs muziek nooit meer hetzelfde klinken. Ik zal de rest van mijn leven opzoek gaan naar de herontdekking van die houten vloer, al ben ik nu wel bang in het donker. Ik weet nu hoe de natuur er werkelijk uitziet, hoe de dingen die wij normaal gesproken niet kunnen zien eruit zien. Hij liet het mij allemaal zien op die houten vloer.
A Bit of Keiji Haino - live at SPS 4-12-2011
Disclaimer: Deze opname geeft geen goed beeld van de
totaal-ervaring die Keiji Haino brengt. Het is slechts een
korte registratie om een beeld te geven bij het geluid,
wat ook niet goed overkomt vanwege mij camera.
Labels:
concert,
Japanse Noise,
Keiji Haino,
Smart Project Space
Abonneren op:
Posts (Atom)



